Islam, sharia en rechtsstaat
donderdag, augustus 28th, 2008Eerst was er de aartsbisschop, daarna de lord, en vervolgens de socioloog.
In februari van dit jaar deed Rowan Williams, aartsbisschop van Canterbury (zetel van de Anglicaanse kerk) stof opwaaien door te verklaren dat delen van de sharia, de islamitische wetgeving, onderdeel zouden moeten worden van het Britse recht. Begin juli deed Lord Phillips van zich spreken. In een toespraak in een moslimcentrum in Londen zei de Engelse opperrechter dat bepaalde aspecten van het islamitisch recht ook in het Britse recht toegepast kunnen worden. De Amerikaanse socioloog Mark Gould valt in het zomernummer Policy Review de beide Britten bij. In een artikel in het blad van het conservatieve Hoover Institution stelt Gould, professor aan het Haverford College in Philadelphia, dat de sharia en de rechtsstaat elkaar niet in de weg hoeven te zitten. “Een van de uitgangspunten van islam is dat de sharia kan functioneren als een grondwet, terwijl in het Verlichtingsdenken grondwettelijke bepalingen teruggebracht zijn tot procedures en waarin volksvertegenwoordigingen wetten kunnen uitvaardigen die procedureel correct zijn”, schrijft Gould in het lange betoog dat niet gespeend is van juridisch jargon. De kritiek van Gould op het ‘Westerse’ Verlichtingsmodel is dat rechtsgeldige wetten niet alleen procedureel correct moeten zijn, maar ook rechtmatig moeten zijn vanuit grondwettelijke waarden. In dit licht, zo betoogt Gould, kan de sharia een serie waarden bevatten die tegelijk grondwettelijke principes kunnen ondersteunen.
De tegenstelling die Gould, in navolging van de socioloog Max Weber, ziet is dat in het “Westen” wetten als rechtmatig worden bevonden als ze volgens de juiste rationele procedures worden vastgesteld. Terwijl vóór de Verlichting – en nog steeds in andere culturen – wetten als rechtmatig werden gevonden als ze overeenkwamen met traditionele waarden die geworteld zijn in een traditie die als heilig wordt gezien. Moderne staten baseren hun rechtsstaat – grondwet en wetgeving – op een set van principes, waarvan gelijkheid voor de wet en algemeen geldend de belangrijkste zijn. De staat plaatst hiermee de soevereiniteit in handen van het volk, en niet in handen van God, zegt Gould. Vanuit godsdienst gedacht worden nieuwe regels/wetten niet procedureel ingesteld als antwoord op een probleem, maar zijn principes door God geopenbaard.
Gould stelt dat het een de ander niet hoeft te bijten. De aanwezigheid van moslims in liberale democratieėn hoeft niet te leiden tot een islamitische staat, maar kan inhouden dat islamitische principes in overeenstemming worden gebracht met grondwettelijke uitgangspunten. Gould noemt dit een herleving van civil religion. Islamitische principes als gelijkheid van gelovigen, sociale rechtvaardigheid en universeel geldend kunnen volgens Gould in overeenstemming zijn met de principes van de rechtsstaat. Het vraagt van moslims wel een vorm van ‘double consciousness’: ik ben moslim én ik ben Amerikaan (of Nederlander, of ….). Zoals Gould schrijft: “Als God zijn soevereiniteit behoudt, dan is dat in een publieke ruimte van gelovigen, niet in de publieke ruimte waar de regels van de staat geldend zijn”. Gould hoopt dat (Amerikaanse) moslims deze weg zullen inslaan en zo een bijdrage zullen leveren aan de civil religion, zo typerend voor de Verenigde Staten (en Nederland?).








