Archief voor 2009

Modern racisme in een angstig land

donderdag, december 17th, 2009

“Iedereen in dit land mag stemmen wat hij wil, ook op de PVV, maar iedereen heeft ook het recht te zeggen wat hij van een dergelijke keuze vindt,” zegt bijzonder hoogleraar interculturele communicatie Wasif Shadid in Contrast. Shadid neemt binnenkort afscheid van de universiteiten van Leiden en Tilburg. “Laten we ervoor zorgen dat de PVV krimpt tot een dwergbeweging. Laten we er vooral voor zorgen dat deze partij niet salonfähig wordt.”

Volgens Shadid staat de PVV van Wilders voor ‘modern racisme’: “het gebruiken van cultuur of religie om een bepaalde groep uit te sluiten of te stigmatiseren”. Shadid  haalt de uitkomsten aan van het wetenschappelijk onderzoek dat in opdracht van het ministerie van Binnenlandse zaken is geschreven. Daarin staat dat de PVV niet alleen extreemrechts is, maar ook een bedreiging vormt voor de sociale cohesie. Shadid: “Het rapport is van fundamentele betekenis voor het multiculturalismedebat. Door dit rapport kan deze potentiële aanhang [de Wildersaanhangers] later niet zeggen ‘dat hebben wij niet geweten’. Ook biedt het rapport politici een kans om hun standpunten over deze beweging te uiten nu deze wetenschappelijk worden ondersteund.” In dat licht vindt de scheidend hoogleraar het bemoedigend dat er steeds meer partijen en groepen zijn die kleur bekennen en aangeven niet met Wilders te willen samenwerken.

In zijn afscheidsrede zegt Shadid dat zowel de overheid als opinieleiders en media medeverantwoordelijk zijn voor het uit de hand gelopen debat. “We zijn onder invloed van de globalisering een angstig land geworden dat op zoek is naar zijn eigen identiteit en zich daarom afzet tegen allochtonen. De solidariteit met kansarmen en onderdrukten, zowel nationaal als internationaal, is verdwenen. De gevolgen van die verschraling zijn voor de allochtonen voelbaar geworden: er wordt gemeten met twee maten en ze krijgen het nadeel van de twijfel.”

Shadid pleit ervoor op te houden met culturalisering en etnisering. Tweede- en derdegeneratie allochtonen vertegenwoordigen niet meer de cultuur van hun voorouders, zegt de hoogleraar. “Ze lijden juist aan cultuurverlies.”

“Wat we nodig hebben is een soort hoopgevende, iedereen insluitende Obamavisie op het neiwue Nederlandschap, waarin de definitie niet bepaald wordt door cultuur of geboorteland van de (voor)ouders, maar door identificatie met en loyaliteit aan het huidige land en de huidige samenleving.”

Shadid heeft een ’7-punten plan’:

  • ga voor inclusiebeleid in plaats van uitsluiting: creëer een wij-gevoel
  • definieer het Nederlanderschap anders, niet meer op basis van herkomst
  • ga (modern) racisme strenger tegen
  • bestrijd sociaal-economische achterstand
  • vermijd culturalisering en etnisering
  • wijs anti-islamisme openlijk af
  • bevorder interculturele expertise

Klimaat-effectatlas voor ambtenaren

woensdag, december 16th, 2009

Beleidsambtenaren van de provincie kunnen sinds kort op de klimaat-effectatlas zien hoe klimaatbestendig hun provincie is. Aan uitbreiding voor gemeenteambtenaren wordt gewerkt. Dit meldt Binnenlands Bestuur.

Provinciale ambtenaren kunnen in de interactieve atlas online zien hoe bijvoorbeeld de gemiddelde temperatuurstijging in de provincie is. Of hoe hoog de waterstand zal worden in 2020. Of hoe droog de provincie wordt over 15 jaar en de gevolgen ervan voor de landbouw. De klimaateffectatlas is ontwikkeld door  het programmabureau Klimaat voor Ruimte, KNMI Altera en DHV, in opdracht van het Inter Provinciaal Overleg (IPO).

Om de provincie inderdaad klimaatbestendig te maken, kunnen de ambtenaren nu op een interactieve manier hun beleid toetsen. Aan de hand van diverse scenario’s – dijkdoorbraak, heel veel lokale regenbuien, – wordt zichtbaar hoe dit uitpakt in het landschap van de provincie. ‘Je kunt per provincie op de kaart inzoomen.’

Er staan ook onderzoeksrapporten en andere beleidsstukken op de site. Zo kan een ambtenaar voor het buitengebied construeren wat de gevolgen voor de landbouw zullen zijn. Ook de stand van de natuur laat zich voor verschillende scenario’s benaderen.

De atlas wordt ook beschikbaar voor gemeenteambtenaren.

Discriminatie moslims in Europa alarmerend

dinsdag, december 15th, 2009

Anti-moslimsentimenten vormen een ernstig probleem in Europa. Te veel Europeanen geloven dat een religieuze identiteit integratie tegenwerkt, terwijl de meeste moslims zich juist sterk identificeren met het stad en het land waarin zij wonen.

Dat stelt het Open Society Institute (OSI) in een vandaag verschenen rapport (pdf). Het rapport is onder meer gebaseerd op tweeduizend diepte-interviews met mensen in elf Europese steden, waaronder Amsterdam en Rotterdam.

Hoewel de meeste moslims al jarenlang in Europese steden wonen, hebben velen te maken met discriminatie en argwaan van autochtone bevolkingsgroepen, aldus OSI. Volgens de stichting toont het rapport echter hoezeer uiteenlopende bevolkingsgroepen dezelfde behoeftes en bezorgdheden vertonen. ,,Het enige waarin zij verschillen, is de manier waarop zij door anderen worden behandeld en waargenomen.”

De OSI pleit in zijn rapport voor maatregelen op regionaal, nationaal en Europees niveau om religieuze discriminatie tegen te gaan. ,,Europa moet haar beloften van een open en inclusieve samenleving waarmaken”, stelde Nazia Hussain van OSI.

YouTube voorvertoningsafbeelding

Extreemrechts steeds meer geaccepteerd door media

donderdag, december 10th, 2009

Pytrik Schafraad, onderzoeker aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, promoveert 11 december op een onderzoek naar de berichtgeving in kranten over extreem-rechts. Zijn conclusies: Kranten in Nederland en Vlaanderen berichten steeds genuanceerder en diverser over uiterst rechts. Maar controversiële thema’s blijven de boventoon voeren. Dat dit zo is heeft  vooral te maken met de partijen zelf, zegt Schafraad: “Fortuyn wilde het eerste artikel van de Grondwet afschaffen, Wilders maakte de film Fitna, wilde het land op slot voor migranten en bedacht de kopvoddentaks”. Dit meldt Wereldjournalisten.nl op haar website.

Schafraad analyseerde ruim vijfduizend berichten in drie verschillende kranten van vergelijkbare signatuur in Nederland, Vlaanderen en Duitsland. Voor Nederland waren dat de Volkskrant, het NRC en De Telegraaf. Voor Vlaanderen de Morgen, de Standaard en het Laatste Nieuws en voor Duitsland de Süddeutsche Zeitung, Frankfurter Allgemeine Zeitung en Bild.

Schafraads onderzoek laat zien dat op het moment dat in Nederland integratie als onderwerp ook door intellectuelen wordt overgenomen en extreemrechtse partijen meer zetels in de Tweede Kamer krijgen, de aandacht voor de deze partijen genuanceerder wordt. In het verkiezingsjaar 1989 bijvoorbeeld wanneer Janmaat in de Tweede Kamer wordt gekozen, is er niet meer dan één keer per week aandacht voor uiterst rechts: in de 3 kranten staan dat jaar 77 berichten over extreemrechtse standpunten.
In de loop van de jaren negentig van de vorige eeuw komt hier verandering in. Integratie is niet langer een exclusief thema voor uiterst rechts. Intellectuelen als Frits Bolkestein en Paul Scheffer domineren het debat. Er komt meer aandacht voor de inhoud en de denkbeelden van de partijen en de berichtgeving wordt gevarieerder.

Na de eeuwwisseling zet deze trend door en raakt vanaf 2003 in een stroomversnelling vanwege de populariteit van Pim Fortuyn. In het verkiezingsjaar 2002 staan er 802 berichten over extreemrechts in de kranten, in 2003 zijn dat er 508. Vanaf 2004 wordt uiterst rechts niet langer beschreven als controversiële buitenstaander, maar halen ze ook de krant met andere thema’s.  Er zijn nog maar 137 berichten over extreemrechtse standpunten.

In 1986 publiceren de kranten gemiddeld één artikel per week over uiterst rechts. Dat aantal groeit naar 3,5/dag in 2002. In dat jaar heeft de Volkskrant gemiddeld 5 artikelen per dag, het NRC iets minder dan 4 en De Telegraaf 1,5. Gemiddeld publiceert De Telegraaf half zoveel artikelen als de andere twee kranten. De Volkskrant en NRC schrijven langere artikelen dan De Telegraaf. Gemiddeld 11 procent van alle artikelen staat op de voorpagina’s.

De drie kranten verschillen ook in focus van berichtgeving: de Volkskrant schrijft minder over de rol van uiterst rechts in de politieke actualiteit (9%) dan het NRC (23%) en De Telegraaf (20%). Volkskrant en NRC schrijven meer over uiterst rechts in juridische conflicten (17 en 16%) dan Telegraaf (11%).
Gemiddeld 27% van de berichten (gemeten over de hele periode) gaat over vreemdelingenangst en exclusionisme: het uitsluiten van etnische minderheden, vluchtelingen en allochtonen (met in 1994 een uitschieter van 51%).

In Vlaanderen wordt het Vlaams Blok in de jaren negentig een steeds grotere en belangrijke partij. Schafraad ziet eenzelfde ontwikkeling als in Nederland. Krantenberichten worden diverser en genuanceerder, maar ook hier domineren controversiële aspecten zoals exclusieve aandacht voor het racisme van de extreemrechtse partij. Beschuldigingen zijn implicieter: media noemen het Vlaams Blok niet langer ondemocratisch, maar ‘niet behorend tot de democratische partijen.’

De Duitse berichtgeving is de afgelopen twintig jaar nauwelijks veranderd: extreemrechtse partijen krijgen nauwelijks media-aandacht. Dat heeft volgens Schafraad te maken met het feit dat ze de kiesdrempel niet halen en met de gevoeligheid vanwege het nationaal-socialistische verleden. Partijen die daar associaties mee oproepen krijgen weinig ruimte in de pers.

Bron: Wereldjournalisten.nl

Bauani Ndume winnaar Internationale Kindervredesprijs 2009

donderdag, december 10th, 2009

Op 3 december heeft de 16jarige Bauani Ndume uit handen van Nobelprijswinnaar Wangari Maathai de Internationale Kindervredesprijs 2009 ontvangen. Op 7-jarige leeftijd vluchtte Baruani uit de Democratische Republiek Congo. Tijdens de vlucht verloor hij zijn ouders en kwam terecht in het vluchtelingenkamp Nyarugusu in Tanzania, waar hij sindsdien woont. In het kamp verblijven ruim 60.000 andere vluchtelingen, waarvan meer dan de helft kinderen zijn. Baruani zet zich op een bijzondere wijze in voor deze kinderen. Hij is erin geslaagd met beperkte middelen een radioprogramma op te zetten, waarin hij problemen en uitdagingen bespreekt met zijn leeftijdsgenoten. Door oproepen in zijn show probeert hij kinderen die hun ouders zijn kwijtgeraakt in de vlucht, met elkaar te herenigen. Het grote succes van het programma, dat ondertussen in vier Afrikaanse landen wordt uitgezonden, heeft ertoe geleid dat inmiddels vele kinderen met hun familie zijn herenigd.

In zijn speech bij de uitreiking van de prijs haalde minister Koenders herinneringen op aan zijn bezoek aan de vluchtelingenkampen in Congo. “Ik herinner me de stank, ik herinner me de tekorten, ik herinner me de angst voor het geweld. Maar wat ik mij het meest herinner zijn de kinderen – kwestbaar, maar bovenal moedig.”

For me, that memory makes this opportunity to speak to you here today extra special. Because the winner of the 2009 Children’s Peace Prize is a Congolese child. He lost his parents in the war and was forced to flee to a camp in Tanzania, but that didn’t break his spirit. Just 16 years old, he now helps others in the same situation to build a new life for themselves. Sisi kwa sisi, Children for Children.

He is supported in his work by World Vision, the organisation that operates the refugee camp in Tanzania. I am delighted that World Vision focuses extra attention on children and teenagers. In projects like ‘Child Voice Out’ and ‘Learn From Me’, young people talk to their peers about their traumatic experiences and learn to confront each other about harmful behaviour, like using drugs or having unprotected sex. In this way, young refugees help each other prepare for life outside the camp: this is a striking example of new and improved international development.

I am proud that ongoing Dutch government support for World Vision has helped make these and other projects possible.

Ladies and gentlemen,

This year we celebrate the twentieth anniversary of the UN Convention on the Rights of the Child. I say ‘celebrate’ deliberately, because a great deal of progress has been made. Let me give you two concrete examples. One: the number of children who die before the age of five dropped from 12.5 million in 1990 to nine million last year. Two: more and more children are going to school. In 2002, 115 million children were denied an education; five years later that number had fallen to 101 million.  We’re making good progress.

Education is, of course, a vital issue. Only yesterday evening I returned from Pakistan, where schools have been set up in camps and villages under the Education in Emergencies programme. Reinstating children’s daily routine allows agencies like UNICEF to pave the way to recovery. The Dutch government is delighted and proud to be supporting this work. When I was there yesterday, I carefully listened to the children. They were really making the atmosphere in the camps. And the most important thing their parents asked me, was: please make sure our kids get an education.

As I said, a lot of progress has been made, but there is still a long way to go. Child labour, trafficking in children and sexual exploitation of children, and girls in particular, are critical problems.

In August of this year, the UN Security Council adopted Resolution 1882, agreeing that violence against children in armed conflict situations must no longer go unpunished. Today I call upon all nations to implement this resolution as quickly as possible. The same goes for Resolution 1888 on the prevention of conflict-related sexual violence against women and children, and the implementation of obligations under the Convention on the Rights of the Child. I hope that Marta Santos Pais, the Special Representative on Violence Against Children, and Radhika Coomaraswamy, the Special Representative for Children and Armed Conflict, will play an important role in this respect. They have to energize and they can energize.

Sierra Leone proves that progress is possible. Not so long ago, a terrible war made victims of countless children in Sierra Leone. Today it champions children’s rights. Not only has it transposed the Convention on the Rights of the Child into national law, it has also implemented optional protocols on the involvement of children in armed conflict and on the sale of children, child prostitution and child pornography. The Dutch government hopes, and I hope, that others will follow Sierra Leone’s good example.

Ladies and gentlemen, the Dutch government thanks KidsRights for it’s tremendous effort in helping kids and, of course, for making this award ceremony such an important international event. Therefore, I would like to close with the words of Om Prakash Gurjar, the winner of the 2006 Children’s Peace Prize. He said: ‘In the village in India where I was born and raised, the notion of child rights does not exist.’

Our challenge is to change that.

Thank you.

We zijn socialer dan ooit

donderdag, december 3rd, 2009

We somberen teveel, maar zijn socialer dan ooit tevoren. Aldus godsdienstsocioloog Joep de Hart in het opinieblad VolZin. De Hart ziet overal nieuwe vormen van sociaal kapitaal. Vaak moeilijk zichtbaar, omdat ze minder verbonden zijn met een vaste plaats en fysieke nabijheid. Volgens de godsdienstsocioloog zijn er natuurlijk allerlei zorgwekkende ontwikkelingen te zien, maar overdrijven we te snel. “Nederlanders behoren tot de gelukkigste volken ter wereld en hebben hun samenleving zo ingericht dat die – juist vanuit het perspectief van de solidariteit – moeiteloos kan concurreren met vrijwel elk ander land. Je kunt ook op een andere, wat optimistischer manier tegen het onderwerp aankijken.”

De politieke urgentie van het thema komt onder andere naar voren uit het regeerakkoord van het huidige kabinet, waar bevordering van de sociale cohesie als een belangrijke peiler van het beleid wordt gepresenteerd. De overheid sluit daarmee aan bij wat ook door de bevolking als een belangrijke kwestie wordt ervaren. Onderzoeken van het SCP leren dat Nederlanders hopen op meer sociale verbondenheid en gemeenschapszin, maar vrezen voor de komst van een hardere en meer prestatiegerichte samenleving. Bevolkingsenquêtes laten zien dat ‘goed burgerschap’ door Nederlanders sterk geassocieerd wordt met sociale betrokkenheid en medemenselijke zorg. Er is een wijdverbreide hunkering naar meer solidariteit, en dat zal zeker niet minder zijn geworden met de huidige kredietcrisis. Het verlangen erbij te horen drukt zich onder andere uit in het zoeken naar nieuwe vormen van verbondenheid, bijvoorbeeld rondom de dood van bekende Nederlanders (Fortuyn, Hazes), in de vorm van stille tochten, bij nationale herdenkingen. Maar ook rondom het koningshuis als symbool van nationale eenheid, bij grote inzamelingsacties of sporttoernooien, als internetclubs of via jeugdsubculturen. Voor een deel zal het bij het verlangen naar meer solidariteit gaan om heimwee naar een wereld die voorbij is, waarbij niet zelden de jaren vijftig als referentiepunt fungeren. Toen was geluk nog heel gewoon, al bestond dat geluk niet zelden uit een boterham met tevredenheid, in knusse saamhorigheid genoten in de veilige beschutting van de zuilen. Anderzijds wordt dat verlangen waarschijnlijk gevoed door een verscherpt bewustzijn van de schaduwzijden van de accentuering van individuele vrijheid en zelfontplooiing.

‘Wij-gevoelens’, in de zin van het zich één voelen met de andere Nederlanders, zijn een sentiment van tamelijk recente datum. Lange tijd vormde je regionale omgeving, later ook de godsdienst een belangrijke basis voor saamhorigheid tussen Nederlanders. Al gebeurde dat laatste in ons land tot in de jaren zestig voor een groot deel via de identificatie met een bepaalde zuil of kerkelijke subcultuur: je was eerst gereformeerd of katholiek en daarna pas Nederlander. De cohesieve kracht van de zuilen is in de afgelopen decennia sterk afgenomen en lijkt plaats te hebben gemaakt voor meer dynamische en individueel getinte vormen van affiniteit. Bijvoorbeeld in de vorm van geestverwantschap op basis van een gedeelde opleiding, een vergelijkbare werkomgeving, dezelfde vrijetijdsinteresses, een overeenkomstige leefstijl. Via de sociale netwerken die ermee verbonden zijn, blijkt religie overigens een belangrijke stimulans voor maatschappelijke inzet, in de vorm van vrijwilligerswerk en informele hulp. Veel ontwikkelingen kunnen worden samengevat onder de noemer individualisering. Met individualisering wordt gedoeld op een proces waarbij allerlei traditionele maatschappelijke verbanden (dorp, buurt, klasse, gezin, maar ook kerk) hun dwingende karakter verliezen en de ruimte groeit om het leven naar eigen inzicht en behoefte in te richten. Individualisering ligt ten grondslag aan zowel de afbrokkeling van veel oude organisatiemodellen van maatschappelijke participatie (kerken, vrouwenbonden, politieke partijen) als aan de verbreiding van participatievormen waarvoor de eigen biografie een belangrijke inspiratiebron is. Wat niet betekent dat solidariteit en sociale betrokkenheid zijn verdwenen – zoals gezegd niet in de bekommernis van de mensen, maar ook niet als feitelijke realiteit. Individualisering is niet hetzelfde als egoïsme, het is ook niet hetzelfde als bandeloosheid. Wel zijn de banden losser geworden, kortstondiger, opener en informeler.

In de Nederlandse samenleving hangt geen geur van stilstaand water. Op het maatschappelijk middenveld wordt niet slechts tevreden het gras van vorig jaar herkauwd. Je gaat het pas zien als je het door hebt: op tal van plaatsen in de Nederlandse samenleving komen nieuwe groepen, netwerken en sociale verbanden op. Er manifesteren zich innovatieve vormen van vrijwillige inzet die beter aansluiten bij het hedendaagse levensgevoel en leefpatroon. Bij het vrijwilligerswerk bijvoorbeeld komt een sterker accent te liggen op korte termijnprojecten met wel omschreven taakstellingen en doelstellingen. Tijdsintensieve vormen van betrokkenheid maken plaats voor kapitaalintensieve vormen – niemand beschikt over meer dan vierentwintig uur per etmaal, wat betreft het beschikbare kapitaal is de bandbreedte wel groot. Mensen doneren liever aan een behartigenswaardige zaak of professionele organisatie dan dat ze zich erop vastleggen elke woensdagavond in het verenigingsgebouw te verschijnen om met andere amateurs routineus te gaan vergaderen of wisselende hand-en-spandiensten te verlenen (terwijl veel activiteiten die het verenigingsleven overeind houden toch ook fysieke aanwezigheid vereisen). Lidmaatschap oké, maar dan niet van de wieg tot het graf; veel vaker ad hoc of vanuit wat de Duitsers biografische Passung noemen: je zet je in vanuit wat voor jou op dit moment relevant is. De band met organisaties wordt minder gekenmerkt door de vertrouwde nestgeur van een collectief gedeeld milieu en meer door de ambitie kennis te maken met interessante mensen en activiteiten. De organisatie, de groep wordt minder gezien als fundament van je leefstijl en meer als facilitair voor wat je nastreeft. Kleine, lokale groepen van medegeïnteresseerden bieden op veel terreinen een aantrekkelijk alternatief voor de anonimiteit van grootschalige organisaties. De nieuwe participatievormen zijn minder verbonden met een vaste plaats en fysieke nabijheid, en eerder met  mobiliteit en virtuele aanwezigheid of bereikbaarheid. Daarmee zijn ze maatschappelijk vaak moeilijk zichtbaar, maar ze zijn er wel en ze vertegenwoordigen uiterst belangrijke vormen van sociaal kapitaal.

Nogmaals: de beschreven ontwikkelingen moeten niet verward worden met een teloorgang van de onderlinge betrokkenheid en de opkomst van louter eigenbelang als drijfveer om je te organiseren. De afgelopen jaren heb ik nogal wat tijd gestoken in het systematisch turven van de leden- en donateuraantallen van honderden organisaties op het maatschappelijk middenveld. En wat blijkt? De sterkste groeiers op dat middenveld zijn drie soorten organisaties: organisaties gericht op internationale solidariteit en mensenrechten (zoals Amnesty International en UNICEF), organisaties gericht op natuur en milieu (bijvoorbeeld het Wereldnatuurfonds, Milieudefensie, Stichting AAP of de World Society for the Protection of Animals) en organisaties gericht op morele issues (zoals de Vereniging ter Bescherming van het Ongeboren Kind en de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie). Dat wijst dus allesbehalve op een fixatie met eigenbelang. Dan zouden we toch eerder moeten denken aan de Consumentenbond of Vereniging Eigen Huis. Die groeiden ook, maar aanzienlijk minder sterk. Moraliteit en sociale bekommernis hebben nog geenszins aan belang ingeboet als motief van burgerlijke inzet.

Niet alleen organisaties veranderen, dat geldt ook voor de religie. Wat mijzelf vaak frappeert, als ik terugdenk aan mijn kinderjaren in het Kampen van de jaren vijftig, is de granieten zekerheid waarmee iedereen om je heen de wijsheid in pacht dacht te hebben: de bisschop en de dominee, de ouderling en de koster, de juffrouw en de meester. Dat soort wereldbeelden van gewapend beton kom je vandaag de dag veel minder tegen. De Bijbel werd vervangen door het dagboek, de preekstoel door het world wide web. Fundamenten werden draaipanelen, grenzen poreus. Voor de stelligheid kwam het vermoeden, voor het heilsbezit het verlangen. In de dagen van weleer gaf het geloof antwoord op alle vragen, in elk geval alle vragen die ertoe doen, zelfs al had je je die nooit gesteld. En de service ging nog verder. Het werd allemaal netjes voor ons opgeschreven, vergeetachtig als wij zijn. Nietje erdoor (om met D66-leider Pechtold te spreken) en de aldus gebundelde feiten werden dan De Catechismus genoemd – die van de protestanten kwam uit Heidelberg, die van de rooms-katholieken stond uiteraard onder toezicht van Rome. Voor moderne mensen heeft dit iets onbevredigends. Als ik mijn Tomtom aanzet, dan wil ik zo snel en zo duidelijk mogelijk antwoord, maar niet als het om de zin van het leven gaat, om wat mij dierbaar is, of om wat mij ten diepste beweegt. Dan zijn pasklare antwoorden vaak minder interessant dan prikkelende vragen. En om die te vinden, helpt het zeker als je bereid bent zo nu en dan buiten je eigen routines en vanzelfsprekendheden te treden – luiken open, bruggen neer – en als je andere mensen misschien niet als huisgenoten, maar wel als reisgenoten ziet, al is het maar voor de duur van een gesprek. Een dynamische, pluriforme en multi-etnische samenleving als het moderne Nederland heeft niet alleen behoefte aan dikke kerkmuren of een behaaglijke woning waarin je je thuis kunt voelen. Zij heeft daarnaast vooral behoefte aan echte bruggenbouwers, die de verleiding weerstaan van het je verschansen in je eigen gelijk en het je organiseren volgens het principe van soort zoekt soort.

Bron: NieuwWij

Tofik Dibi: Integratiedebat is zeau 2001..!

maandag, november 30th, 2009

Het integratiedebat is een bodemloze put, vindt Tofik Dibi. Dibi zit in de Tweede Kamer voor GroenLinks. “Het debat over de multiculturele samenleving leek aan het begin van deze eeuw nog veelbelovend. Maar wat eens een verademing leek, is omgeslagen in een diepe verzuchting. Dat debat gaat niet over de kansen van een nieuwe generatie Nederlanders, maar over apocalyptische angstbeelden van politici die in steeds hardere bewoordingen over elkaar heen buitelen om de gunst van de kiezer. Het wordt tijd voor een nieuwe fase in het integratiedebat.”

Het manifest, Zeau 2001, luidt alsvolgt:

U kent ons niet persoonlijk, maar wij durven te wedden dat u wel over ons heeft gehoord. Misschien wel zo vaak dat het lijkt alsof u ons kent. Wij zijn de hoofdrolspelers in een debat dat ook wel de sociale kwestie van de 21e eeuw wordt genoemd: het integratiedebat.

Een debat dat eens zo veelbelovend begon toen prominente VVD’er Frits Bolkestein op 8 september 1991 welbespraakt zei:

‘De integratie van minderheden is zo’n moeilijk probleem dat het alleen met durf en creativiteit kan worden opgelost. Voor vrijblijvendheid noch taboes is daarbij ruimte. Er is een groot debat nodig waaraan alle politieke partijen deelnemen, over wat mag en wat kan, wat moet en wat anders dreigt.’

Deze terechte oproep was niet aan dovemansoren gericht. Linksbuiten Paul Scheffer kopte begin 2000 Bolkestein’s aftrap het meest opvallend recht in de kruising met het ‘multiculturele drama’. In dit essay vroeg hij zich openlijk af waarom we denken het te kunnen veroorloven generaties migranten te zien mislukken?

Een essentiële vraag. De beantwoording ervan werd ruw verstoord door een wereldwijde wake up call. Een wake up call die zo destructief en overweldigend was, dat de multiculturele samenleving als gezellige smeltkroes onherroepelijk naar het rijk der fabelen werd verwezen: 11 september 2001. Het besef dat de multiculturele samenleving evenzeer de Marokkaanse slager en Turkse groenteboer als de Islamitische terrorist onderdak bood, schoot internationaal diep wortel. Sluimerende angstgevoelens, opgekropte frustraties en rationele bezwaren konden nu eindelijk vrijgelaten worden uit de privacy van onze woon- en bovenkamers zonder dat de racismekaart gespeeld werd. Eindelijk vertelden we elkaar van links tot rechts hardop en haarfijn wat we nou eigenlijk van elkaar vonden. Een verademing.

Maar er ging ook iets kapot.

De ene na de andere politicus betrad het speelveld met hetzelfde integratietrucje: Pim Fortuyn, Ayaan Hirsi Ali, Rita Verdonk en Geert Wilders volgden elkaar in rap tempo op en met elke nieuwe speler werd de boodschap apocalyptischer en schoot het volume omhoog. Van ‘achterlijke cultuur’, naar ‘tsunami’ tot een ‘kopvoddentaks’.

Inmiddels is 2010 in zicht en is die eens zo welkome verademing omgeslagen in een diepe verzuchting. Het integratiedebat dat in 2001 veelbelovend leek, is in 2009 een bodemloze put gebleken. Een dag niet over integratie gepraat, is een dag niet geleefd. Volgens socioloog Willem Schinkel is de term ‘integratie´ zo veel en zo slordig gebruikt, dat de betekenis ervan verdwenen is. Zelfs de trekkende Noord-Afrikaanse nijlgans die de traditionele autochtone Nederlandse gans het leven zuur maakt, wordt geassocieerd met integratie. De bittere realiteit is niet dat we ‘zeggen waar het op staat’, maar dat we vastgelijmd zitten voor een buis, starend naar een beeld dat stilstaat. Gepauzeerd op 5 voor 12. Het integratiedebat is een herhaling van dezelfde doembeelden zonder vooruitgang.

Het integratiedebat is zeau 2001.

Don’t Believe The Hype

Buiten het zicht van de politieke radar is het niet 5 voor 12, maar een nieuwe dag. Een dag die zich kenmerkt door een bloeiende en groeiende nieuwe generatie jonge Nederlanders. Wij zijn onderdeel van deze generatie die het doemscenario uit het integratiedebat lang achter zich heeft gelaten en driftig werkt aan een nieuw en onafhankelijk scenario met plot twists waar The Usual Suspects bij verbleekt.

Wie zich niet los trekt van het stilstaande beeld zal ons niet zien. Voor het ongetrainde oog zijn wij moeilijk zichtbaar, maar wie op play drukt en verder kijkt dan de straattaal, de tattoo, de huidskleur of de oorverdovende I-Pod zal een nieuwe voorhoede aanschouwen. Een voorhoede die haar weg omhoog vindt via sport, politiek en kunst en cultuur en in toenemende mate de middenklasse bevolkt. Wij maken deel uit van een generatie die hecht aan een persoonlijke invulling van haar religie, aan een kritische houding ten aanzien van haar religie en aan een moderne levenswijze. Wij zijn jonge mensen die niet dromen van de jihad, maar van vrijheid en democratie. Niet van de hoek van de straat, maar van die ene opleiding en die felbegeerde baan.

Eenmaal in het vizier weerleggen wij overtuigend de clichés uit het integratiedebat, maar dan moet de schijnwerper wel van moskee naar club en collegezaal. Van gevangeniscel naar voetbalveld. Van statistiek naar karakteristiek. De speaker moet van grootste schreeuwer, zelfbenoemde vertegenwoordiger en extremist naar de doodgewone meerderheid. Alleen dan zal de ongekende potentie van een generatie, die ook de nieuwe Johan Cruijffjes, Joke Smitjes en Jan Wolkersjes telt, benut worden.

Ondertussen is de politiek ziende blind en horende doof. Soms lijkt het er op alsof de politiek ons ook niet wil zien of horen. Wij zijn ontevreden PVV-stemmers, relschoppende niet-westerse allochtonen of fundamentalistische moslims. Daartussenin bevindt zich een groot vacuüm.  Politieke partijen komen niet verder dan als ware marionetten te figureren in de Grote Geertshow. Enerzijds spelen de klassieke middenpartijen een wedstrijdje hard-harder-hardst om verloren kiezers terug te winnen, terwijl anderzijds partijen alleen maar kunnen terugschelden om kiezers te winnen. Partijen die de nuance willen bewaren dreigen in het mediageweld onzichtbaar te worden. Het draait om futiliteiten als satellietschotels, handjesschudden en een Kinderen voor Kinderen liedje.

Begrijp ons niet verkeerd. Het integratiedebat is niet één en al ellende. De mooiste ontdekking van het integratiedebat is de (her)ontdekking van het DNA van Nederland: de vrijheid van meningsuiting, het recht op zelfbeschikking, non-discriminatie, de gelijkheid van man en vrouw en de scheiding van kerk en staat. Dit is wat Nederland, Nederland maakt. Wij dragen de erfelijke informatie in dit DNA vol trots. Maar wat in het debat ontbreekt is een zelfbewust eigentijds verhaal dat aansluit bij onze werkelijkheid. De toepasselijke klassieker van hiphopformatie Public Enemy ‘don’t believe the hype’ is het integratiedebat op het lijf geschreven. Wij staan te springen en te dringen voor een volgende fase in het integratiedebat. Voorbij de H.Y.P.E.

De Volgende Fase

Volgens Paul Scheffer heb je als belangrijkste ingrediënt voor de volgende fase in het integratiedebat nodig:

‘…wat mensen als individu verbindt met anderen. Hoe ze zich ‘samen’ voelen met hun medemensen, ook met mensen uit een ander land of andere cultuur. Die zelf gekozen gevoelsband is veel sterker dan de abstracte notie van een volksgemeenschap die mensen opsluit binnen een door anderen opgelegde gemeenschap of collectiviteit.’

Precies die ‘zelfgekozen gevoelsband’ kenmerkt ons. Wij leggen verbindingen met elkaar dwars door alle barrières heen. Wij opereren niet langs etnische of religieuze lijnen, maar op basis van gedeelde interesses en idealen. Wij hangen in dezelfde scene, volgen dezelfde studie en dromen van dezelfde toekomst. Onze wiegjes schommelden van de kust van de Zwarte Zee tot aan Oud-Zuid, van de hoogtes van het Rifgebergte tot aan het Brabantse Cuijk. In toenemende mate zijn wij kinderen uit gemengde gezinnen. Kinderen die de aanwezigheid van culturele en religieuze verscheidenheid even vanzelfsprekend vinden als ademhalen. Een hoofddoek op stiletto’s. Sproeten met kroeshaar. Geen dubbele, maar een driedubbele nationaliteit.

Wij zijn klaar voor de volgende fase in het integratiedebat en vragen de politiek om ons te volgen.

De toekomst van Nederland ligt besloten in de vrijheid van onze generatie om een baas te zijn. Baas over ons eigen leven. In de volgende fase zijn wij vrij om de hoofddoek af te slingeren of strak om het hoofd te houden. Vrij om naar Suriname of Curaçao te reizen zonder onderworpen te worden aan een 100% controle. 100% vrij om kritiek te leveren op de multiculturele samenleving zonder voor xenofoob of racist uitgemaakt te worden. 100% vrij om xenofobie of racisme te bekritiseren zonder als politiek correct te worden afgeschilderd. Wij willen gevrijwaard zijn van politici die ons elke godganse dag aanspreken op wat we niet zijn en wat we wel zouden moeten doen. Wij weigeren witgewassen te worden tot culturele klonen van de prototype Nederlander zoals die er volgens politiek Den Haag uitziet: een brave burger die op woensdag gehakt eet met het Wilhelmus op de achtergrond heftig discussierend over Sinterklaas die ‘ons’ wordt afgenomen. En wij laten ons net zo min vastketenen in onze ‘eigen gemeenschap’ elke keer als Mohammed of Jermaine Opsporing Verzocht domineren.

Laten we het doemscenario in het integratiedebat nu inruilen voor een nieuw scenario. Een scenario waarin de ongekende potentie van onderwijs, werk, jeugdzorg, kunst, cultuur en sport op de voorgrond staat in plaats van in de aftiteling. Een scenario dat kwaliteit boven kijkcijfers plaatst. Een beeldend verhaal dat inspireert in plaats van frustreert. Wij hebben een begin gemaakt, maar kunnen alleen een succesverhaal van dit scenario maken als iedereen meedoet. De tijd is aangebroken om de politiek wakker te schudden. De tijd is aangebroken voor een volgende fase in het integratiedebat.

Wie doet er mee?

Tofik Dibi (Tweede Kamerlid GroenLinks)
Noortje Thijssen
Saydan Karaman
Joeri Wetters
Kimberly Hintz
Erdal Kiran
Siddeeqah Sharif
Alexander Rontgen
Sabra Dahhan

Het manifest kan hier ondertekend worden.

Koenders houdt pleidooi voor ‘Kapitalisme 3.0′

maandag, november 30th, 2009

Op het symposium (pdf) Verschuivende machtsverhoudingen in de wereld, georganiseerd door De Nederlandsche Bank, riep minister Koenders van Ontwikkelingssamenwerking de bank op de armste landen te helpen. ““Never waste a good crisis. Ontwikkelingslanden èn Nederland hebben belang bij veranderingen in het internationale financiële en monetaire systeem. Er kan harder worden gewerkt om te voorkomen dat ontwikkelingslanden gedwongen zijn grote hoeveelheden dollars in reserve te houden, ook door DNB,” zei Koenders in zijn speech.

Koenders pleit voor “nieuwe regels voor een nieuwe tijd” en roept DNB op hierin een rol te spelen. Koenders: “DNB zou bijvoorbeeld eens kritisch kunnen kijken naar zijn traditionele counterparts. De Bank for International Settlements (BIS) en de Financial Stability Board (FSB) zijn nu nog exclusieve clubs. Alleen de Afrikaanse landen Algerije en Zuid-Afrika zijn aangesloten bij de BIS, terwijl het FSB-lidmaatschap grotendeels overeenkomt met het lidmaatschap van de G20. Toch worden in die clubs beslissingen genomen, denk bijvoorbeeld aan de Bazelse akkoorden, waar ontwikkelingslanden vroeg of laat mee te maken krijgen. Ik begrijp dat discussies over lidmaatschap lang kunnen duren en soms ook gevoelig liggen. Maar we kunnen er nu al voor zorgen dat de belangen van ontwikkelingslanden worden meegewogen. En dat beslissingen niet indruisen tegen de doelstellingen van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid, want we zijn geen gekke Henkie.”

Tegelijk hield de minister een pleidooi voor ‘Kapitalisme 3.0′. “Ik pleit met Dani Rodrik voor een ‘Kapitalisme 3.0’, voor een betere balans tussen overheid en markt. Daar is wel een level playing field voor nodig. Ontwikkelingslanden moeten zichzelf – meer dan nu – gaan beschouwen als belangrijke spelers met verantwoordelijkheden en belangen in het internationale financiële systeem. Maar daar moet dan wel policy space tegenover staan. Nu hebben ontwikkelingslanden niet de beleidsvrijheid die rijkere naties wel hebben – denk bijvoorbeeld aan de omvangrijke steun aan de financiële sector, De Nederlandsche Bank weet er alles van. Dat maakt het voor deze landen buitengewoon moeilijk om adequaat – dat willen zeggen: anticyclisch – op deze crisis te reageren.”

Dames en heren,

Ik werd in 1978 actief in de politiek. De wereld zag er toen heel anders uit dan nu. De macht was verdeeld tussen Oost en West, tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. Ik hield me bezig met regels voor wapenbeheersing en risico’s van Mutually Assured Destruction.  Maar in 1989 – dit jaar alweer twintig jaar geleden – viel De Muur, waarna al snel de totale ineenstorting van het Sovjet-rijk volgde. De illusie van autarkische planning was voorbij, Amerika bleef als supermacht alleen over. Neoliberalisme en – soms – marktfundamentalisme kregen de wind in de zeilen.

Weer twintig jaar later, vandaag, komt ook aan die werkelijkheid langzaam maar zeker een einde. Een land als China eist zijn rol op het wereldtoneel steeds nadrukkelijker op, terwijl de krachten uit Amerika beginnen weg te vloeien. En er is – net als in de jaren zeventig – weer een debat over de verhouding tussen markt en staat, over de tekortkomingen van internationale instellingen, over transparantie en echte verantwoording, ja, zelfs weer over verdelingsvraagstukken in een ongelijke wereld. Intellectuele diversiteit is nu broodnodig, ook over het rationele gedrag van de marktpartijen en de omvang van de financiele sector.

Zo veel aardverschuivingen in zo korte tijd: het is bijna niet bij te houden. Maar ik zal wel moeten, ú zult wel moeten. Want ook binnen de internationale financiële instellingen worden de kaarten opnieuw geschud, ten gunste van opkomende economieën. Met andere woorden: er ontstaan nieuwe regels voor een nieuwe tijd.

Ik weet dat deze ontwikkeling in het Westen, in Nederland, in deze zaal met de nodige argwaan wordt begroet. Maar mijn stelling is: Nederland wordt er alleen maar beter van. Mits we niet Gekke Henkie spelen. En mits we ook de armste landen een plek aan de onderhandelingstafels gunnen. Want legitimiteit en effectiviteit hangen meer dan ooit met elkaar samen. Die twee dingen op een goede en efficiënte manier met elkaar verbinden: dat is de uitdaging van onze tijd.

Dames en heren, het faillissement van Lehman Brothers markeert het begin van de financieel-economische crisis. Dat faillissement werd nu ruim een jaar geleden uitgesproken. Eén ding heeft de crisis het afgelopen jaar in elk geval opgeleverd: het multilaterisme is springlevend. Mede dankzij de maatregelen die de G20-landen hebben genomen, kondigt het economisch herstel zich aan. Dat was met de G7 nooit gelukt: daarvoor is die club niet representatief en daarom niet legitiem genoeg.

Maar er zijn meer voorbeelden.

Door de crisis is de hervorming van de Wereldbank en het IMF in een stroomversnelling geraakt.

Door de crisis is het Financial Stability Forum omgevormd tot de Financial Stability Board, waar nu in elk geval alle G20-landen vertegenwoordigd zijn.

Door de crisis staat het toezicht op financiële instellingen in de EU-lidstaten hoog op de agenda. Tijdens de Ecofin van volgende maand proberen de lidstaten een akkoord te bereiken over de oprichting van drie Europese toezichthouders: een voor de banken, een voor de beurzen en een voor de pensioenfondsen. Het kabinet steunt de oprichting en wil de toezichthouders ruime bevoegdheden geven.

Nieuwe regels voor een nieuwe tijd, ik zei het al. Daar horen principes bij. Ik ben een voorstander van zelfregulering, maar in tijden van externalities is zelfregulering niet genoeg.

Dames en heren, mijn motto is: ‘Never waste a good crisis.’ Het lijkt erop dat deze crisis inderdaad wordt aangegrepen om internationale problemen op te lossen. Helaas, dat is maar een beetje waar. Alle hoopvolle geluiden ten spijt, blijven fundamentele problemen bestaan. Natuurlijk, in de Verenigde Staten wordt meer gespaard en in China meer geïnvesteerd. Maar de Amerikaanse tekorten blijven groot. De dollar als wereldwijde reservemunt speelt daarin een rol. De Belgische econoom Robert Triffin zag het dilemma al in 1960: om wereldwijd voldoende groei en liquiditeit mogelijk te maken, moeten de Verenigde Staten grote tekorten creëren. Maar op termijn ondermijnt dit het vertrouwen in de dollar, terwijl de instabiliteit in de wereld toeneemt.

Er zijn meer fundamentele problemen. Een ongelijke wereld, om eens iets te noemen. In Amerika is het reële inkomen van de lagere middenklasse afgelopen decennia nauwelijks gegroeid. Om deze groep toch meer te laten consumeren, is er – geholpen door de lage rente – een gigantische kredietbel geblazen. Tegelijk moest een aantal ontwikkelingslanden bij wijze van verzekering grote hoeveelheden dollars in reserve houden. Dat is een goed middel tegen de crisis, maar de nadelen zijn groter dan de voordelen. Ik noem de drie belangrijkste nadelen. Eén: er vloeit een perverse geldstroom van ontwikkelingslanden naar Amerikaanse consumenten. Twee: ontwikkelingslanden kunnen grote sommen geld niet inzetten voor hun eigen economie. Drie: internationale onevenwichtigheden blijven hierdoor intact.

En dan heb ik het nog niet gehad over mijn grootste zorg. De financiële en economische crisis dreigt de politieke aandacht af te leiden van de klimaatcrisis en de voedselcrisis. Dat kunnen we ons niet permitteren. En dat hoeft ook niet. Effectieve middelen om de economische crisis te bestrijden, zijn ook effectief op het gebied van klimaat en voedsel. Een stabiele economische ordening staat niet los van een duurzamere wereld. Het evenwicht daartussen moet worden hersteld. Alleen gekoppeld aan lange-termijndoelen als internationale duurzaamheid, voedselzekerheid en publiek-private samenwerking zijn korte-termijnmaatregelen effectief. Tot mijn ergernis lijkt de internationale gemeenschap een keuze te maken tussen de strijd tegen armoede enerzijds, en het aanpakken van klimaatverandering en het voedselprobleem anderzijds. Penny wise, pound foolish. Neem klimaatbeheersing. De extra kosten daarvan, ongeveer 0,1 procent van het BBP van geïndustrialiseerde landen, vallen in het niet bij de schade die onbeteugelde klimaatverandering teweegbrengt. Als we niet ingrijpen, kost dat uiteindelijk 5 tot 20 procent van het mondiale BBP.

Alle moderne uitdagingen vergen vooral mondiale samenwerking. Helaas zijn de bestaande structuren nog niet aangepast aan de veranderde machtsverhoudingen in de wereld. Dat moet nu echt snel beter, vooral binnen de internationale financiële instellingen.

Maar heeft het ‘multilaterale moment’ daarvoor wel voldoende kracht? Er bestaat natuurlijk spanning tussen nationaal toezicht en de internationalisering van de financiële sector. Juist in tijden van crisis komen landen in de verleiding terug te vallen op – bijvoorbeeld – protectionisme. Maar deze crisis heeft ook aangetoond dat nationale arrangementen nodig zijn om problemen effectief aan te pakken.

Balanceren op het slappe koord tussen protectionisme en nationale beleidsvrijheid: hoe doe je dat? Ik pleit met Dani Rodrik voor een ‘Kapitalisme 3.0’, voor een betere balans tussen overheid en markt. Daar is wel een level playing field voor nodig. Ontwikkelingslanden moeten zichzelf – meer dan nu – gaan beschouwen als belangrijke spelers met verantwoordelijkheden en belangen in het internationale financiële systeem. Maar daar moet dan wel policy space tegenover staan. Nu hebben ontwikkelingslanden niet de beleidsvrijheid die rijkere naties wel hebben – denk bijvoorbeeld aan de omvangrijke steun aan de financiële sector, De Nederlandsche Bank weet er alles van. Dat maakt het voor deze landen buitengewoon moeilijk om adequaat – dat willen zeggen: anticyclisch – op deze crisis te reageren.

Beleidsvrijheid klinkt goed, maar er zit een gemene adder onder het gras: beleidsruimte betekent ook meer potentiële conflicten tussen landen. Om die conflicten in de kiem te smoren zijn internationale ‘verkeersregels’ nodig. Ik zei het eerder: nieuwe regels voor een nieuwe tijd.

Maar wie gaat die regels stellen?

In het verleden hielden organisaties als WTO, IMF en Wereldbank de ontwikkelingslanden in een stevige greep. Die machtspositie was gebaseerd op economische principes uit de Verenigde Staten. Nu het Amerikaanse model kwetsbaar blijkt, is ook de intellectuele geloofwaardigheid van die regels aan erosie onderhevig. Dat heeft de positie van de Verenigde Staten als internationale scheidsrechter geen goed gedaan. Voor sommige ontwikkelingslanden lijkt China een geloofwaardiger arbiter.

Volgens De Chinese geleerde Yan Xuetong gaat China de Verenigde Staten op economisch terrein tussen 2020 en 2030 voorbijstreven, en in dezelfde periode militair even sterk worden. Maar wil China zich ook internationaal manifesteren? Vooralsnog lijkt China niet veel te voelen voor een rol als wereldleider naast de Verenigde Staten. Het is daarom van het grootste belang dat we – met het oog op de economische stabiliteit – haast maken met de hervormingen van de internationale financiële instituties. Een multipolaire wereld werkt op basis van internationale politieke verhoudingen – daarom hoefde het Triffin-dilemma tijdens de Koude Oorlog ook niet opgelost te worden. De G2,  Amerika en China, moeten in een groter geheel van internationale politieke en financiële arrangementen ingebed raken.

Dames en heren, ik zie twee grote risico’s voor duurzaam economisch herstel. Eén: een verkeerde timing van de ‘exitstrategie’. Een te vroege exit kan ervoor zorgen dat de economie terugvalt en in ‘W’ terechtkomt, een te late exit vergroot de kans op oververhitting en onhoudbare schulden. Twee: een terugkeer naar business as usual, inclusief onhoudbare praktijken in de financiële sector en onvoldoende investeringen in global public goods. Met als gevolg dat we wéér in een crisis terecht kunnen komen.

Meer dan tien jaar geleden, ten tijde van de Azië-crisis, was er al veel discussie over de noodzaak tot hervorming. Sommige Aziatische landen waren zeer kritisch over de rol van bijvoorbeeld het IMF. Er is sindsdien weinig – te weinig – gebeurd. Zowel in opkomende economieën als ontwikkelingslanden worden de Bretton Woods-instellingen nog altijd gezien als Westerse instellingen. Dat is volkomen begrijpelijk. Een voorbeeld: in het IMF, dat 185 lidstaten telt, hebben de Verenigde Staten bijna 17 procent van het stemrecht in handen, de gezamenlijke EU-landen 32 procent. Grote groeiers als China en India moeten het samen doen met slechts 5,5 procent van het stemrecht.

De BRIC-landen, en dan vooral China en India, doorstaan de crisis relatief goed. Dat wordt duidelijk bij internationale discussies over klimaat, handel en monetaire zaken – zoals de rol van de dollar. De BRIC’s eisen hervormingen. En terecht. Niet alleen namen bestaande instituties geen adequate maatregelen die deze crisis hadden kunnen voorkomen, sommige organisaties deden zelfs dingen die de crisis –blijkt achteraf – alleen maar erger maakten. Zonder hervormingen is het garanderen van financiële stabiliteit in de toekomst domweg onmogelijk.

Maar voor stabiliteit is óók een grotere invloed van de armste landen nodig. Als zij hun belangen beter vertegenwoordigd zien, zal hun vertrouwen in de financiële instellingen toenemen. Dat is in het belang van Nederland, met zijn open economie. Laten we niet vergeten dat de Afrikaanse landen voor de crisis sterk groeiden. Dat groeipotentieel is nog steeds aanwezig en handelsnatie Nederland kan daarvan profiteren. Net als het afgelopen jaren heeft geprofiteerd van de groei in de BRIC-landen.

Maar het is niet alleen eigenbelang dat mij drijft. Een paar weken geleden maakte het Wereldvoedselprogramma van de VN bekend dat – mede als gevolg van de crisis – dit jaar ruim een miljard mensen ondervoed zijn. Dat zijn er 100 miljoen meer dan vorig jaar en is het hoogste aantal sinds 4 decennia! Tegelijk zijn de bonussen van de internationale bankwereld – ondanks de crisis – dit jaar hoger dan de totale ontwikkelingssamenwerking in de wereld. Ik vind dat een gotspe.

In mei was ik in Mozambique. De financiële sector daar is nauwelijks geraakt door de kredietcrisis, maar de reële economie wordt hard getroffen door de grote dalingen van het exportvolume en de grondstoffenprijzen. De lopende rekening vertoonde al vóór de crisis een tekort, maar zal in 2009 met nog eens 200 miljoen dollar afnemen. Door de crisis loopt de Mozambikaanse overheid ongeveer 100 miljoen dollar aan belastinginkomsten mis. Het land moet bovendien rekening houden met een daling van de hulp in 2010: veel donoren hebben als gevolg van de crisis moeite om hun budget voor ontwikkelingssamenwerking op peil te houden. Deze cijfers zijn op zichzelf al reden tot ongerustheid. Maar ze dringen pas echt tot je door als je inzoomt op mensen. Doordat de aluminiumexport begin dit jaar met bijna de helft is teruggelopen, raken veel mijnwerkers hun baan kwijt. Door fouten in het Westen staan Mozambikanen op straat. Dat is een perverse situatie, die zich niet beperkt tot Mozambique: de crisis is een bijna-dood-ervaring voor een groot aantal arme landen.

Steevast luidt de kritiek op ontwikkelingssamenwerking dat de landen die zich uit de armoede hebben onttrokken, dat hebben gedaan door economische groei en niet door ontwikkelingshulp. Er wordt dan gewezen naar China, naar Zuid-Korea, naar India. Stuk voor stuk landen die de afgelopen jaren enorm hebben geprofiteerd van aansluiting bij de wereldeconomie. Dat ging niet vanzelf. Deze landen hebben een eigen beleid gevoerd en kunnen voeren om hun eigen industrie te ontwikkelen. Zij hebben enorm geïnvesteerd in de landbouw, zoals India met zijn succesvolle groene revolutie. Zij hebben, zoals China, buitenlandse investeerders aangemoedigd en geselecteerd op die terreinen die bijdragen aan groei. Zij hebben miljoenen ingezet op scholing van de beroepsbevolking. Dat gaf hun bestuur een hogere mate van legitimiteit en zorgde voor politieke ontwikkeling. Als aanjager speelde ontwikkelingssamenwerking daarbij in landen als Zuid-Korea, India en Indonesië een belangrijke rol.

Meer dan een miljard mensen krijgen op dit moment niet deze ruimte voor eigen economische ontwikkeling. Zij zijn uitgesloten van de voordelen van globalisering. Zij zitten gevangen in een armoedespiraal omdat de voorwaarden voor hun ontwikkeling ontbreken. Wat zijn die voorwaarden? Een redelijk stabiele overheid met een goed sociaal contract, zoals we dat vroeger zouden zeggen, maar eigenlijk nu ook nog goed past. Ruimte, internationaal, om goed beleid te kunnen voeren. Kennis van zaken. Een basisinfrastructuur van wegen om de markt te bereiken, van energie om te kunnen produceren. De mogelijkheid voor vrouwen om eigen inkomsten te kunnen verwerven, omdat bewezen is dat dit waar dan ook ter wereld zorgt voor meer groei en minder armoede.

Daar is mijn beleid dan ook op gericht. Ik noem u twee concrete initiatieven. Eén: het Health Insurance Fund. Voor een gezonde economie zijn gezonde mensen nodig, maar jaarlijks vallen 150 miljoen mensen door ziekte en ziektekosten terug onder armoedegrens. Nederland steunt een systeem om private ziektekostenverzekeringen in landen als Nigeria en Tanzania van de grond te krijgen. Twee: het Initiatief Duurzame Handel. Samen met maatschappelijke organisaties zijn al tientallen Nederlandse bedrijven en multinationals bezig de lange exportketen van producten als cacao, hout en soja duurzamer te maken. Ontwikkelingsamenwerking faciliteert dat.

Dames en heren, ik ga afronden. De sociologie kent het begrip moderniseringsverliezers: burgers die niet profiteren van de globalisering. Nederland kent vooral winnaars, maar ook hier zijn moderniseringsverliezers. Door globalisering, door technische ontwikkelingen. Die verliezers verdienen veel meer aandacht. Krijgen ze die aandacht niet, dan verzandt Nederland in populisme en dreigt een verdere provincialisering. Dat is desastreus voor een open land als Nederland.

Zo mogen we ook de moderniseringsverliezers onder de ontwikkelingslanden niet aan hun lot overlaten. Al was het maar omdat de wereld een dorp is geworden. Of we het nu leuk vinden of niet, het wel en wee in onze wijk wordt deels bepaald door wat er zich in de andere wijken afspeelt. Piraterij, armoede, vluchtelingenstromen, de dreiging van terreur: Somalië, Oost-Congo en Afghanistan zijn dichterbij dan een blik op de kaart doet vermoeden.

De Nederlandsche Bank kan helpen! DNB zou bijvoorbeeld eens kritisch kunnen kijken naar zijn traditionele counterparts. De Bank for International Settlements (BIS) en het Financial Stability Board (FSB) zijn nu nog exclusieve clubs. Alleen de Afrikaanse landen Algerije en Zuid-Afrika zijn aangesloten bij de BIS, terwijl het FSB-lidmaatschap grotendeels overeenkomt met het lidmaatschap van de G20. Toch worden in die clubs beslissingen genomen, denk bijvoorbeeld aan de Bazelakkoorden, waar ontwikkelingslanden vroeg of laat mee te maken krijgen. Ik begrijp dat discussies over lidmaatschap lang kunnen duren en soms ook gevoelig liggen. Maar we kunnen er nu al voor zorgen dat de belangen van ontwikkelingslanden worden meegewogen. En dat beslissingen niet indruisen tegen de doelstellingen van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Om met Ruud Lubbers te spreken: ik denk graag mee over de positie van DNB in FSB en BIS.

Er kan bovendien harder worden gewerkt om te voorkomen dat ontwikkelingslanden gedwongen zijn grote hoeveelheden dollars in reserve te houden, ook door DNB. Een meer evenwichtige verdeling van de rol van reservevaluta is noodzakelijk – we moeten de dollar in zekere zin ontlasten. De toewijzing van SDR’s die dit jaar heeft plaatsgevonden, zou achteraf wel eens de eerste stap kunnen betekenen richting een evenwichtiger wereldeconomie. Ik weet dat dit voor een belangrijk deel bepaald door de politieke opstelling van spelers die reserves opbouwen. Maar wij hebben er alle belang bij.

Uiteindelijk bepaalt de markt natuurlijk welke munt of munten een reservefunctie krijgen. Maar overheden kunnen daarop wel degelijk invloed uitoefenen. Sommige landen, zoals China, zijn belangrijke spelers op de valutamarkt. Er wordt door private partijen naar hun gedrag gekeken. Bovendien kunnen overheden de markt prikkelen om langzaam over te stappen op het gebruik van meerdere munten, of op een mandje als de SDR. Ik ben benieuwd of het IMF met nieuwe voorstellen gaat komen, en welke positie De Nederlandsche Bank dan inneemt.

Dames en heren, ik wil eindigen met een citaat uit The Post-American World van Fareed Zakaria. ‘The search for a superpower solution to every problem may be futile and unnecessary.’ Het is ook mijn overtuiging dat vooral internationale samenwerking de sleutel is tot een betere wereld. De wereld heeft daarin sinds 1978 grote vooruitgang geboekt, deze crisis mag ons niet terugwerpen. Daarom wil ik samen met u werken aan nieuwe regels voor een nieuwe tijd.

Dank u wel.

Overheid, doelgroepen en islam

donderdag, november 26th, 2009

Hoogopgeleide allochtone werknemers voelen zich niet thuis bij de overheid. Dat concludeert onderzoeker en hoogleraar Karen van Oudenhoven-Van der Zee werkzaam aan de Rijks Universiteit Groningen. Ze vroeg zich af waarom hoogopgeleide niet-westerse allochtonen liever voor het bedrijfsleven werken dan voor de overheid. Conclusie: “Het doelgroepenbeleid (voorheen positieve discriminatie genoemd) werk averechts en leidt tot conflicten en een onprettige sfeer op de werkvloer,” zegt Van Oudenhoven in Trouw. “Daardoor vertrekt de hoogopgeleide niet-westerse allochtoon al snel. Die werkt liever in het bedrijfsleven, waar geen diversiteitsquota gelden en waar puur naar kwaliteit wordt gekeken.”

Volgens de onderzoeker is bij de overheid etnische diversiteit maatschappelijk gewenst, terwijl het in het bedrijfsleven als een aanwinst wordt gezien. “Daar waar de overheid een gesloten, homogene werkgever is, is het bedrijfsleven minder rigide en staat open voor nieuwe, originele ideeën.” Van Oudenhoven verdedigt wel de gedachte achter het doelgroepenbeleid, maar heeft kritiek op de aanpak. De overheid zou moeten zeggen: we kunnen als overheid beter functioneren als we een diversiteitsbeleid hebben waar iedereen kwalitatief tot zijn recht komt, in plaats van quota’s na te streven.

Thijl Sunier, kersvers hoogleraar Islam in Europa (pdf) aan de VU in Amsterdam, stelt dat islamonderzoek te vaak in dienst van overheidsbeleid is. “Islamonderzoekers in Europa vertrekken te vaak vanuit het integratiebeleid van regeringen. Uitgangspunt zou echter moeten zijn dat de meeste moslims geen migranten meer zijn, maar integraal onderdeel uitmaken van de Europese samenlevingen en geïntegreerd zijn,” zegt Sunier op Wereldjournalisten. “Die eenzijdige benadering leidt tot eenzijdig onderzoek gericht op radicalisering en criminaliteit.”

Het islamonderzoek kan beter en wel specifiek op de volgende 3 gebieden, zegt Sunnier.
Ten eerste moet het onderzoek naar de islambeleving onder jongeren zich niet beperken tot radicalisering en aanpassingsproblemen, maar alle vormen van religiositeit in het onderzoek betrekken. Immers de meeste jongeren zijn geboren en getogen in Europa. Dit moet het vertrekpunt zijn voor onderzoek naar hun islambeleving.
Ten tweede moet het onderzoek naar het dagelijkse leven in wijken en de manier waarop moslims hun geloof inpassen in dat leven veel meer aandacht krijgen. Oude wijken staan vaak synoniem voor vergaarbakken van problemen. Dat levert een sterk vertekend beeld op van de realiteit.
Ten derde moet er onderzoek gedaan worden naar islamitisch leiderschap. Aan de ene kant wordt aan islamitische leiders en geestelijken een enorme invloed op moslims toegeschreven en worden ze ingezet om een keur aan problemen op te lossen. Aan de andere kant worden hun activiteiten en denkbeelden juist met argusogen bekeken en probeert men hun invloed in te dammen. Systematisch onderzoek naar islamitisch leiderschap levert een genuanceerder beeld op en geeft inzicht in de relatie tussen leiderschap en gewone moslims.

Kopenhagen 25: Geen akkoord in Kopenhagen, maar is dat erg?

dinsdag, november 17th, 2009

“Een akkoord, twee stappen”. Dat is nu het motto van de Klimaattop in Kopenhagen. De belangrijkste politieke leiders zijn het erover eens dat een alomvattend en gedetailleerd akkoord begin december niet mogelijk is in de Deense hoofdstad. Klimaatactivisten reageren teleurgesteld. Was Kopenhagen niet de laatste kans voor de aarde om het onheil af te wenden? Toch komen er vanuit de milieuactivistische wereld geluiden die zeggen dat het helemaal niet zo erg is.

David Roberts, redacteur van Grist, schrijft in zijn laatste bijdrage dat uitstel van een klimaatverdrag erger lijkt dan het in werkelijkheid is. Hij geeft daarvoor drie redenen. Ten eerste is er nu meer tijd voor de Amerikaanse senatoren om met een goed doordacht klimaatwetvoorstel te komen. Ten tweede kan er nu langer internationale druk op de Verenigde Staten worden uitgeoefend om toch met een echt goed voorstel te komen. Volgens Roberts voeren landen als Frankrijk en Brazilië de druk al op. Kan de regering Obama achetrblijven bij de rest van de wereld? Het lijkt erop dat president Obama dit inziet en nu ook inzet op het ‘een akkoord, twee stappen’-principe. Ten derde kan een akkoord, zonder de druk die er staat op de politici, beter ingevuld worden. Lastige kwesties kunnen gedetailleerder worden uitgewerkt, politieke en financiële hobbels netter gladgestreken.

Kortom, het twee-stappen akkoord behoed Kopenhagen voor een ramp en geeft de onderhandelaars en regeringsleiders meer adem om een echt goed akkoord in elkaar te zetten, aldus Roberts.