Op 10 maart deed de Hoge Raad uitspraak in een zaak die de “grens van de zaak-Wilders bepaald”, zoals de Volkskrant schrijft. Het hoogste gerechtscollege van Nederland zegt in haar uitspraak dat een beledigende en/of discriminerende uitlating “onmiskenbaar moet gaan over een bepaalde groep mensen die zich door hun godsdienst onderscheiden van anderen”. De rechters van het college zeggen daarmee dat wie een godsdienst beledigt, daarmee niet automatisch de aanhangers van die religie beledigt.
De Hoge Raad deed deze uitspraak – met verwijzing naar de zaak-Wilders – in een zaak over de veroordeling van een man die in 2004 een poster voor zijn raam had gehangen met de tekst: ‘Stop het gezwel dat islam heet’. De rechtbank en het gerechtshof in Den Bosch hadden de man veroordeeld op grond van onnodig grievend ten aanzien van islamitische gelovigen. De Hoge Raad stelt dat dit een te ruime uitleg is van artikel 137c: “Dit artikel stelt niet strafbaar het zich beledigend uitlaten over een godsdienst, ook niet als dat gebeurt op zo’n manier dat de aanhangers van die godsdienst daardoor in hun godsdienstige gevoelens worden gekrenkt”.
De beslissing van het hof in Amsterdam om Geert Wilders te gaan vervolgen en de uitspraak van de Hoge Raad gaan over de vrijheid van meningsuiting en de eventuele grenzen van dit grondrecht. Sinds Pim Fortuyn en Geert Wilders houdt deze kwestie de gemoederen bezig. In De Groene Amsterdammer van 6 maart jl. buigt emeritus hoogleraar informatierecht Egbert Dommering zich over de grenzen aan de vrijheid van meningsuiting. Dommering stelt dat de westerse samenleving in verwarring zijn. Enerzijds is de westerse wereld kosmopolitisch en geseculariseerd, waarin wereldburgers zich met gemak bewegen tussen mondaine metropolen en moderne levensvormen, en anderzijds een tegenbeweging van mensen die zich afkeren van deze ‘snelle’ wereld, en kiezen voor het lokale en terugkeer naar het eigen nationale nest. Dat is zichtbaar bij autochtone Nederlanders én migranten uit islamitische landen. Beide groepen worstelen met hetzelfde identiteitsprobleem: “een verlangen naar de eigen cultuur, taal en geografie”, schrijft Dommering.
Hij vindt dat de discussie over integratie zich “heeft vastgebeten in de culturele factor”. Ook in deze discussieverwarring: gaat het nu om integratie of om assimilatie?
Om de verwarring nog groter te maken, constateert Dommering vervolgens dat er binnen de ‘liberale intellectuele voorhoede’ de mythe is ontstaan dat een onderdeel van de vrijheid van meningsuiting ‘het recht om te beledigen, of ‘het recht om te kwetsen’ is. Opmerkelijk genoeg loopt de discussie in Nederland hierin uit de pas met die in andere westerse landen. Juist in de Verenigde Staten (het lichtbaken van de liberale voorhoede, schrijft Dommering) is veel gediscussieerd over de ondergrens van de vrijheid van meningsuiting. Verdedigers van de absolute vrijheid van meningsuiting beroepen zich op het Amerikaanse recht, maar in Europa heeft men voor een andere weg gekozen, aldus Dommering. Het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens en het VN-verdrag tot uitbanning van alle vormen van discriminatie en rassenhaat (dat door de VS niet is geratificeerd) zijn hiervoor de richtingwijzers. Een sterke bescherming van het debat over zaken van openbaar belang staat centraal. Voor het Europese hof, die voor de vrijheid van meningsuiting een grens heeft getrokken tussen politieke retoriek die ‘vrij’ is en het gebruik van beledigende termen zonder grond, is de ondergrens het aanzetten tot haat en geweld. Religieuze opvattingen vallen onder de vrijheid van meningsuiting, maar godsdienstkritiek kan zich beroepen op diezelfde vrijheid.
Volgens Dommering zegt het Europees Hof dat een staat negatieve en positieve verplichtingen heeft. In het geval van het ‘migrantendebat’ is een positieve verplichting dat “extremistische en mogelijk haatzaaiende politici of groeperingen inhoudelijk worden tegengesproken“. En hier wringt de schoen, stelt Dommering. Want politici zijn bang om politiek-inhoudelijk kritiek te uiten op extremisme uit angst voor het weglopen van kiezers. Daarom wordt steeds meer de rechter ingezet om een oordeel te vellen. “Juist omdat de politiek niets doet, moet de rechter het karwei opknappen”, schrijft Dommering. Het Amsterdamse hof heeft met zijn besluit om tot vervolging van Wilders over te gaan juist de benedengrens van de vrijheid van meningsuiting proberen te markeren, aldus de emeritus hoogleraar.
Drie weken eerder hielden Dick Pels en August Hans den Boef in De Groene Amsterdammer een pleidooi om nu “eindelijk eens op te houden met de demonisering van het fascisme”. Te pas en te onpas wordt het F-woord gehanteerd: als vloek, scheldwoord en dooddoener. Door links én door rechts. Een zakelijke historische vergelijking tussen de diverse genocides die de wereld heeft gekend is nog steeds taboe, stellen de auteurs. Hun kritiek richt zich specifiek op auteur en publicist Joost Zwagerman. Hij hanteert volgens Pels en Den Boef een “alles-of-niets logica” en ziet niet dat genuanceerde en gematigde moslims, zoals Ahmed Aboutaleb en Ahmed Marcouch “het slachtofferschap ver voorbij zijn”.
De auteurs stellen dat provocateurs in het publieke debat nodig zijn “om de grenzen van het denkbare en zegbare te kunnen verleggen”. Maar “die zuiverende agressie wordt echter meestal ingekleed als het ‘zeggen van de waarheid’(die zij immers in pacht menen te hebben)”. Daarmee zijn zij te vergelijken met bijvoorbeeld religieuze fundamentalisten, die ook menen de waarheid in pacht te hebben.
Daarmee komen de auteurs bij de kern van hun betoog, namelijk dat volgens hen de vrijheid van meningsuiting in onze grondwet te beperkt is geformuleerd. Daadwerkelijke bedreiging of ophitsing tot geweld zijn uitgesloten, maar verder moet iedereen vrijuit kunnen spreken. “Tolerantie betekent niet dat we elkaar moeten respecteren, maar dat we de afwezigheid van respect zo goed mogelijk moeten zien uit te houden.” Vrijheid van meningsuiting houdt volgens de auteurs in dat “weerzinwekkende, ondemocratische en discriminerende ideeën” geuit moeten kunnen worden – zonder dat ze met het F-woord worden gedemoniseerd – maar ook dat er de vrijheid is (zelfs de plicht, volgens Pels en Den Boef) om die ideeën als zodanig te benoemen.