Biobrandstoffen zijn geen duurzaam alternatief voor fossiele brandstoffen. Dat concludeert Lucas Reijnders naar aanleiding van recent onderzoek van het Instituut voor Biodiversiteit en Ecosysteem Dynamica (IBED) van de Universiteit van Amsterdam. Daarin werd de hele keten, van de invloed op de lokale biodiversiteit tot aan de uitstoot van CO2, bekeken.
Met zijn collega-onderzoekers heeft Reijnders gekeken naar de omvorming van verschillende typen land in Indonesië en Maleisië naar oliepalmplantages ten behoeve van de productie van biobrandstoffen. Ze richtten zich hierbij specifiek op de impact op de lokale biodiversiteit en op de mate waarin het veranderde landgebruik leidt tot een netto opslag of juist uitstoot van het broeikasgas CO2.
Reijnders: ‘In het onderzoeksgebied in Zuid-Oost Azië wordt voor de productie van biobrandstof meestal bestaand tropisch regenwoud omgevormd tot oliepalmplantage. Dit heeft een enorm verlies aan biodiversiteit tot gevolg, waarbij zeldzame, specialistische soorten plaats maken voor veelvoorkomende planten en dieren.
Daarnaast komt er zoveel CO2 vrij bij de omzetting van regenwoud naar oliepalmplantages, dat het bijna een eeuw duurt voordat het gebruik van de geproduceerde biobrandstoffen tot een netto reductie in CO2 uitstoot leidt t.o.v. het gebruik van conventionele brandstoffen.’
Ook Louise Fresco, hoogleraar aan de UvA op het gebied van de grondslagen van duurzame ontwikkeling in internationaal perspectief, onderschrijft de conclusie dat omzetten van tropisch regenwoud naar plantage voor de productie van biobrandstof altijd een slecht idee is. Ze geeft aan dat de beperkte netto reductie in CO2-uitstoot die je daarmee bereikt nooit opweegt tegen het verlies in unieke en onvervangbare soortenrijkdom.
Fresco: ‘Voor de productie van biobrandstoffen is land nodig om de planten waaruit de biobrandstof gewonnen wordt te verbouwen. Het liefst vruchtbaar land waarop de opbrengsten zo hoog mogelijk zijn. Vanwege zijn vruchtbaarheid, is dat soort land echter meestal al in gebruik als landbouwgrond voor de teelt van voedselgewassen. Of het is onderdeel van waardevolle natuurlijke ecosystemen zoals tropisch regenwoud. Hierdoor is er een groot risico dat de productie van biobrandstoffen ten koste van voedselproductie en/of de natuur gaat als er geen strikt en samenhangend beleid wordt gevoerd op het gebied van energie, landbouw en milieu.’
Reijnders noch Fresco zien biobrandstof als de allesomvattende duurzame energiebron voor mobiliteit.
Volgens Reijnders duurt het minstens een aantal decennia tot een eeuw om een duurzame productie van biobrandstoffen te ontwikkelen op de schaal die nodig is om het gebruik van fossiele brandstoffen significant te verminderen. Als zoiets überhaupt al mogelijk blijkt te zijn. Hij trekt daarom een vrij sombere conclusie over het grootschalige gebruik van biobrandstof: ‘De huidige ontwikkelingen in de auto-industrie op het gebied van alternatieve energiebronnen zoals elektriciteit en waterstof gaan razend snel. Ik verwacht daarom dat binnen het tijdsbestek nodig om een duurzame productie van biobrandstof te ontwikkeld, de vraag ernaar vanuit het wegtransport inmiddels al zal zijn verdwenen. Ik vraag me daarom serieus af of het concept van biobrandstof als duurzame energiebron eigenlijk niet al achterhaald is.’
Naast de discussie over grootschalig gebruik van biobrandstoffen als duurzame energiebron, zien zowel Reijnders als Fresco wel degelijk mogelijkheden voor gerichte, kleinschalige productie en gebruik van biobrandstoffen. Fresco: ‘Je ziet bijvoorbeeld dat kleinschalige productie en gebruik van biobrandstoffen in ontwikkelingslanden als Tanzania en Mali dergelijke landen minder afhankelijk maakt van dure import van fossiele brandstoffen. De middelen die daarmee uitgespaard worden, kunnen vervolgens gebruikt worden voor ontwikkeling en armoedebestrijding.’
Ook de Engelse hulporganisatie ChristianAid is kritisch over de ontwikkeling van biobrandstof. De organisatie meldt in haar rapport Growing Pains: the possibilities and problems of biofuels zegt dat de produktie armoede vergroot, mensenrechtenschendingen doet toenemen en het milieu schaadt. “Het is te simple om te praten over ‘goede’ en ‘slechte’ biobrandstoffen,” aldus Christian Aid. “Het probleem is niet het gewas, maar het beleid er om heen.” Westerse landen subsidiëren industrieën die op grote schaal gewassen in ontwikkelingslanden laten verbouwen, waardoor armoede, milieuschade en rechteloosheid toeneemt.
Bron: Duurzaam Nieuws