Archief voor november, 2009

Tofik Dibi: Integratiedebat is zeau 2001..!

maandag, november 30th, 2009

Het integratiedebat is een bodemloze put, vindt Tofik Dibi. Dibi zit in de Tweede Kamer voor GroenLinks. “Het debat over de multiculturele samenleving leek aan het begin van deze eeuw nog veelbelovend. Maar wat eens een verademing leek, is omgeslagen in een diepe verzuchting. Dat debat gaat niet over de kansen van een nieuwe generatie Nederlanders, maar over apocalyptische angstbeelden van politici die in steeds hardere bewoordingen over elkaar heen buitelen om de gunst van de kiezer. Het wordt tijd voor een nieuwe fase in het integratiedebat.”

Het manifest, Zeau 2001, luidt alsvolgt:

U kent ons niet persoonlijk, maar wij durven te wedden dat u wel over ons heeft gehoord. Misschien wel zo vaak dat het lijkt alsof u ons kent. Wij zijn de hoofdrolspelers in een debat dat ook wel de sociale kwestie van de 21e eeuw wordt genoemd: het integratiedebat.

Een debat dat eens zo veelbelovend begon toen prominente VVD’er Frits Bolkestein op 8 september 1991 welbespraakt zei:

‘De integratie van minderheden is zo’n moeilijk probleem dat het alleen met durf en creativiteit kan worden opgelost. Voor vrijblijvendheid noch taboes is daarbij ruimte. Er is een groot debat nodig waaraan alle politieke partijen deelnemen, over wat mag en wat kan, wat moet en wat anders dreigt.’

Deze terechte oproep was niet aan dovemansoren gericht. Linksbuiten Paul Scheffer kopte begin 2000 Bolkestein’s aftrap het meest opvallend recht in de kruising met het ‘multiculturele drama’. In dit essay vroeg hij zich openlijk af waarom we denken het te kunnen veroorloven generaties migranten te zien mislukken?

Een essentiële vraag. De beantwoording ervan werd ruw verstoord door een wereldwijde wake up call. Een wake up call die zo destructief en overweldigend was, dat de multiculturele samenleving als gezellige smeltkroes onherroepelijk naar het rijk der fabelen werd verwezen: 11 september 2001. Het besef dat de multiculturele samenleving evenzeer de Marokkaanse slager en Turkse groenteboer als de Islamitische terrorist onderdak bood, schoot internationaal diep wortel. Sluimerende angstgevoelens, opgekropte frustraties en rationele bezwaren konden nu eindelijk vrijgelaten worden uit de privacy van onze woon- en bovenkamers zonder dat de racismekaart gespeeld werd. Eindelijk vertelden we elkaar van links tot rechts hardop en haarfijn wat we nou eigenlijk van elkaar vonden. Een verademing.

Maar er ging ook iets kapot.

De ene na de andere politicus betrad het speelveld met hetzelfde integratietrucje: Pim Fortuyn, Ayaan Hirsi Ali, Rita Verdonk en Geert Wilders volgden elkaar in rap tempo op en met elke nieuwe speler werd de boodschap apocalyptischer en schoot het volume omhoog. Van ‘achterlijke cultuur’, naar ‘tsunami’ tot een ‘kopvoddentaks’.

Inmiddels is 2010 in zicht en is die eens zo welkome verademing omgeslagen in een diepe verzuchting. Het integratiedebat dat in 2001 veelbelovend leek, is in 2009 een bodemloze put gebleken. Een dag niet over integratie gepraat, is een dag niet geleefd. Volgens socioloog Willem Schinkel is de term ‘integratie´ zo veel en zo slordig gebruikt, dat de betekenis ervan verdwenen is. Zelfs de trekkende Noord-Afrikaanse nijlgans die de traditionele autochtone Nederlandse gans het leven zuur maakt, wordt geassocieerd met integratie. De bittere realiteit is niet dat we ‘zeggen waar het op staat’, maar dat we vastgelijmd zitten voor een buis, starend naar een beeld dat stilstaat. Gepauzeerd op 5 voor 12. Het integratiedebat is een herhaling van dezelfde doembeelden zonder vooruitgang.

Het integratiedebat is zeau 2001.

Don’t Believe The Hype

Buiten het zicht van de politieke radar is het niet 5 voor 12, maar een nieuwe dag. Een dag die zich kenmerkt door een bloeiende en groeiende nieuwe generatie jonge Nederlanders. Wij zijn onderdeel van deze generatie die het doemscenario uit het integratiedebat lang achter zich heeft gelaten en driftig werkt aan een nieuw en onafhankelijk scenario met plot twists waar The Usual Suspects bij verbleekt.

Wie zich niet los trekt van het stilstaande beeld zal ons niet zien. Voor het ongetrainde oog zijn wij moeilijk zichtbaar, maar wie op play drukt en verder kijkt dan de straattaal, de tattoo, de huidskleur of de oorverdovende I-Pod zal een nieuwe voorhoede aanschouwen. Een voorhoede die haar weg omhoog vindt via sport, politiek en kunst en cultuur en in toenemende mate de middenklasse bevolkt. Wij maken deel uit van een generatie die hecht aan een persoonlijke invulling van haar religie, aan een kritische houding ten aanzien van haar religie en aan een moderne levenswijze. Wij zijn jonge mensen die niet dromen van de jihad, maar van vrijheid en democratie. Niet van de hoek van de straat, maar van die ene opleiding en die felbegeerde baan.

Eenmaal in het vizier weerleggen wij overtuigend de clichés uit het integratiedebat, maar dan moet de schijnwerper wel van moskee naar club en collegezaal. Van gevangeniscel naar voetbalveld. Van statistiek naar karakteristiek. De speaker moet van grootste schreeuwer, zelfbenoemde vertegenwoordiger en extremist naar de doodgewone meerderheid. Alleen dan zal de ongekende potentie van een generatie, die ook de nieuwe Johan Cruijffjes, Joke Smitjes en Jan Wolkersjes telt, benut worden.

Ondertussen is de politiek ziende blind en horende doof. Soms lijkt het er op alsof de politiek ons ook niet wil zien of horen. Wij zijn ontevreden PVV-stemmers, relschoppende niet-westerse allochtonen of fundamentalistische moslims. Daartussenin bevindt zich een groot vacuüm.  Politieke partijen komen niet verder dan als ware marionetten te figureren in de Grote Geertshow. Enerzijds spelen de klassieke middenpartijen een wedstrijdje hard-harder-hardst om verloren kiezers terug te winnen, terwijl anderzijds partijen alleen maar kunnen terugschelden om kiezers te winnen. Partijen die de nuance willen bewaren dreigen in het mediageweld onzichtbaar te worden. Het draait om futiliteiten als satellietschotels, handjesschudden en een Kinderen voor Kinderen liedje.

Begrijp ons niet verkeerd. Het integratiedebat is niet één en al ellende. De mooiste ontdekking van het integratiedebat is de (her)ontdekking van het DNA van Nederland: de vrijheid van meningsuiting, het recht op zelfbeschikking, non-discriminatie, de gelijkheid van man en vrouw en de scheiding van kerk en staat. Dit is wat Nederland, Nederland maakt. Wij dragen de erfelijke informatie in dit DNA vol trots. Maar wat in het debat ontbreekt is een zelfbewust eigentijds verhaal dat aansluit bij onze werkelijkheid. De toepasselijke klassieker van hiphopformatie Public Enemy ‘don’t believe the hype’ is het integratiedebat op het lijf geschreven. Wij staan te springen en te dringen voor een volgende fase in het integratiedebat. Voorbij de H.Y.P.E.

De Volgende Fase

Volgens Paul Scheffer heb je als belangrijkste ingrediënt voor de volgende fase in het integratiedebat nodig:

‘…wat mensen als individu verbindt met anderen. Hoe ze zich ‘samen’ voelen met hun medemensen, ook met mensen uit een ander land of andere cultuur. Die zelf gekozen gevoelsband is veel sterker dan de abstracte notie van een volksgemeenschap die mensen opsluit binnen een door anderen opgelegde gemeenschap of collectiviteit.’

Precies die ‘zelfgekozen gevoelsband’ kenmerkt ons. Wij leggen verbindingen met elkaar dwars door alle barrières heen. Wij opereren niet langs etnische of religieuze lijnen, maar op basis van gedeelde interesses en idealen. Wij hangen in dezelfde scene, volgen dezelfde studie en dromen van dezelfde toekomst. Onze wiegjes schommelden van de kust van de Zwarte Zee tot aan Oud-Zuid, van de hoogtes van het Rifgebergte tot aan het Brabantse Cuijk. In toenemende mate zijn wij kinderen uit gemengde gezinnen. Kinderen die de aanwezigheid van culturele en religieuze verscheidenheid even vanzelfsprekend vinden als ademhalen. Een hoofddoek op stiletto’s. Sproeten met kroeshaar. Geen dubbele, maar een driedubbele nationaliteit.

Wij zijn klaar voor de volgende fase in het integratiedebat en vragen de politiek om ons te volgen.

De toekomst van Nederland ligt besloten in de vrijheid van onze generatie om een baas te zijn. Baas over ons eigen leven. In de volgende fase zijn wij vrij om de hoofddoek af te slingeren of strak om het hoofd te houden. Vrij om naar Suriname of Curaçao te reizen zonder onderworpen te worden aan een 100% controle. 100% vrij om kritiek te leveren op de multiculturele samenleving zonder voor xenofoob of racist uitgemaakt te worden. 100% vrij om xenofobie of racisme te bekritiseren zonder als politiek correct te worden afgeschilderd. Wij willen gevrijwaard zijn van politici die ons elke godganse dag aanspreken op wat we niet zijn en wat we wel zouden moeten doen. Wij weigeren witgewassen te worden tot culturele klonen van de prototype Nederlander zoals die er volgens politiek Den Haag uitziet: een brave burger die op woensdag gehakt eet met het Wilhelmus op de achtergrond heftig discussierend over Sinterklaas die ‘ons’ wordt afgenomen. En wij laten ons net zo min vastketenen in onze ‘eigen gemeenschap’ elke keer als Mohammed of Jermaine Opsporing Verzocht domineren.

Laten we het doemscenario in het integratiedebat nu inruilen voor een nieuw scenario. Een scenario waarin de ongekende potentie van onderwijs, werk, jeugdzorg, kunst, cultuur en sport op de voorgrond staat in plaats van in de aftiteling. Een scenario dat kwaliteit boven kijkcijfers plaatst. Een beeldend verhaal dat inspireert in plaats van frustreert. Wij hebben een begin gemaakt, maar kunnen alleen een succesverhaal van dit scenario maken als iedereen meedoet. De tijd is aangebroken om de politiek wakker te schudden. De tijd is aangebroken voor een volgende fase in het integratiedebat.

Wie doet er mee?

Tofik Dibi (Tweede Kamerlid GroenLinks)
Noortje Thijssen
Saydan Karaman
Joeri Wetters
Kimberly Hintz
Erdal Kiran
Siddeeqah Sharif
Alexander Rontgen
Sabra Dahhan

Het manifest kan hier ondertekend worden.

Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner

Koenders houdt pleidooi voor ‘Kapitalisme 3.0′

maandag, november 30th, 2009

Op het symposium (pdf) Verschuivende machtsverhoudingen in de wereld, georganiseerd door De Nederlandsche Bank, riep minister Koenders van Ontwikkelingssamenwerking de bank op de armste landen te helpen. ““Never waste a good crisis. Ontwikkelingslanden èn Nederland hebben belang bij veranderingen in het internationale financiële en monetaire systeem. Er kan harder worden gewerkt om te voorkomen dat ontwikkelingslanden gedwongen zijn grote hoeveelheden dollars in reserve te houden, ook door DNB,” zei Koenders in zijn speech.

Koenders pleit voor “nieuwe regels voor een nieuwe tijd” en roept DNB op hierin een rol te spelen. Koenders: “DNB zou bijvoorbeeld eens kritisch kunnen kijken naar zijn traditionele counterparts. De Bank for International Settlements (BIS) en de Financial Stability Board (FSB) zijn nu nog exclusieve clubs. Alleen de Afrikaanse landen Algerije en Zuid-Afrika zijn aangesloten bij de BIS, terwijl het FSB-lidmaatschap grotendeels overeenkomt met het lidmaatschap van de G20. Toch worden in die clubs beslissingen genomen, denk bijvoorbeeld aan de Bazelse akkoorden, waar ontwikkelingslanden vroeg of laat mee te maken krijgen. Ik begrijp dat discussies over lidmaatschap lang kunnen duren en soms ook gevoelig liggen. Maar we kunnen er nu al voor zorgen dat de belangen van ontwikkelingslanden worden meegewogen. En dat beslissingen niet indruisen tegen de doelstellingen van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid, want we zijn geen gekke Henkie.”

Tegelijk hield de minister een pleidooi voor ‘Kapitalisme 3.0′. “Ik pleit met Dani Rodrik voor een ‘Kapitalisme 3.0’, voor een betere balans tussen overheid en markt. Daar is wel een level playing field voor nodig. Ontwikkelingslanden moeten zichzelf – meer dan nu – gaan beschouwen als belangrijke spelers met verantwoordelijkheden en belangen in het internationale financiële systeem. Maar daar moet dan wel policy space tegenover staan. Nu hebben ontwikkelingslanden niet de beleidsvrijheid die rijkere naties wel hebben – denk bijvoorbeeld aan de omvangrijke steun aan de financiële sector, De Nederlandsche Bank weet er alles van. Dat maakt het voor deze landen buitengewoon moeilijk om adequaat – dat willen zeggen: anticyclisch – op deze crisis te reageren.”

Dames en heren,

Ik werd in 1978 actief in de politiek. De wereld zag er toen heel anders uit dan nu. De macht was verdeeld tussen Oost en West, tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. Ik hield me bezig met regels voor wapenbeheersing en risico’s van Mutually Assured Destruction.  Maar in 1989 – dit jaar alweer twintig jaar geleden – viel De Muur, waarna al snel de totale ineenstorting van het Sovjet-rijk volgde. De illusie van autarkische planning was voorbij, Amerika bleef als supermacht alleen over. Neoliberalisme en – soms – marktfundamentalisme kregen de wind in de zeilen.

Weer twintig jaar later, vandaag, komt ook aan die werkelijkheid langzaam maar zeker een einde. Een land als China eist zijn rol op het wereldtoneel steeds nadrukkelijker op, terwijl de krachten uit Amerika beginnen weg te vloeien. En er is – net als in de jaren zeventig – weer een debat over de verhouding tussen markt en staat, over de tekortkomingen van internationale instellingen, over transparantie en echte verantwoording, ja, zelfs weer over verdelingsvraagstukken in een ongelijke wereld. Intellectuele diversiteit is nu broodnodig, ook over het rationele gedrag van de marktpartijen en de omvang van de financiele sector.

Zo veel aardverschuivingen in zo korte tijd: het is bijna niet bij te houden. Maar ik zal wel moeten, ú zult wel moeten. Want ook binnen de internationale financiële instellingen worden de kaarten opnieuw geschud, ten gunste van opkomende economieën. Met andere woorden: er ontstaan nieuwe regels voor een nieuwe tijd.

Ik weet dat deze ontwikkeling in het Westen, in Nederland, in deze zaal met de nodige argwaan wordt begroet. Maar mijn stelling is: Nederland wordt er alleen maar beter van. Mits we niet Gekke Henkie spelen. En mits we ook de armste landen een plek aan de onderhandelingstafels gunnen. Want legitimiteit en effectiviteit hangen meer dan ooit met elkaar samen. Die twee dingen op een goede en efficiënte manier met elkaar verbinden: dat is de uitdaging van onze tijd.

Dames en heren, het faillissement van Lehman Brothers markeert het begin van de financieel-economische crisis. Dat faillissement werd nu ruim een jaar geleden uitgesproken. Eén ding heeft de crisis het afgelopen jaar in elk geval opgeleverd: het multilaterisme is springlevend. Mede dankzij de maatregelen die de G20-landen hebben genomen, kondigt het economisch herstel zich aan. Dat was met de G7 nooit gelukt: daarvoor is die club niet representatief en daarom niet legitiem genoeg.

Maar er zijn meer voorbeelden.

Door de crisis is de hervorming van de Wereldbank en het IMF in een stroomversnelling geraakt.

Door de crisis is het Financial Stability Forum omgevormd tot de Financial Stability Board, waar nu in elk geval alle G20-landen vertegenwoordigd zijn.

Door de crisis staat het toezicht op financiële instellingen in de EU-lidstaten hoog op de agenda. Tijdens de Ecofin van volgende maand proberen de lidstaten een akkoord te bereiken over de oprichting van drie Europese toezichthouders: een voor de banken, een voor de beurzen en een voor de pensioenfondsen. Het kabinet steunt de oprichting en wil de toezichthouders ruime bevoegdheden geven.

Nieuwe regels voor een nieuwe tijd, ik zei het al. Daar horen principes bij. Ik ben een voorstander van zelfregulering, maar in tijden van externalities is zelfregulering niet genoeg.

Dames en heren, mijn motto is: ‘Never waste a good crisis.’ Het lijkt erop dat deze crisis inderdaad wordt aangegrepen om internationale problemen op te lossen. Helaas, dat is maar een beetje waar. Alle hoopvolle geluiden ten spijt, blijven fundamentele problemen bestaan. Natuurlijk, in de Verenigde Staten wordt meer gespaard en in China meer geïnvesteerd. Maar de Amerikaanse tekorten blijven groot. De dollar als wereldwijde reservemunt speelt daarin een rol. De Belgische econoom Robert Triffin zag het dilemma al in 1960: om wereldwijd voldoende groei en liquiditeit mogelijk te maken, moeten de Verenigde Staten grote tekorten creëren. Maar op termijn ondermijnt dit het vertrouwen in de dollar, terwijl de instabiliteit in de wereld toeneemt.

Er zijn meer fundamentele problemen. Een ongelijke wereld, om eens iets te noemen. In Amerika is het reële inkomen van de lagere middenklasse afgelopen decennia nauwelijks gegroeid. Om deze groep toch meer te laten consumeren, is er – geholpen door de lage rente – een gigantische kredietbel geblazen. Tegelijk moest een aantal ontwikkelingslanden bij wijze van verzekering grote hoeveelheden dollars in reserve houden. Dat is een goed middel tegen de crisis, maar de nadelen zijn groter dan de voordelen. Ik noem de drie belangrijkste nadelen. Eén: er vloeit een perverse geldstroom van ontwikkelingslanden naar Amerikaanse consumenten. Twee: ontwikkelingslanden kunnen grote sommen geld niet inzetten voor hun eigen economie. Drie: internationale onevenwichtigheden blijven hierdoor intact.

En dan heb ik het nog niet gehad over mijn grootste zorg. De financiële en economische crisis dreigt de politieke aandacht af te leiden van de klimaatcrisis en de voedselcrisis. Dat kunnen we ons niet permitteren. En dat hoeft ook niet. Effectieve middelen om de economische crisis te bestrijden, zijn ook effectief op het gebied van klimaat en voedsel. Een stabiele economische ordening staat niet los van een duurzamere wereld. Het evenwicht daartussen moet worden hersteld. Alleen gekoppeld aan lange-termijndoelen als internationale duurzaamheid, voedselzekerheid en publiek-private samenwerking zijn korte-termijnmaatregelen effectief. Tot mijn ergernis lijkt de internationale gemeenschap een keuze te maken tussen de strijd tegen armoede enerzijds, en het aanpakken van klimaatverandering en het voedselprobleem anderzijds. Penny wise, pound foolish. Neem klimaatbeheersing. De extra kosten daarvan, ongeveer 0,1 procent van het BBP van geïndustrialiseerde landen, vallen in het niet bij de schade die onbeteugelde klimaatverandering teweegbrengt. Als we niet ingrijpen, kost dat uiteindelijk 5 tot 20 procent van het mondiale BBP.

Alle moderne uitdagingen vergen vooral mondiale samenwerking. Helaas zijn de bestaande structuren nog niet aangepast aan de veranderde machtsverhoudingen in de wereld. Dat moet nu echt snel beter, vooral binnen de internationale financiële instellingen.

Maar heeft het ‘multilaterale moment’ daarvoor wel voldoende kracht? Er bestaat natuurlijk spanning tussen nationaal toezicht en de internationalisering van de financiële sector. Juist in tijden van crisis komen landen in de verleiding terug te vallen op – bijvoorbeeld – protectionisme. Maar deze crisis heeft ook aangetoond dat nationale arrangementen nodig zijn om problemen effectief aan te pakken.

Balanceren op het slappe koord tussen protectionisme en nationale beleidsvrijheid: hoe doe je dat? Ik pleit met Dani Rodrik voor een ‘Kapitalisme 3.0’, voor een betere balans tussen overheid en markt. Daar is wel een level playing field voor nodig. Ontwikkelingslanden moeten zichzelf – meer dan nu – gaan beschouwen als belangrijke spelers met verantwoordelijkheden en belangen in het internationale financiële systeem. Maar daar moet dan wel policy space tegenover staan. Nu hebben ontwikkelingslanden niet de beleidsvrijheid die rijkere naties wel hebben – denk bijvoorbeeld aan de omvangrijke steun aan de financiële sector, De Nederlandsche Bank weet er alles van. Dat maakt het voor deze landen buitengewoon moeilijk om adequaat – dat willen zeggen: anticyclisch – op deze crisis te reageren.

Beleidsvrijheid klinkt goed, maar er zit een gemene adder onder het gras: beleidsruimte betekent ook meer potentiële conflicten tussen landen. Om die conflicten in de kiem te smoren zijn internationale ‘verkeersregels’ nodig. Ik zei het eerder: nieuwe regels voor een nieuwe tijd.

Maar wie gaat die regels stellen?

In het verleden hielden organisaties als WTO, IMF en Wereldbank de ontwikkelingslanden in een stevige greep. Die machtspositie was gebaseerd op economische principes uit de Verenigde Staten. Nu het Amerikaanse model kwetsbaar blijkt, is ook de intellectuele geloofwaardigheid van die regels aan erosie onderhevig. Dat heeft de positie van de Verenigde Staten als internationale scheidsrechter geen goed gedaan. Voor sommige ontwikkelingslanden lijkt China een geloofwaardiger arbiter.

Volgens De Chinese geleerde Yan Xuetong gaat China de Verenigde Staten op economisch terrein tussen 2020 en 2030 voorbijstreven, en in dezelfde periode militair even sterk worden. Maar wil China zich ook internationaal manifesteren? Vooralsnog lijkt China niet veel te voelen voor een rol als wereldleider naast de Verenigde Staten. Het is daarom van het grootste belang dat we – met het oog op de economische stabiliteit – haast maken met de hervormingen van de internationale financiële instituties. Een multipolaire wereld werkt op basis van internationale politieke verhoudingen – daarom hoefde het Triffin-dilemma tijdens de Koude Oorlog ook niet opgelost te worden. De G2,  Amerika en China, moeten in een groter geheel van internationale politieke en financiële arrangementen ingebed raken.

Dames en heren, ik zie twee grote risico’s voor duurzaam economisch herstel. Eén: een verkeerde timing van de ‘exitstrategie’. Een te vroege exit kan ervoor zorgen dat de economie terugvalt en in ‘W’ terechtkomt, een te late exit vergroot de kans op oververhitting en onhoudbare schulden. Twee: een terugkeer naar business as usual, inclusief onhoudbare praktijken in de financiële sector en onvoldoende investeringen in global public goods. Met als gevolg dat we wéér in een crisis terecht kunnen komen.

Meer dan tien jaar geleden, ten tijde van de Azië-crisis, was er al veel discussie over de noodzaak tot hervorming. Sommige Aziatische landen waren zeer kritisch over de rol van bijvoorbeeld het IMF. Er is sindsdien weinig – te weinig – gebeurd. Zowel in opkomende economieën als ontwikkelingslanden worden de Bretton Woods-instellingen nog altijd gezien als Westerse instellingen. Dat is volkomen begrijpelijk. Een voorbeeld: in het IMF, dat 185 lidstaten telt, hebben de Verenigde Staten bijna 17 procent van het stemrecht in handen, de gezamenlijke EU-landen 32 procent. Grote groeiers als China en India moeten het samen doen met slechts 5,5 procent van het stemrecht.

De BRIC-landen, en dan vooral China en India, doorstaan de crisis relatief goed. Dat wordt duidelijk bij internationale discussies over klimaat, handel en monetaire zaken – zoals de rol van de dollar. De BRIC’s eisen hervormingen. En terecht. Niet alleen namen bestaande instituties geen adequate maatregelen die deze crisis hadden kunnen voorkomen, sommige organisaties deden zelfs dingen die de crisis –blijkt achteraf – alleen maar erger maakten. Zonder hervormingen is het garanderen van financiële stabiliteit in de toekomst domweg onmogelijk.

Maar voor stabiliteit is óók een grotere invloed van de armste landen nodig. Als zij hun belangen beter vertegenwoordigd zien, zal hun vertrouwen in de financiële instellingen toenemen. Dat is in het belang van Nederland, met zijn open economie. Laten we niet vergeten dat de Afrikaanse landen voor de crisis sterk groeiden. Dat groeipotentieel is nog steeds aanwezig en handelsnatie Nederland kan daarvan profiteren. Net als het afgelopen jaren heeft geprofiteerd van de groei in de BRIC-landen.

Maar het is niet alleen eigenbelang dat mij drijft. Een paar weken geleden maakte het Wereldvoedselprogramma van de VN bekend dat – mede als gevolg van de crisis – dit jaar ruim een miljard mensen ondervoed zijn. Dat zijn er 100 miljoen meer dan vorig jaar en is het hoogste aantal sinds 4 decennia! Tegelijk zijn de bonussen van de internationale bankwereld – ondanks de crisis – dit jaar hoger dan de totale ontwikkelingssamenwerking in de wereld. Ik vind dat een gotspe.

In mei was ik in Mozambique. De financiële sector daar is nauwelijks geraakt door de kredietcrisis, maar de reële economie wordt hard getroffen door de grote dalingen van het exportvolume en de grondstoffenprijzen. De lopende rekening vertoonde al vóór de crisis een tekort, maar zal in 2009 met nog eens 200 miljoen dollar afnemen. Door de crisis loopt de Mozambikaanse overheid ongeveer 100 miljoen dollar aan belastinginkomsten mis. Het land moet bovendien rekening houden met een daling van de hulp in 2010: veel donoren hebben als gevolg van de crisis moeite om hun budget voor ontwikkelingssamenwerking op peil te houden. Deze cijfers zijn op zichzelf al reden tot ongerustheid. Maar ze dringen pas echt tot je door als je inzoomt op mensen. Doordat de aluminiumexport begin dit jaar met bijna de helft is teruggelopen, raken veel mijnwerkers hun baan kwijt. Door fouten in het Westen staan Mozambikanen op straat. Dat is een perverse situatie, die zich niet beperkt tot Mozambique: de crisis is een bijna-dood-ervaring voor een groot aantal arme landen.

Steevast luidt de kritiek op ontwikkelingssamenwerking dat de landen die zich uit de armoede hebben onttrokken, dat hebben gedaan door economische groei en niet door ontwikkelingshulp. Er wordt dan gewezen naar China, naar Zuid-Korea, naar India. Stuk voor stuk landen die de afgelopen jaren enorm hebben geprofiteerd van aansluiting bij de wereldeconomie. Dat ging niet vanzelf. Deze landen hebben een eigen beleid gevoerd en kunnen voeren om hun eigen industrie te ontwikkelen. Zij hebben enorm geïnvesteerd in de landbouw, zoals India met zijn succesvolle groene revolutie. Zij hebben, zoals China, buitenlandse investeerders aangemoedigd en geselecteerd op die terreinen die bijdragen aan groei. Zij hebben miljoenen ingezet op scholing van de beroepsbevolking. Dat gaf hun bestuur een hogere mate van legitimiteit en zorgde voor politieke ontwikkeling. Als aanjager speelde ontwikkelingssamenwerking daarbij in landen als Zuid-Korea, India en Indonesië een belangrijke rol.

Meer dan een miljard mensen krijgen op dit moment niet deze ruimte voor eigen economische ontwikkeling. Zij zijn uitgesloten van de voordelen van globalisering. Zij zitten gevangen in een armoedespiraal omdat de voorwaarden voor hun ontwikkeling ontbreken. Wat zijn die voorwaarden? Een redelijk stabiele overheid met een goed sociaal contract, zoals we dat vroeger zouden zeggen, maar eigenlijk nu ook nog goed past. Ruimte, internationaal, om goed beleid te kunnen voeren. Kennis van zaken. Een basisinfrastructuur van wegen om de markt te bereiken, van energie om te kunnen produceren. De mogelijkheid voor vrouwen om eigen inkomsten te kunnen verwerven, omdat bewezen is dat dit waar dan ook ter wereld zorgt voor meer groei en minder armoede.

Daar is mijn beleid dan ook op gericht. Ik noem u twee concrete initiatieven. Eén: het Health Insurance Fund. Voor een gezonde economie zijn gezonde mensen nodig, maar jaarlijks vallen 150 miljoen mensen door ziekte en ziektekosten terug onder armoedegrens. Nederland steunt een systeem om private ziektekostenverzekeringen in landen als Nigeria en Tanzania van de grond te krijgen. Twee: het Initiatief Duurzame Handel. Samen met maatschappelijke organisaties zijn al tientallen Nederlandse bedrijven en multinationals bezig de lange exportketen van producten als cacao, hout en soja duurzamer te maken. Ontwikkelingsamenwerking faciliteert dat.

Dames en heren, ik ga afronden. De sociologie kent het begrip moderniseringsverliezers: burgers die niet profiteren van de globalisering. Nederland kent vooral winnaars, maar ook hier zijn moderniseringsverliezers. Door globalisering, door technische ontwikkelingen. Die verliezers verdienen veel meer aandacht. Krijgen ze die aandacht niet, dan verzandt Nederland in populisme en dreigt een verdere provincialisering. Dat is desastreus voor een open land als Nederland.

Zo mogen we ook de moderniseringsverliezers onder de ontwikkelingslanden niet aan hun lot overlaten. Al was het maar omdat de wereld een dorp is geworden. Of we het nu leuk vinden of niet, het wel en wee in onze wijk wordt deels bepaald door wat er zich in de andere wijken afspeelt. Piraterij, armoede, vluchtelingenstromen, de dreiging van terreur: Somalië, Oost-Congo en Afghanistan zijn dichterbij dan een blik op de kaart doet vermoeden.

De Nederlandsche Bank kan helpen! DNB zou bijvoorbeeld eens kritisch kunnen kijken naar zijn traditionele counterparts. De Bank for International Settlements (BIS) en het Financial Stability Board (FSB) zijn nu nog exclusieve clubs. Alleen de Afrikaanse landen Algerije en Zuid-Afrika zijn aangesloten bij de BIS, terwijl het FSB-lidmaatschap grotendeels overeenkomt met het lidmaatschap van de G20. Toch worden in die clubs beslissingen genomen, denk bijvoorbeeld aan de Bazelakkoorden, waar ontwikkelingslanden vroeg of laat mee te maken krijgen. Ik begrijp dat discussies over lidmaatschap lang kunnen duren en soms ook gevoelig liggen. Maar we kunnen er nu al voor zorgen dat de belangen van ontwikkelingslanden worden meegewogen. En dat beslissingen niet indruisen tegen de doelstellingen van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Om met Ruud Lubbers te spreken: ik denk graag mee over de positie van DNB in FSB en BIS.

Er kan bovendien harder worden gewerkt om te voorkomen dat ontwikkelingslanden gedwongen zijn grote hoeveelheden dollars in reserve te houden, ook door DNB. Een meer evenwichtige verdeling van de rol van reservevaluta is noodzakelijk – we moeten de dollar in zekere zin ontlasten. De toewijzing van SDR’s die dit jaar heeft plaatsgevonden, zou achteraf wel eens de eerste stap kunnen betekenen richting een evenwichtiger wereldeconomie. Ik weet dat dit voor een belangrijk deel bepaald door de politieke opstelling van spelers die reserves opbouwen. Maar wij hebben er alle belang bij.

Uiteindelijk bepaalt de markt natuurlijk welke munt of munten een reservefunctie krijgen. Maar overheden kunnen daarop wel degelijk invloed uitoefenen. Sommige landen, zoals China, zijn belangrijke spelers op de valutamarkt. Er wordt door private partijen naar hun gedrag gekeken. Bovendien kunnen overheden de markt prikkelen om langzaam over te stappen op het gebruik van meerdere munten, of op een mandje als de SDR. Ik ben benieuwd of het IMF met nieuwe voorstellen gaat komen, en welke positie De Nederlandsche Bank dan inneemt.

Dames en heren, ik wil eindigen met een citaat uit The Post-American World van Fareed Zakaria. ‘The search for a superpower solution to every problem may be futile and unnecessary.’ Het is ook mijn overtuiging dat vooral internationale samenwerking de sleutel is tot een betere wereld. De wereld heeft daarin sinds 1978 grote vooruitgang geboekt, deze crisis mag ons niet terugwerpen. Daarom wil ik samen met u werken aan nieuwe regels voor een nieuwe tijd.

Dank u wel.

Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner

Overheid, doelgroepen en islam

donderdag, november 26th, 2009

Hoogopgeleide allochtone werknemers voelen zich niet thuis bij de overheid. Dat concludeert onderzoeker en hoogleraar Karen van Oudenhoven-Van der Zee werkzaam aan de Rijks Universiteit Groningen. Ze vroeg zich af waarom hoogopgeleide niet-westerse allochtonen liever voor het bedrijfsleven werken dan voor de overheid. Conclusie: “Het doelgroepenbeleid (voorheen positieve discriminatie genoemd) werk averechts en leidt tot conflicten en een onprettige sfeer op de werkvloer,” zegt Van Oudenhoven in Trouw. “Daardoor vertrekt de hoogopgeleide niet-westerse allochtoon al snel. Die werkt liever in het bedrijfsleven, waar geen diversiteitsquota gelden en waar puur naar kwaliteit wordt gekeken.”

Volgens de onderzoeker is bij de overheid etnische diversiteit maatschappelijk gewenst, terwijl het in het bedrijfsleven als een aanwinst wordt gezien. “Daar waar de overheid een gesloten, homogene werkgever is, is het bedrijfsleven minder rigide en staat open voor nieuwe, originele ideeën.” Van Oudenhoven verdedigt wel de gedachte achter het doelgroepenbeleid, maar heeft kritiek op de aanpak. De overheid zou moeten zeggen: we kunnen als overheid beter functioneren als we een diversiteitsbeleid hebben waar iedereen kwalitatief tot zijn recht komt, in plaats van quota’s na te streven.

Thijl Sunier, kersvers hoogleraar Islam in Europa (pdf) aan de VU in Amsterdam, stelt dat islamonderzoek te vaak in dienst van overheidsbeleid is. “Islamonderzoekers in Europa vertrekken te vaak vanuit het integratiebeleid van regeringen. Uitgangspunt zou echter moeten zijn dat de meeste moslims geen migranten meer zijn, maar integraal onderdeel uitmaken van de Europese samenlevingen en geïntegreerd zijn,” zegt Sunier op Wereldjournalisten. “Die eenzijdige benadering leidt tot eenzijdig onderzoek gericht op radicalisering en criminaliteit.”

Het islamonderzoek kan beter en wel specifiek op de volgende 3 gebieden, zegt Sunnier.
Ten eerste moet het onderzoek naar de islambeleving onder jongeren zich niet beperken tot radicalisering en aanpassingsproblemen, maar alle vormen van religiositeit in het onderzoek betrekken. Immers de meeste jongeren zijn geboren en getogen in Europa. Dit moet het vertrekpunt zijn voor onderzoek naar hun islambeleving.
Ten tweede moet het onderzoek naar het dagelijkse leven in wijken en de manier waarop moslims hun geloof inpassen in dat leven veel meer aandacht krijgen. Oude wijken staan vaak synoniem voor vergaarbakken van problemen. Dat levert een sterk vertekend beeld op van de realiteit.
Ten derde moet er onderzoek gedaan worden naar islamitisch leiderschap. Aan de ene kant wordt aan islamitische leiders en geestelijken een enorme invloed op moslims toegeschreven en worden ze ingezet om een keur aan problemen op te lossen. Aan de andere kant worden hun activiteiten en denkbeelden juist met argusogen bekeken en probeert men hun invloed in te dammen. Systematisch onderzoek naar islamitisch leiderschap levert een genuanceerder beeld op en geeft inzicht in de relatie tussen leiderschap en gewone moslims.

Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner

Kopenhagen 25: Geen akkoord in Kopenhagen, maar is dat erg?

dinsdag, november 17th, 2009

“Een akkoord, twee stappen”. Dat is nu het motto van de Klimaattop in Kopenhagen. De belangrijkste politieke leiders zijn het erover eens dat een alomvattend en gedetailleerd akkoord begin december niet mogelijk is in de Deense hoofdstad. Klimaatactivisten reageren teleurgesteld. Was Kopenhagen niet de laatste kans voor de aarde om het onheil af te wenden? Toch komen er vanuit de milieuactivistische wereld geluiden die zeggen dat het helemaal niet zo erg is.

David Roberts, redacteur van Grist, schrijft in zijn laatste bijdrage dat uitstel van een klimaatverdrag erger lijkt dan het in werkelijkheid is. Hij geeft daarvoor drie redenen. Ten eerste is er nu meer tijd voor de Amerikaanse senatoren om met een goed doordacht klimaatwetvoorstel te komen. Ten tweede kan er nu langer internationale druk op de Verenigde Staten worden uitgeoefend om toch met een echt goed voorstel te komen. Volgens Roberts voeren landen als Frankrijk en Brazilië de druk al op. Kan de regering Obama achetrblijven bij de rest van de wereld? Het lijkt erop dat president Obama dit inziet en nu ook inzet op het ‘een akkoord, twee stappen’-principe. Ten derde kan een akkoord, zonder de druk die er staat op de politici, beter ingevuld worden. Lastige kwesties kunnen gedetailleerder worden uitgewerkt, politieke en financiële hobbels netter gladgestreken.

Kortom, het twee-stappen akkoord behoed Kopenhagen voor een ramp en geeft de onderhandelaars en regeringsleiders meer adem om een echt goed akkoord in elkaar te zetten, aldus Roberts.

Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner

Autochtone Utrechter meest crimineel

dinsdag, november 17th, 2009

Jeugdige veelplegers beginnen pas rond hun dertiende met criminele activiteiten. Het zijn bovendien niet Marokkaanse, maar Nederlandse jongeren, die verantwoordelijk zijn voor de meeste strafbare feiten. Dit zijn de twee voornaamste conclusies uit het onderzoeksrapport ‘Jeugdige veelplegers Utrecht’ van Ido Weijers en Marjolein Kampijon. Weijers is als bijzonder hoogleraar Jeugdrechtsverpleging verbonden aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen van de Universiteit Utrecht. Kampijon was ten tijde van het onderzoek verbonden aan het Openbaar Ministerie parket Utrecht.

Hoogleraar jeugdrechtspleging aan de Universiteit Utrecht Ido Weijers en voormalige medewerker van het Openbaar Ministerie in Utrecht Marjolein Kampijon deden onderzoek in opdracht van het OM naar jeugdige veelplegers en hun achtergrond. Ze kwamen onder meer tot de conclusie dat jonge veelplegers pas op hun dertiende met criminele activiteiten beginnen. Dat is later dan de vaak geopperde veronderstelling dat veelplegers hun ‘carrière’ al op de basisschool beginnen.

Weijers en Kampijon hebben 81 jongeren gevolgd die bekend staan als veelpleger. In acht jaar tijd pleegden de jongeren 1021 strafbare feiten. Van de jeugdige veelplegers is 49 procent van Marokkaanse komaf, 27 procent heeft een Nederlandse achtergrond. Volgens het rapport ligt het gemiddeld aantal delicten van de groep Marokkanen op elf. De kleinere groep Nederlanders ligt daar met 16,5 delict ruim boven.

De meeste veelplegers maken zich schuldig aan inbraken in huizen, winkels en auto’s of diefstal van fietsen en scooters. De jongeren doen dat voornamelijk voor het geld en deels voor de kick. Ruim driekwart maakt zich ook schuldig aan geweldsmisdrijven zoals vernieling, belediging, bedreiging en mishandeling.

In de beleving zijn het vooral allochtonen die zich schuldig maken aan criminaliteit. En dan vooral ook heel jonge allochtonen. Maar het is juist die beleving die zorgt voor een vertekend beeld van de werkelijkheid. “Naarmate er minder criminaliteit is in je omgeving, neemt de tolerantie voor wat er gebeurt, af,” schrijven Jan Meeus en Merel Thie in NRC Weekblad van 14 november. De veiligheidsparadox heet dat in jargon, die verklaart “hoe het kan dat het volgens de cijfers al jaren veiliger wordt in Nederland, maar dat mensen zich niet veiliger voelen”.

De criminaliteitscijfers in Nederland dalen sinds 2002. Toch denkt meer dan de helft van de Nederlanders dat het hier onveiliger wordt. Bij die cijfers zijn kanttekeningen te zetten, bevestigen onderzoekers van het WODC, het onderzoekscentrum van het ministerie van Justitie. Zo daalt het totaalcijfer door afname van het aantal inbraken en diefstallen, maar stijgt het aantal meldingen van geweld. Ook de jeugdcriminaliteit stijgt tegen de trend in. De cijfers van jeugdcriminaliteit laten een boeiend beeld zien, die het onderzoek in Utrecht lijken te bevestigen. “Crimineel gedrag begint vaak in de puberteit en bereikt een piek als de jongeren tussen de 18 en 20 jaar zijn,” schrijven Meeus en Thie. “Om dit in beeld te brengen gebruiken criminologen de age-crime curve.” Daaruit blijkt dat het aantal verdachten per 1000 inwoners bij Marokkaanse jongeren van 20 jaar het hoogst is, gevolgd door Antillianen, Turken en autochtone Nederlanders. Maar na hun 20ste daalt het aantal verdachten scherp.

Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner

Kopenhagen 24: Klimaat in slecht en mooi weer

vrijdag, november 13th, 2009

De vooruitzichten voor de Klimaattop in Kopenhagen zijn niet goed. De kansen voor een alomvattend akkoord zijn klein. Minister Koenders maakt zich ernstige zorgen: “Het zou een ongelofelijke blunder zijn als er geen akkoord komt”.

Toch is volgens ‘klimaatpaus’ Yvo de Boer succes mogelijk. In het Nederlands Dagblad van 13 november zegt hij: “Het wordt ongelooflijk moeilijk, maar ik ben er nog steeds heilig van overtuigd dat een politiek akkoord mogelijk is. Er moeten drie piketpalen worden geslagen: ambitieuze reductiedoelstellingen voor de industrielanden, helderheid van China en India wat zij gaan doen en er moet geld op tafel komen. Het zal dan nog een halfjaar tot maximaal een jaar duren om de details uit te werken tot een verdrag.” De bal ligt bij de Verenigde Staten, waar een klimaatwet die een reductie in broeikasgassen van 17% in 2020 voorschrijft in de maak is. Volgens De Boer kan Obama in Lopenhagen aangeven welke kant het opgaat.

De Europese Commissie presenteerde op 12 november cijfers waaruit blijkt dat de totale CO2-reductie in de EU sinds 1990 in 2012 op 11,5 procent zal uitkomen. De afspraak in Kyoto was 8 procent. De Volkskrant kopt dan ook dat de “EU slaagt voor eerste examen in CO2-reductie”. Eurocommissaris Stavros Dimas van Milieu is tevreden en spreekt van “een belangrijk en tijdig signaal voor de klimaatonderhandelingen in Kopenhagen”.

De positieve trend in Europa lijkt te worden bevestigd in een rapport van de Universiteit van Bristol. Onderzoek van professor Wolfgang Knorr lijkt te suggereren dat de aarde meer CO2 absorbeert dan wordt gedacht. Uitstoot en absorptie van CO2 lijken elkaar in evenwicht te houden, stelt Knorr op basis van historische gegevens. Hij stelt vast dat de verhouding tussen de hoeveelheid CO2 die in de lucht is uitgestoten en de hoeveelheid CO2 die geabsorbeerd wordt, ongeveer gelijk is gebleven sinds 1850. Nochtans is de hoeveelheid uitgestoten CO2 in die periode spectaculair gestegen, van 2 miljard ton per jaar in 1850 tot 35 miljard ton per jaar vandaag.

De negatieve berichten en feiten over de staat van het klimaat blijven echter toenemen. Uit onderzoek van de Universiteit Utrecht blijkt dat het ijs op Groenland sneller verdwijnt. Gletsjers smelten meer dan gemiddeld, maar de compensatie in de vorm van extra sneeuwval is weggevallen. Het netto ijsverlies wordt ieder jaar groter. Onderzoeker Michiel van den Broeke zegt in Trouw: “Eigenlijk is er dus sinds 2000 geen 750, maar ongeveer 2000 miljard ton ijs extra gesmolten. Dat is tot nu toe grotendeels gecompenseerd, maar we zien nu dat de neerslag weer terug is op het niveau van vóór 1996. Dat is pas sinds twee, drie jaar zo, en dus te kort om vast te kunnen stellen of dat zo blijft. Maar je ziet aan de grafiek wel dat de smeltbalans sindsdien een forse duik heeft gemaakt. Daarnaast is het onzeker hoe lang de ijskap koud genoeg blijft om zoveel smeltwater te herbevriezen. Als ook die compensatie wegvalt, gaat het hard.”

Yvo de Boer is duidelijk over klimaatsceptici: “Ik geloof niet dat klimaatsceptici nog een factor van belang worden. Er is ook een vereniging die denkt dat de aarde plat is en ik kom in Amerika mensen tegen die denken dat de overheid klimatverandering verzint om geld uit de zakken van burgers te kloppen. Ik zou die mensen een emmertje zand willen geven, zodat ze overal en altijd hun kop in het zand kunnen steken.”

Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner

It’s the end of the world as we know it…

donderdag, november 12th, 2009

De Berlijnse Muur viel 20 jaar geleden. Het einde van de Koude Oorlog werd gevierd, de overwinning van het kapitalisme geclaimd. Twee decennia verder, terugblikkend tijdens de ernstigste financiële crisis sinds de jaren dertig van de vorige eeuw, blijkt dat de ‘overwinning’ maar vijf jaar duurde. De oprichting van de WTO, de Wereldhandels Organisatie, luidde het begin van de huidige economische crisis in. Bankiers en politici negeerden de afgelopen 15 jaar echter de waarschuwingen, zoals de financiële ineenstorting in Oost-Azië, de schuldencrisis in Mexico en Argentinië, en het uiteenspatten van de internetbel.

In The Guardian Weekly schrijft Larry Elliott dat de wereld een aantal wegen kan inslaan om uit de huidige economische crisis te komen.

De eerste weg is die van de Schumpeterschool: dit is een tijd van creatieve vernietiging, dus tanden op elkaar en gewoon doorgaan.
De tweede weg is die van ‘business as usual’: doorgaan op de oude weg en vooral geen radicale verandering in het financiële systeem.
De derde weg is op de oude weg doorgaan, maar met aanpassingen: het financiële systeem heeft fouten, maar met strenger toezicht kan de wereld nog een aantal jaren verder.

De business as usual-visie krijgt steeds meer tegenstand. Als we doorgaan op de oude voet zal het niet lang duren voordat er weer een nieuwe crisis ontstaat. De huidige voorstellen om het financiële systeem te hervormen dienen slechts het belang van de investeringsbanken, “de machtigste lobbygroepen op aarde”, schrijft Elliott. Echte hervorming moet, volgens de critici, inhouden dat we het aandeelhouderskapitalisme vaarwel zeggen.

En dan zijn er nog critici die vinden dat iedere hervorming gedoemd is tot mislukken omdat het uitgaat van groei. En groei is juist wat de aarde niet langer meer aankan.

Volgens Elliott bevinden de meeste politici zich ergens tussen weg 2 en weg 3. Daarmee laten ze volgens Elliott een belangrijke kans liggen. “De zaadjes van een nieuwe crisis worden gezaaid, hier en nu.”

Die visie onderschrijft Guus Hustinx in Management & Literatuur van oktober. “Betekent de huidige crisis het einde van de ongebreidelde vrije markt? Nee, het lijkt er niet op. Het neoliberale denken staat nog als een huis”, schrijft hij. “De kredietcrisis is het gevolg van superkapitalisme: geld met geld maken, hebzucht aangewakkerd door absurde bonusregelingen, totdat de zeepbel uiteen spatte. De maatshappij betaalt de prijs: met belastinggeld worden banken overeind gehouden. De sterk opgelopen staatsschuld zal gevoeld worden tot in lengte van jaren.”

Hustinx, auteur van het boek Ecologisch veranderen van organisaties maakt een vergelijking met de klimaatcrisis. Ook hier is sprake van een decennia lang opgebouwde schuld, die volgende generaties moeten gaan afbetalen. “De onderliggende boodschap: ik kan meer nemen dan ik geef, dat gaat ten koste van anderen, maar uiteindelijk kom ik er toch mee weg.” Hustinx noemt dit ‘klein-denken’: denken alleen vanuit de eigen positie en op de korte termijn, niet persoonlijk verantwoordelijk zijn. Hij houdt een pleidooi voor ‘groot-denken’: als je meer hebt genomen dan je gegeven hebt, als je een schuld hebt opgebouwd: zelf terugbetalen.

Helaas wint het ‘klein-denken’ het opnieuw. De financiële instellingen in Londen en New York nemen grotere risico’s dan voor de crisis. Zonder blikken of blozen, want ze weten dat ze niet kunnen vallen; de overheid zal bijspringen als het slecht dreigt te gaan…

YouTube voorvertoningsafbeelding
Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner

Culturalisten en anti-culturalisten

donderdag, november 5th, 2009

De moord op Fortuyn markeerde een breekpunt in het debat over integratie, de moord op Van Gogh bestendigde vooral de scheidslijnen. Dat blijkt uit onderzoek van Justus Uitermark, waarover website Wereldjournalisten schrijft.

Uitermark, die in de loop van 2010 zal promoveren aan de Universiteit van Amsterdam, analyseerde het integratiedebat in NRC Handelsblad, De Volkskrant en Trouw. Daarvoor maakte Uitermark onder meer gebruik van een techniek die Vincent Traag en Jeroen Bruggeman van de UvA eerder toepasten om militaire relaties te analyseren. Uitermark: ‘Relaties in een debat werken anders dan militaire relaties tussen landen maar er zijn ook overeenkomsten. Actoren in het debat vallen elkaar aan of bij. Die micro-interacties produceren macro-patronen van samenwerking en conflict. De techniek helpt om die macro-patronen op te sporen.’
In het Nederlandse integratiedebat is er een terugkerende tegenstelling tussen twee groepen die Uitermark culturalisten en anti-culturalisten noemt. Tot de eerste groep behoren bijvoorbeeld Frits Bolkestein, Paul Scheffer, Pim Fortuyn, Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders; zij die benadrukken dat migratie een bedreiging vormt. Anti-culturalisten zijn mensen als Ed van Thijn, Roger van Boxtel en Job Cohen; zij benadrukken juist dat verschillen overbrugbaar zijn.

Uitermark laat zien dat het culturalistische kamp relatief hechte relaties heeft. Ook zijn er duidelijke leiders. In de periode na de moord op Fortuyn, blijkt Hirsi Ali bijvoorbeeld veel steun te krijgen vanuit het culturalistische kamp. In de periode na de moord, geldt Rita Verdonk als boegbeeld van het culturalistische kamp. Het anti-culturalistische kamp heeft daarentegen weinig samenhang. ‘Anti-culturalisten komen samen in een kamp omdat ze zich keren tegen culturalisten maar ze hebben onderling zwakke relaties en er zijn ook geen duidelijke leiders. Cohen staat bijvoorbeeld wel redelijk centraal in het debat maar hij krijgt weinig bijval vanuit zijn eigen kamp.’ Na de moord op Van Gogh valt Cohen zelfs buiten de twee groepen. ‘Hij wordt verguisd door het culturalistische kamp maar na de moord op Theo van Gogh wordt hij ook buiten het anti-culturalistische kamp geplaatst, onder meer door Wouter Bos, die zich in deze periode distantieert van Cohen.’

Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner

Kopenhagen 23: Klimaatchaos in het Zuiden

woensdag, november 4th, 2009

De klimaatverandering eist nu al miljoenen slachtoffers. Niet bij ons, maar in het Zuiden. Landbouwers, veetelers en vissers klagen er over dolgedraaide seizoenen, alles vernietigende stortbuien en cyclonen, verschroeiende droogte, en een gebrek aan zoet water. De toenemende armoede doet velen op zoek gaan naar een nieuwe, leefbare plek

Wereldmediatheek trok voor de documentaire Klimaatchaos in het Zuiden naar Burkina Faso en Togo, Ecuador en Bangladesh, om er de schade van de klimaatwijziging op te meten. Tientallen getuigen en experts van snel toenemende armoede, als gevolg van de klimaatwijziging. Wat aanvankelijk louter een milieuprobleem leek, blijkt uit te draaien op een ongeziene humanitaire catastrofe. De noodzaak om de klimaatwijziging af te zwakken is evident, maar ook moet het Zuiden zich aanpassen aan het onvermijdelijke.

YouTube voorvertoningsafbeelding

MO Magazine doet verslag vanuit Burkina Faso, Ecuador en Bangladesh. Ester Ventura, een bejaarde boerin uit Meroseco, in de Ecuadoriaanse kustprovincie Manabi, teelde ooit samen met haar man koffie op de vruchtbare hellingen van haar geboortestreek. Jaar na jaar torsten de struiken een fabelachtige hoeveelheid bonen. Nu wil er niet één koffiestruik meer groeien.

‘We kunnen zelfs geen maïs meer telen, of bonen, watermeloen of maniok. Het is te droog geworden in onze streek’, zucht ze. Haar kinderen zijn nog grootgebracht met een gezonde variatie aan vruchten en gewassen, maar de toenemende droogte en armoede deden hen intussen naar de stad vluchten.

Fernando Buendía van de Ecuadoriaanse landbouw-ngo FMLGT legt uit dat de klimaatwijziging in Manabi –een landbouwstreek– grote gevolgen heeft voor het welzijn van de mensen. Het gemiddelde jaarinkomen is er gezakt tot hooguit 600 dollar per jaar, niet genoeg om aan de basisbehoeften te voldoen. Dat is zo voor tachtig procent van de gezinnen. Elk jaar trekt één inwoner op de 25 naar de steden, hopend op beter. De meesten tekenen met hun migratie voor een levenslang verblijf in een krottenwijk.

Steeds meer krijgt Manabi ook nog eens hevige stortbuien over zich heen, die niet minder kapot maken dan de droogte. ‘Die drastische veranderingen tussen overvloedig water en extreme droogte van de laatste decennia verstoren de landbouw, en dus ook de voedselvoorziening van de steden’, vertelt landbouwer Jorge Loor uit Rocafuerte.
Landbouw krijgt klappen

In Bangladesh vertelt Abdul Barek Molla, burgemeester van de fusiegemeente Parishad, een vergelijkbaar verhaal. ‘Als we regen nodig hebben, worden de gewassen verschroeid door de zon. En als er zon moet zijn, valt de regen met bakken uit de lucht. De seizoenen staan tegenwoordig op hun kop.’ Ook in Burkina Faso klagen landbouwers en veetelers over een niet aflatende droogte, die jaar na jaar gewassen en graaslanden vernielt. Maar begin september 2009 maakte een overstroming in de hoofdstad Ouagadougou 150.000 stedelingen dakloos.

In mei werd Satkhira, een streek in Bangladesh, getroffen door een zware cycloon. De volledige rijstoogst is vernield. Snel weer zaaien kan niet, want het zilte water trekt deze keer niet zo gauw terug als gewoonlijk na een cycloon. De bewoners kijken er aan tegen een lange periode van honger en ontbering.

Terwijl ze tot de knieën in haar met zilt water overstroomde rijstveld staat, jammert Munira Begum: ‘Wij, volwassenen, redden het wel met minder voedsel, maar wat zullen we onze kinderen geven? Na de cycloon kregen we een zware overstroming, het wordt almaar erger. Ik verwacht nog heviger cyclonen. Zo kunnen we geen kippen of eenden meer kweken, of rijst telen. We hebben geen enkele hoop meer.’

Bangladesh heeft altijd al natuurrampen gekend, maar de frequentie én de hevigheid ervan zijn sterk toegenomen. Nasimul Haque van UNDP, het ontwikkelingsprogramma van de VN: ‘Sinds de jaren negentig nemen overstromingen en cyclonen hand over hand toe, en vooral dan sinds 2000. De boeren krijgen de tijd niet meer om zich tussendoor te herstellen. Als je zaait, ben je er lang niet zeker van dat je ook zal kunnen oogsten, want de kans op een catastrofe is groot.’
Iedereen armer?

‘In de Sahel was het al armoe troef, maar de klimaatverandering maakt het allemaal nog erger’, zegt Paul Bayili in Burkina Faso. ‘Mensen hebben geen geld om hun kinderen naar school te sturen, om voldoende eten te kopen of om naar de dokter te gaan. Terwijl hun gezondheid juist te lijden heeft van ondervoeding, met nog maar een of twee maaltijden per dag.’ Paul Bayili bestrijdt met zijn ngo ROAPE (Reseau des Organisations et Associations pour la Protection de l’Environment) in de Sahel de klimaatwijziging, onder meer via bewustmakings- en aanpassingsprojecten.

De Sahelbewoners hebben wat het klimaat betreft al wat meegemaakt, zoals toen een uitzonderlijke droogte in 1993 tot zware hongersnood leidde. Maar de huidige problemen zijn erger, zeggen de mensen, omdat er geen einde in zicht is. Zelfs wie geen benul heeft van de aard en de oorzaken van de wereldwijde klimaatwijziging is pessimistisch. Zegt Issouffi Alimonzo, de oude chef van het Saheldorp Oursi: ‘Als er vroeger een droogte was, sloegen we met alle maraboes van de omgeving aan het bidden. Dan begon het weer te regenen.

Maar nu kunnen we bidden zoveel we willen, het wordt alleen maar droger.’
Mamadou Honadia, expert van het Burkinese Centre National des Semences Forestières, deelt het pessimisme van de dorpschef: ‘De landbouwopbrengsten zullen verder dalen, water zal nog schaarser worden en de biodiversiteit zal blijven afnemen. Dus zullen de levensomstandigheden moeilijker worden, althans op korte termijn. Dat kan keren over twintig of dertig jaar, maar niet zonder internationale inspanningen.’

Honadia baseert zich op de rapporten van het Intergovernmental Panel on Climate Change, de VN-instelling die de klimaatwijziging op de voet volgt en regeringen en de internationale gemeenschap adviseert. Hij kent dus ook het pleidooi voor matiging: het beperken van het verbruik van fossiele brandstoffen om zo de uitstoot van CO2 te verminderen. ‘De modale Belg moet beseffen dat zijn levenswandel een onmiddellijke weerslag heeft op het al schamele leven van de modale Burkinees’, vindt Paul Bayili.

Volgens de Britse econoom Lord Nicholas Stern is zo’n matiging van onze levens- en consumptiewijze niet het begin van het einde. ‘Het is niet zo dat we het paradijs moeten verlaten, integendeel. Op CO2 gestoelde groei, die we tot nu toe hebben gekend, is een heel gevaarlijk pad gebleken. We moeten de weg inslaan van duurzame ontwikkeling, van koolstofarme groei: dat is heel wat veiliger, aantrekkelijker en schoner, en daar wordt ook niemand slechter van op een of andere plaats in het Zuiden.’ Stern berekende voor de Britse regering de kosten van investeren in duurzaamheid en aanpassing. Volgens hem is het tien keer goedkoper die investering vandaag te doen dan nog eens tien jaar te wachten, omdat de klimaatwijziging zich dan nog veel sterker zal manifesteren.
Aanpassen of verdwijnen

Matigen alleen kan de mensheid of de planeet niet meer redden. Het al bestaande overschot aan CO2 in de atmosfeer zal in ieder geval nog een tijdje doorgaan met het veranderen van het klimaat. Nasimul Haque: ‘Matiging is het vermijden van het onbeheersbare. We proberen iets in te dammen waarop we geen vat zullen hebben: de klimaatwijziging. Maar omdat de impact ervan grotendeels onafwendbaar is, is tegelijk aanpassing nodig, maatregelen om de gevolgen van die onvermijdelijke veranderingen te beheersen.’

Aanpassing omvat alle mogelijke manieren om mensen te helpen zich in te stellen op het nieuwe klimaat. Nieuwe dijken bouwen of de bestaande verstevigen, kan helpen om de gevolgen van de stijging van de zeespiegel te beperken. Nieuwe zaden en gewassen ontwikkelen die beter bestand zijn tegen hoge temperaturen en het gebrek aan irrigatie is een ander voorbeeld. Maar dat zijn aanpassingen die veel kapitaal vragen. In arme landen als Burkina Faso moet het allemaal wat kleinschaliger.

We zijn al uren onderweg door het stoffige en droge Burkinese landschap, als we in Ouahigouya plots worden verrast door een frisgroen veldje. Acht vrouwen zijn er onder de hete middagzon aan het werk. Salimata Sawadogo legt dit kleine wonder met plezier uit. ‘Dit is een project van druppelbevloeiing, waarmee we het beschikbare water zo efficiënt mogelijk gebruiken. Langs de gewassen lopen buisjes met gaatjes erin, waaruit heel langzaam druppeltjes vallen, heel plaatselijk. We moeten er enkel op letten dat de gaatjes vrij blijven.

Sinds we dit systeem toepassen, hebben we meer opbrengst voor hetzelfde werk. Onze levensstandaard is er voelbaar op vooruitgegaan.’ Afgelopen dus met het sjouwen met zware gieters en het verspillen van kostbaar water. Een stukje Sahel wordt weer leefbaar gemaakt, en dat opent perspectieven nu Afrika steeds verder dreigt te verwoestijnen.

Niet alle aanpassingsinitiatieven zijn zo succesvol als het groene veldje in Ouahigouya. ‘De strategie die mensen gebruiken om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden komt heel vaak neer op een overexploitatie van de productiemiddelen die ze hebben’, zegt Fernando Buendía. ‘Uitbuiting van de factor arbeid, bijvoorbeeld, moet het verlies aan inkomsten in de landbouw compenseren. En dan zie je dat heel de familie aan het werk wordt gezet, de vrouwen thuis en de kinderen op de markt. Of ze gaan oerbos kappen om er aan landbouw te doen. Of chemische meststoffen gebruiken om de productiviteit weer te verhogen, wat de bodem vervuilt.’

Een tragisch voorbeeld van verkeerde aanpassing is de exploitatie van de páramo, de sponsachtige Andesweiden, die hele streken het hele jaar door van water voorziet. Tot voor kort was dat bergland niet geschikt voor landbouw, wegens te koud. Maar de stijging van de temperatuur bracht de boeren op ideeën, aangespoord door het feit dat steeds meer monden moeten worden gevoed.

De exploitatie van de páramo is de Andesbevolking inmiddels zuur opgebroken. Ze had het belang van het ruige berggebied voor de waterhuishouding van de streek zwaar onderschat. Ingenieur Ricardo Suarez van de Central Ecuatoriana de Servicios Agrícolas, de Ecuadoriaanse Centrale voor Landbouwdiensten: ‘Sinds de temperatuurstijging doen de bewoners van de provincie Cotopaxi aan landbouw tot op een hoogte van maar liefst 3900 meter boven het zeeniveau, ten koste van de ooit vochthoudende páramo. Intussen staan de waterputten droog.’ Wat ook de landbouwers, die hun velden steeds minder kunnen irrigeren, uiteindelijk de das omdoet.

Aanpassing heeft dus duidelijk grenzen, en kan zelfs een averechts effect hebben. Buendía: ‘Het probleem is dat 300 miljoen mensen over de hele wereld in een vergelijkbare situatie zitten, en dat de meerderheid ervan zijn inkomen probeert te handhaven door meer druk te leggen op de natuur. En zo wordt armoede een factor die de klimaatverandering en milieuvervuiling juist in de hand werkt. Het behoud van de planeet vraagt dus een rechtvaardiger wereldorde en meer verantwoordelijkheidszin tegenover het milieu.’
Een kwestie van milieurecht

De honderden miljoenen slachtoffers van de klimaatwijziging in het Zuiden moeten hun leven kunnen aanpassen aan de nieuwe klimaatsituatie, die ze niet zelf hebben veroorzaakt. Daarover zijn al mijn gesprekspartners in het Zuiden het eens. Zij vinden trouwens steeds meer steun in het Noorden.
‘Ook al lukt het ons de temperatuurstijging deze eeuw te beperken tot 2°C, zelfs dan moeten de ontwikkelingslanden zich in hoge mate aanpassen aan de klimaatwijziging’, stelt Ottmar Edenhofer van het Potsdam Institute for Climate Change Research.

Maar deze landen hebben het geld niet om de gevolgen op te vangen van wat ze zelf niet veroorzaakt hebben. En dus klinkt hoe langer hoe duidelijker de roep om verregaande financiële verbintenissen van het Noorden voor matiging en aanpassing in het Zuiden. ‘Met een waarschijnlijkheid van meer dan negen op tien is de klimaatwijziging veroorzaakt door menselijk handelen, met name de uitstoot van broeikasgassen,’ zegt klimatoloog van Jean-Pascal van Ypersele.

‘En voor die uitstoot zijn de rijke landen voor driekwart verantwoordelijk.’ Dat de rijke landen de ontwikkelingslanden moeten compenseren voor de schade, is niet alleen een morele kwestie, maar zelfs een zaak van internationaal recht, vindt Syeda Rezwana Hasan, juriste bij de Bangladesh Environmental Lawyers Society. ‘Ik beschouw dit als een kwestie van milieurecht, dat stelt dat het ene volk geen buitensporige schade mag lijden door de ontwikkeling van een ander volk. Het Noorden heeft zich ontwikkeld, en heeft daarbij grote hoeveelheden CO2 uitgestoten. Dus moet het Noorden zijn verantwoordelijkheid op zich nemen.’

In hun toespraak tot de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties dit jaar vroegen bijna alle regeringsleiders uit het Zuiden dat de rijke landen ‘nieuwe, voldoende en voorspelbare’ middelen zouden vrijmaken om de ontwikkelingslanden te steunen in hun klimaatbeleid. De Boliviaanse president Evo Morales riep zelfs op tot het oprichten van een Internationaal Hof voor Klimaatrecht ‘waarin landen berecht en bestraft kunnen worden als zij zich niet houden aan de internationale wetten en doorgaan met het vernietigen van de aarde’. De klok tikt voor de planeet, maar ze tikt sneller voor het Zuiden.

Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner