Archief voor 2010

Willie Smits is boos

dinsdag, december 14th, 2010

Willie Smits, in Nederland geboren maar intussen Indonesisch staatsburger, is een veelzijdig en energiek man. Hij is vooral bekend als redder van orang-oetangs, maar is daarnaast via talloze stichtingen actief in milieubeschermer, sociale projecten en dierenwelzijn, en uitvinder met tientallen patenten op zijn naam. De energie voor dit alles haalt Smits uit zijn boosheid. “Als ik mijn kleinkinderen op mijn arm heb, ben ik verschrikkelijk boos op de wereld. Op wat wij allemaal van hen afnemen. Dat is verschrikkelijk. Dat er in die wetenschap nog steeds zoveel mensen zijn die op hun luie reet blijven zitten en niks doen, dat vind ik afschuwelijk. Onbegrijpelijk. Ik weet niet of al mijn doelen haalbaar en realistisch zijn, maar niets doen is misdadig”, zegt Smits in de Volkskrant.

Een van zijn nieuwste projecten richt zich op herbebossing, omdat de orang-oetans leven in bossen. In de Volkskrant vertelt Smits over zijn nieuwe stichting die deze week is opgericht: Masarang International. De stichting doet projecten in herbebossing, verschaft kinderen van arme boeren studiebeurzen en strijdt tegen dierensmokkel.

Een ander groot project is de samenwerking met Microsoft en de oprichting van een commercieel bedrijf dat minifabriekjes bouwt waar sap uit suikerpalmen wordt omgezet in bio-ethanol en drinkwater. Doel van Smits is om zo de lokale bevolking te ondersteunen en tegelijkertijd de houtkap tegen te gaan. De fabrieken zijn eigendom van een coöperatie van 6.000 lokale boeren op Sulawesi.

Het Microsoftproject brengt via een satelliet veranderingen in het oerwoud in kaart. Met geld uit het onderwijsproject van de computergigant en de ngo Take it Global kan iedere jongere die dat leuk vindt zijn eigen 9 hectare oerwoud ‘krijgen’. Vier miljoen geïnteresseerden hebben zich al gemeld; doel is tien miljoen schoolkinderen te bereiken.

" width="400" height="300" class="vvqbox vvqvideo">" />

Mensenrechtentulp voor Bertha Oliva

dinsdag, december 14th, 2010

“U hebt ongekende moed getoond. Ik wens iedereen die onder repressie gebukt gaat de vrijheid toe die u zo hard hebt bevochten.” Dit zei minister Rosenthal vandaag tegen Bertha Oliva de Nativí uit Honduras, aan wie hij vandaag de Mensenrechtentulp 2010 overhandigde.

Zij kreeg de mensenrechtenprijs van de Nederlandse regering voor haar jarenlange strijd voor de rechten van verwanten van mensen die tussen 1979 en 1989 verdwenen in Honduras.

De jury koos haar uit ruim 170 voorgedragen kandidaten. Na de arrestatie en verdwijning van haar echtgenoot in 1981 richtte Bertha Oliva met andere vrouwen die hun geliefden verloren in 1982 COFADEH op (Comité de Familiares de Detenidos Desaparecidos en Honduras). Zij zochten gerechtigheid en compensatie voor de families van 184 dissidenten die tussen 1979 en 1989 zonder enig spoor uit hun leven verdwenen.

“De Nederlandse regering wil mensenrechtenverdedigers die grove mensenrechtenschendingen aan de kaak stellen, die opkomen voor fundamentele vrijheden, blijven ondersteunen”, aldus minister Rosenthal.

Bertha Oliva kreeg het bronzen beeldje van de Mensenrechtentulp en een bedrag van 10.000 euro. Bovendien kan zij een voorstel indienen ter waarde van 100.000 euro voor een project dat bijdraagt aan haar werk als mensenrechtenverdediger.

YouTube voorvertoningsafbeelding

Migranten vragen weinig hulp bij opvoeding, onderwijs en gezondheid

donderdag, december 9th, 2010

Migranten maken relatief weinig gebruik van hulp bij opvoeding, onderwijs en gezondheid. Terwijl ze wel vaker opgroei-, ontwikkelings- en gezondheidsproblemen hebben dan autochtone Nederlanders. Dit toont het SCP-onderzoek ‘Naar Hollands gebruik? Verschillen in gebruik van hulp bij opvoeding, onderwijs en gezondheid tussen autochtonen en migranten’.

Hoewel migranten vaker problemen hebben dan autochtonen op gezondheids- en opvoedingsgebied, zoeken ze minder vaak hulp hiervoor dan autochtonen. Dit laat het onderzoek Naar Hollands gebruik? van het Sociaal Cultureel Planbureau zien.
Verschillen tussen migranten en autochtone Nederlanders in kenmerken als opleidingsniveau, gezinsvorm en belang van religie verklaren slechts een deel van het verschil in voorzieningengebruik. Migranten kijken vaak anders aan tegen problemen dan autochtone Nederlanders, en ze zijn niet altijd positief over de voorzieningen. Het zoeken van hulp is – vooral voor migrantenouders – niet altijd even gemakkelijk, en de beschikbare hulp sluit vaak onvoldoende aan.
In het SCP-rapport gaan de onderzoekers voor een viertal voorzieningen na in hoeverre er verschillen bestaan in het gebruik ervan tussen autochtoon Nederlandse en migrantenjeugdigen (en hun ouders). Er is gekeken naar formele opvoedingsondersteuning, speciale onderwijs-voorzieningen, de huisarts, en het gebruik van anticonceptie, abortus en soa-testen. De uitkomsten zijn gebaseerd op literatuurstudie, interviews met experts en (waar mogelijk) kwantitatieve data-analyses.

Veel problemen, weinig hulp
Wanneer jeugdigen en hun ouders problemen ervaren bij opvoeding, onderwijs en/of gezondheid, kunnen zij gebruikmaken van algemene voorzieningen. In beginsel zou het gebruik hiervan voor alle jeugdigen en ouders gelijk moeten zijn, ongeacht hun culturele achtergrond. Dit is echter niet altijd het geval. Zo zoeken Turks- en Marokkaans-Nederlandse ouders door de bank genomen minder vaak hulp of advies bij de opvoeding. Toch zijn er in deze gezinnen juist wel vaker opvoed- en opgroeiproblemen.
Niet-westerse migrantenjeugdigen, met name die van Turkse en Marokkaanse herkomst, zijn relatief weinig te vinden op speciale scholen voor kinderen met gedragsproblemen. Ook hier geldt echter dat ze vaker met deze problemen kampen dan de autochtoon Nederlandse jeugd. Jeugdigen van niet-westerse herkomst hebben tevens een grotere kans op leerproblemen en handicaps; deze kinderen zitten echter wel relatief vaak op speciale scholen.

Gezondheidsproblemen komen eveneens vaker voor bij niet-westerse migrantenjongeren. Vooral Turkse Nederlanders hebben frequenter contact met de huisarts. Jongeren van Surinaamse en Antilliaanse herkomst laten zich het vaakst testen op soa’s. Ook tienerzwangerschappen komen relatief veel voor onder deze jongeren, wat voortkomt uit hun inconsequente gebruik van anticonceptie. Indien zwanger besluiten Marokkaans-Nederlandse meisjes naar verhouding het vaakst tot een abortus.

Gezinnen
Er zijn verschillen tussen niet-westerse migranten en autochtone Nederlanders en ook tussen de migrantengroepen onderling. Turkse en Marokkaanse Nederlanders zijn vaak laagopgeleid en hechten meer dan autochtone ouders belang aan religie. Alleenstaand ouderschap komt weer veel voor onder Surinaams- en Antilliaans-Nederlandse vrouwen. Deze en andere achtergrondkenmerken spelen veelal een rol bij het verklaren van het (relatief geringe) gebruik van de onderzochte voorzieningen door migranten. Ook andere factoren zijn echter van belang, zoals de mate waarin migranten de voorzieningen willen dan wel kunnen gebruiken.

Schaamte
Migranten en autochtone Nederlanders staan anders tegenover het gebruik van de onderzochte voorzieningen. Zo zoeken migrantenouders en -jeugdigen minder hulp dan autochtone Nederlanders omdat ze anders aankijken tegen problemen en gedragingen. Niet-westerse migranten lijken zich vaker te schamen voor problemen of zien de ernst er niet van in. Zij (h)erkennen gedrags- en ontwikkelingsproblemen niet altijd en zoeken hier dan ook minder vaak hulp voor. Verder heerst er in Turks- en Marokkaans-Nederlandse kringen nog een sterk taboe op seks voor het huwelijk, terwijl jongeren met een Surinaamse of Antilliaanse achtergrond meer vrijgelaten worden en juist veel experimenteren op seksueel gebied.

Wantrouwen
Migranten oordelen ook niet altijd positief over de voorzieningen. Zo is er bij een deel van hen sprake van wantrouwen en een negatief beeld van zorgverleners.
Migranten zijn soms bang niet goed begrepen te worden, of om onder druk gezet te worden om te ‘vernederlandsen’. Daarnaast hebben migranten veelal andere verwachtingen van hulpverleners. Zo zijn veel migranten van huis uit gewend aan artsen die snel medicijnen voorschrijven. In Nederland zijn huisartsen Nordin Dahan, kinderartsdaarin terughoudender. Migranten zijn dan ook vaak niet tevreden over hun bezoek aan de huisarts.

Niet voor alle jeugdigen of ouders die gebruik willen maken van hulp bij opvoeding, onderwijs en/of gezondheid, is dit even gemakkelijk. Migrantenouders weten vaak onvoldoende waar ze terechtkunnen voor hulp en advies. Door taal- en communicatieproblemen begrijpen hulpverleners en migranten elkaar soms niet. Het hulpaanbod sluit ook niet altijd goed aan bij hun wensen. Op specifieke vragen over de opvoeding van hun kinderen – zoals hoe om te gaan met de waarden en normen in Nederland – heeft de hulpverlening niet altijd een goed antwoord paraat..

Bron: Wereldjournalisten

Uitsluiting door overheid leidt tot uitsluiting door burgers

donderdag, december 9th, 2010

Als de overheid het grote groepen immigranten die langdurig legaal in Nederland wonen onmogelijk maakt hier met hun gezinsleden te wonen, hen uitsluit van permanent verblijfsrecht en van het Nederlanderschap en bovendien een (zeer) kleine groep genaturaliseerde Nederlanders bedreigt met ontneming van hun Nederlanderschap, moet ze niet verbaasd zijn als burgers denken dat zij immigranten in hun buurt, op hun werk of op straat ook mogen uitsluiten.

Dat schrijven Kees Groenendijk en Thomas Spijkerboer op de website van het Nederlands Juristen Blad (NJB). Groenendijk is emeritus-hoogleraar rechtssociologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, Spijkerboer is hoogleraar migratierecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Het artikel op het NJBlog gaat uitvoerig in op de invloed van Wilders op het nieuwe denken over migratie, uitsluiting en gezinshereniging.

“De paragraaf over de plannen rond immigratie in de akkoorden tussen VVD-CDA-PVV beslaat zes pagina’s dikbedrukte tekst met tientallen voorstellen voor oude en nieuwe maatregelen.1 De drie partijen zeggen daarmee twee doeleinden na te streven: een “zeer substantiële daling van de instroom” van migranten en “effectieve integratie van nieuwkomers en bevolkingsgroepen”. Bij elk van oude en nieuwe voorstellen rijst de vraag: mag het, kan het en helpt het? Is het juridisch of moreel toegestaan, is het voorstel haalbaar en helpt het echt een probleem op te lossen? Of zal het vooral averechts werken en bestaande problemen groter maken?

Aan de juridische houdbaarheid en praktische haalbaarheid hebben de media de afgelopen weken al veel aandacht besteed. Met het voornemen vijf recent met instemming van alle EU-lidstaten vastgestelde richtlijnen en vier verdragen waarbij veel staten partij zijn, te wijzigen neemt het kabinet Rutte een Sysifus-taak op zich. Het overschat hiermee de Nederlandse positie in Europa. De andere lidstaten laten hun politieke agenda niet door Nederland dicteren. Het onderschat de excentrische positie die Nederland op dit terrein in veel opzichten in de EU inneemt. Veel voorstellen zijn onder minister Verdonk al gedaan en toen als onhaalbaar of contraproductief van tafel verdwenen.”

“Uitvoering van de plannen die op verschillende punten in het akkoord staan vermeld, betekent dat er vier soorten Nederlanders komen:
1. Geboren Nederlanders die praktisch alleen voor verlies van die nationaliteit hoeven te vrezen als ze voor een andere nationaliteit kiezen.
2. Nederlanders van Antilliaanse herkomst die door de overheid tot “terugkeer naar landen van het Koninkrijk” in de Antillen kunnen worden gedwongen.
3. “Voorwaardelijke Nederlanders” die als zij binnen vijf jaar na de verkrijging worden veroordeeld voor een ernstig misdrijf, het Nederlanderschap kan worden ontnomen.
4. Nederlanders die langer dan vijf jaar geleden zijn genaturaliseerd en die voorlopig, zolang de wetgever niet anders besluit, gelijke rechten hebben als de eerste categorie.”

“Wij zijn dus niet gerustgesteld door het feit dat Europees en internationaal recht in de weg staan aan uitvoering van het regeerakkoord op het gebied van immigratie en integratie. Het akkoord tussen VVD, PVV en CDA laat zien dat drie partijen (en niet maar één van die drie) zich ten doel hebben gesteld om aanwijsbare groepen Nederlandse ingezetenen uit te sluiten. Dat enkele feit leidt tot versterking van de al bestaande uitsluiting van deze groepen medeburgers.”, concluderen de auteurs.

Nederland geen koploper groene economie

donderdag, december 9th, 2010

Het Europees Milieuagentschap EMA heeft onderzoek gedaan naar onder andere klimaatverandering, natuur en biodiversiteit, natuurlijke hulpbronnen en afval, milieu, gezondheid en kwaliteit van leven. De bevindingen zijn gepubliceerd in het EEA rapport 2010. Omschakeling naar een groenere Europese economie is noodzakelijk. Nederland blijkt geen koploper op dit gebied.

Het rapport wijst op de noodzaak van gedragswijzigingen. Bedrijven en burgers moeten zich samen inzetten voor het beheer van natuurlijk kapitaal en ecosysteemdiensten. Daarbij moeten ze nieuwe, innovatieve manieren creëren om hulpbronnen efficiënt te gebruiken. Burgers zouden via onderwijs en de nieuwe media meer betrokken moeten worden bij de aanpak van wereldwijde problemen, zoals CO2 uitstoot. Om de doelstellingen te bereiken en om bedrijven een stabiele regelgeving te bieden, blijven beleid, normen en fiscale hervormingen van belang.

Ook voor Nederland is er werk aan de winkel:
* We zijn de 7de (van de 27 EU-lidstaten) op de lijst van hoogste CO2-uitstoot.
* We bevinden ons in de achterhoede als het gaat om het aandeel hernieuwbare energie in het totale energieverbruik. Zweden, Letland en Finland scoren hier het best.
* Ook op het gebied van luchtkwaliteit scoren we slechter dan het Europese gemiddelde. Dit brengt nadelige effecten voor onze volksgezondheid met zich mee.
* Daarnaast is onze oorspronkelijke biodiversiteit de afgelopen eeuwen drastisch verminderd. In vergelijking met andere landen scoren wij ook op dit punt benedengemiddeld. 40% van de diersoorten in Nederland wordt bedreigd.
* Het verbruik van hulpbronnen en de productie van afval blijven stijgen in Europa. Maar Nederland doet het op dit punt goed. Wij storten na Zwitserland en Duitsland het minste gemeentelijk afval. En met ons gebruik van hulpbronnen per persoon behoren we ook tot de laagste in Europa.

Peter van Lieshout minder pessimistisch over beleid Knapen

dinsdag, december 7th, 2010

De hulporganisaties konden er niet zo veel mee, maar de experts, de media en het publiek des te meer. Het WRR-rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’ groeide uit tot de nieuwe ‘bijbel’ voor ontwikkelingssamenwerking. Nu vormt het de hoeksteen voor het nieuwe ontwikkelingsbeleid van Ben Knapen. IS sprak met de geestelijk vader Peter van Lieshout.
Het was de bekroning voor een rapport dat toch al niet over waardering te klagen had. “Het ontwikkelingsbeleid wordt fundamenteel herzien en gemoderniseerd, waarbij het rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid als leidraad dient”, zo luidt de eerste zin van het regeerakkoord van VVD en CDA over ontwikkelingssamenwerking. Peter van Lieshout, hoofdauteur van het rapport, kan er niet anders dan verguld mee zijn. En dan ligt die uitvoering van het rapport ook nog eens in handen van staatssecretaris Ben Knapen, tot voor kort Van Lieshouts collega bij de WRR.
Eigenlijk had het hele project ‘ontwikkelingssamenwerking opschudden’ al afgerond moeten zijn, maar de ontwikkelingssamenwerking is nog niet klaar met Peter van Lieshout – en omgekeerd. “Het zou zonde zijn om ontwikkelingssamenwerking nu terzijde te schuiven. Dat is kapitaalverlies vanwege de deskundigheid die  we hebben opgebouwd, maar ook jammer vanwege mijn eigen drijfveren. Ontwikkelingsvraagstukken blijven de meest intrigerende vragen die er zijn, zowel in intellectuele als in maatschappelijke zin.” Hoe zijn verdere betrokkenheid praktisch vorm krijgt is nog onduidelijk.

Bekruipt u niet een klein beetje twijfel dat het kabinet dadelijk een ‘platte’ versie van uw rapport uitvoert: met veel nadruk op de rol van de private sector bij ontwikkeling, maar weinig aandacht voor mondiale publieke goederen zoals klimaat en biodiversiteit?
“Dat selectief shoppen in het rapport valt wel mee, vind ik. De coherentie van het kabinetsbeleid op het gebied van klimaat, energie en water wordt tamelijk zwaar aangezet. Je kunt exegese op de tekst van het regeerakkoord gaan plegen in de trant van: er worden meer zinnen gewijd aan economische ontwikkeling dan aan publieke goederen, maar dan doe je de status van zo’n tekst geen recht. Er staat dat het WRR-rapport dé leidraad is, er wordt geen gas teruggenomen en er worden ook geen punten uit het rapport uitgezonderd.”

Het regeerakkoord biedt wat u betreft voldoende basis voor een goed ontwikkelingsbeleid?
“Ja. Maar je zult dadelijk ongetwijfeld discussies krijgen of sommige onderdelen van Knapens nieuwe beleid wel in de geest van het rapport zijn.
Het is altijd onze bedoeling geweest, expressis verbis, om een verhaal over ontwikkelingssamenwerking te schrijven dat niet op voorhand politiek te duiden is. Dat is ook de rol van de WRR, om boven het dossier te gaan staan en de vraag te stellen: wat is nou wijsheid? In  veel debatten over ontwikkelingssamenwerking domineren de sweeping statements. Aan de ene kant zetten we in Nederland het beeld neer van zielige mensen in Afrika die niets te eten hebben, waar we acuut wat aan moeten doen. En van de andere kant het beeld van corruptie, machtswellust, verspilling en inefficiënte hulporganisaties. Ieder kan die beelden koesteren en de ander voor moreel slecht uitmaken. Wij wilden daar vandaan blijven en ook niet in de klassieke links/rechts tegenstelling verzanden. Het is niet zo dat je daarmee depolitiseert of een glad verhaal aflevert, maar we hebben lof gekregen uit kringen van VVD-CDA, maar ook van SP-GroenLinks.”

Sowieso zijn de ideologische randjes er bij het politieke debat over ontwikkelingsamenwerking enigszins afgeslepen. GroenLinks kon met een rapport komen waarin de rol van de private sector werd benadrukt.
`Ja, het bedrijfsleven is minder verdacht geworden. Links heeft traditioneel altijd een wat lastige verhouding gehad tot de economie, tot de productieve sectoren. De focus lag meer op herverdeling van de middelen, via belasting en via de stelsels van sociale zekerheid. Rechts zei: laten we de koek eerst maar eens groter maken, voor we gaan discussieren hoe we ‘m moeten verdelen. ”

Is de pro poor growth, groei die ten goede komt aan de armsten, dan op zijn retour?
“Nou, in de westerse samenleving kun je een debat hebben over herverdeling van middelen. Maar voor ontwikkelingslanden is zo’n perspectief, ook voor links, toch lastig. Al zien sommigen ontwikkelingssamenwerking nog steeds  als een vorm van mondiale herverdeling. Dat is echt een problematisch idee.”

Wij moeten inleveren om het voor hen beter te maken, naar Jan Pronk.
“Ja, maar daar is ontwikkelingssamenwerking een heel slecht instrument voor. Als je vindt dat de welvaart op mondiaal niveau herverdeeld moet worden, dan moet je instrumenten bedenken die daar bij passen. Dan heb je het over een Tobin-tax bijvoorbeeld. Of je moet zorgen dat er een internationaal minimumloon komt. Ontwikkelingssamenwerking zal er primair op gericht moeten zijn landen in staat te stellen zelfredzaam te worden. In die zin is het een helder verhaal, voor links zowel als voor rechts. Voor een land als Tsjaad heeft het weinig zin een debat te voeren over herverdeling. Daar heb je wel een elite natuurlijk, dat zie je in meer Afrikaanse landen. Maar er is geen middenklasse die ook aanspraak maakt op een groot deel van de welvaart en de eerlijke verdeling van het geld aankaart. Eerst moeten dit soort landen groeien, daar is iedereen het wel over eens.”

Waaover bent u anders gaan denken door de discussie over het rapport?
“In de Engelse versie hebben we geprobeerd het debat van het afgelopen jaar recht te doen. We hebben bijvoorbeeld kritiek gekregen op de summiere behandeling van de multilaterale hulp. Terwijl het Nederlandse multilaterale beleid zo mogelijk nog profiellozer is dan het bilaterale beleid. We hebben in de Engelse editie kritisch gekeken naar multilaterale instellingen, en ook naar Europa. Uit een efficiency-perspectief zou je kunnen pleiten voor verschuiving van de hulp naar Europa. Maar je ziet Europa in allerlei landen juist de 28e donor worden, waardoor de coördinatieproblemen alleen maar groter worden. Ze zijn op allerlei dossiers bezig, met eigen onderwijsprojectjes bijvoorbeeld, waar de individuele bilaterale donoren zich ook op richten. Dat druist in tegen het gevoel waardoor veel mensen nee tegen het grondwettelijk gedrag hebben gezegd: laat Europa doen waar het sterk is, en de lidstaten waar hun kracht ligt. Europa zou zich met regionale infrastructuren bezig moeten houden, zowel fysieke – wegen en energie – als politieke, handels- of monetaire structuren.
Iets soortgelijks geldt voor de VN, waarin UNDP een uitvoeringsorganisatie dreigt te worden in plaats van de klassieke VN-rol op zich te nemen van standaardisering, kennisuitwisseling en politieke bundeling.”

Wat heeft het debat over het rapport u geleerd over de sector?
“Het rapport heeft veel losgemaakt in de hulpsector. Dat gebeurde enerzijds omdat het een zekere inherente kwaliteit heeft, dat was de push factor. De pull factor school erin dat de sector behoefte had aan nieuwe grote verhalen. Daarvóór had je het debat gehad over het boek van Dambisa Moyo (Doodlopende hulp, red.). Men schrok toen van de klappen die aan de sector werden uitgedeeld en had niet direct een antwoord klaar. Je kunt Moyo bij de enkels afzagen, omdat ze immoreel is of dom, maar daarmee beantwoord je nog niet de vragen die zij stelt.”

Toch werd er in de sector nog het zuinigst op het rapport gereageerd.
“Ja, op het departement bijvoorbeeld is men er heel serieus mee aan de slag gegaan, en zijn er allerlei interne debatten geweest. Bij de hulporganisaties zijn het vooral individuen geweest die de confrontatie met het rapport zijn aangegaan. De grote organisaties hebben beloofd om het debat naar zich toe te trekken, maar dat is niet gebeurd. De branchevereniging Partos heeft in een reactie geconcludeerd dat er meer geld naar de maatschappelijke organisaties moest – dat was tamelijk voorspelbaar. Als je de ontwikkelingssector vergelijkt met sectoren als de gezondheidszorg en de sociale zekerheid, zie je dat men daar meer in staat is intelligente compromissen te bereiken, en gemeenschappelijke standpunten te formuleren die het debat weer verder brengen. De Raad voor de Volksgezondheid – bijvoorbeeld – heeft het debat over de toekomst van de zorg naar zich toegetrokken. We missen in Nederland ook een soort kristallisatiepunt in de ontwikkelingssamenwerking om het debat op een hoger plan te brengen, zoals het Overseas Development Institute in Engeland of het Center for Global Development in de VS.”

Het lijkt erop dat de sector de band met de samenleving is kwijtgeraakt en nu hevig geschrokken constateert dat ontwikkelingssamenwerking tot de linkse hobby’s wordt gerekend en het draagvlak afbrokkelt.
“Ja, dat heeft een paar oorzaken. Allereerst kun je als je heel eerlijk bent geen evidente serie successen van de klassieke ontwikkelingshulp aanwijzen in de laatste tien, vijftien jaar. Het beeld is dat Azië het op zichzelf heeft gedaan, en Afrika ondanks onze hulp corrupt is gebleven. De relevantie van de sector is ook teruggelopen. Toen ontwikkelingssamenwerking ooit begon, werd Afrika bij wijze van spreken ‘ontdekt’, ook door de media, en had iedereen het idee dat we er iets aan moesten doen. Nu is er een zekere vermoeidheid ontstaan. Ten tweede is men deze eeuw in alle westerse staten, en zeker ook in Noordwest-Europa de vraag gaan stellen: en wij dan, waar staan wij zelf? We noemen dat een vorm van nationalisme, maar dat is in de meeste gevallen niet de meest adequate term. Die beweging helpt ook niet. En  verder ontbreekt dus een kristallisatiepunt dat de sector samenbrengt en van waaruit een gezamenlijke strategie wordt bedacht.”

Beseft men wel de urgentie van die band met de samenleving?
“In mijn beeld – en nu generaliseer ik even – herkent de sector onvoldoende de mate waarin ze een gesloten geheel is geworden. Tot op het departement toe. Daar heeft iedereen toch wel een heilig geloof in wat hij doet terwijl honderd meter verderop, op straat, de scepsis over de hulp toch wel behoorlijk groot is. De instrumenten om iets aan die scepsis te doen zijn beperkt. Het gaat in klassieke termen nog steeds over draagvlakvergroting: we hebben een goed verhaal, maar we moeten het beter uitleggen. NCDO is ook ooit op die manier gepositioneerd. Dat past bij zendingsdrang, niet bij uitwisseling van gedachten en permanent debat. Datzelfde heb je rond Europa gezien: het werkt niet als je alleen maar probeert uit te leggen dat Europa fantastisch is. Op het moment dat de opiniepolls iets anders uitwijzen, kun je zendtijd bij RTL 4 kopen, maar dat werkt dan contraproductief: ‘er wordt ons iets door de strot geduwd’.”

U heeft in het WRR-rapport juist geprobeerd een nieuwe legitimatie voor ontwikkelingsamenwerking te formuleren, in het verlicht eigenbelang. Is dat geland?
“Nou, Nederland is heel erg bezig met haar verhouding tot de buitenwereld, zij het dat we daar nu een antwoord op geven in de zin van het herwinnen van de nationale identiteit, de deuren weer wat dicht doen en ons eigenbelang weer inhoud geven. Dat proces is een worsteling. Sommigen proberen die worsteling te ontlopen door te stellen dat je moet investeren in de wereld, dat een betere wereld goed is voor ons allemaal. En dan gaan ze voorbij aan de vraag wat Nederland en de Nederlanders daarbij te winnen hebben. Dat verhaal kan nog maar op een beperkt draagvlak rekenen, eigenlijk alleen bij de globaliserende elite. In het rapport halen wij het voorbeeld van de Noorse minister aan die eerst een traject startte: wat zijn de belangen van de Noren bij  een betere wereld in 2040. Als  hij die goed kon benoemen kon  hij aangeven waarom  hij er in moest investeren. Dat zouden wij ook moeten doen, anders wordt het heel moeilijk om blijvende betrokkenheid bij ontwikkelingssamenwerking te krijgen. Wij hebben daarom in het rapport een globaliseringsagenda voorgesteld met als doel na te denken over wat ons met de rest van de wereld bindt en waar onze belangen liggen. En dat moet verder gaan dan het klassieke verhaal dat we handelsbelangen hebben en dat we wereldwijd wat kunnen verkopen. Ook belangen als mondiale publieke goederen zul je moeten benoemen, en liefst zo concreet mogelijk.”

Als u nu op de stoel van Ben Knapen zou mogen zitten, wat zou u als eerste doen?
“Ben formuleert zijn eigen prioriteiten, die ga ik niet voor de voeten lopen. Met het rapport bepleiten we een soort dubbelslag. Enerzijds doorgaan met de klassieke hulp. Daarin kun je nog wel een slag maken als je een goede landenanalyse maakt, voor langere tijd toegevoegde waarde weet te genereren, en Nederlandse deskundigheid een plek geeft. Als tweede: de meeste ontwikkelingsvragen gaan op lange termijn geadresseerd worden  als vraagstukken van coherentie op internationaal niveau en als kwesties van mondiale publieke goederen. Nederland moet daar een strategie in ontwikkelen. Voor de komende tien jaar is de opdracht om de eerste component niet onmiddellijk af te stoten maar tegelijkertijd voorbereiding te treffen om ontwikkelingsvraagstukken te benoemen als onderdeel van regionale en mondiale vragen. Die omslag zou het kabinet voor kunnen bereiden. Directe hulp zal steeds meer beperkt blijven tot Afrika, en het accent komt gaandeweg op strategieën op het gebied van bijvoorbeeld voedselveiligheid, inclusief de vraag hoe we er voor kunnen zorgen dat Afrikaanse landen voldoende kunnen verdienen aan hun landbouwproducten en de baas kunnen blijven over een groot deel van hun landbouwgrond.”

Het hoeven dus niet per se barre tijden voor ontwikkelingssamenwerking te worden?
“Nee, integendeel. In ons rapport zit bijvoorbeeld een uitdaging aan met name de Nederlandse hulporganisaties: jullie claimen wel dat je al die civil societies kent, maar laat de professionaliteit en deskundigheid maar eens blijken in goede landenanalyses. Het antwoord van de organisaties is daar nog niet op gekomen. In het regeerakkoord wordt ‘het maatschappelijk middenveld’ als een van de sterke punten van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking geïdentificeerd. Dus heb je in ieder geval, met dank aan dit regeerakkoord, weer een vervolgperspectief. Het kan leiden tot de – voor sommigen misschien wat cynische – situatie dat de regering Rutte de beste impuls heeft gegeven aan de Nederlandse ontwikkelingssector.”
Tekst Hans Ariëns, IS

Nieuwe energie

dinsdag, december 7th, 2010

Een burgerinitiatief van onder andere Hoogleraar duurzaamheid Herman Wijffels voor duurzame energie heeft in korte tijd meer dan 45.000 handtekeningen opgehaald. Daarmee heeft het een plaats op de agenda van de Tweede kamer verworven.
Het burgerinitiatief ‘Nederland krijgt nieuwe energie’ wordt vandaag aangeboden aan Kamer. Het doorkruist politieke barrières die normaal moeilijk te slechten zijn. Duurzaamheidsdenktanks van CDA, VVD, PvdA, D66, GroenLinks, SGP en ChristenUnie werkten samen aan het plan om de energievoorziening in Nederland ingrijpend te veranderen.

1. Formuleer als nationale prioriteit een volledig hernieuwbare energievoorziening in 2050, door  een jaarlijkse energiebesparing van 3% en een jaarlijkse groei in hernieuwbare energie van 7%.
2. Stel hiervoor duidelijke langjarige randvoorwaarden in een Deltawet Nieuwe Energie waarbinnen overheid, burgers en bedrijven volop ruimte krijgen voor initiatieven en innovaties.
3. Realiseer een stapsgewijze aanscherping van het algemeen aanvaarde principe dat de vervuiler betaalt door consequente fiscale vergroening.
4. Bied energie-intensieve bedrijven met ontheffingen de kans om binnen redelijke termijnen aan strenge normen te voldoen, zodat de internationale concurrentiepositie niet wordt aangetast.
5. Zorg voor een wettelijk vastgelegd teruglevertarief waarmee een consistent en stimulerend investeringsklimaat voor hernieuwbare energie en warmtekrachtkoppeling wordt gecreëerd.
6. Richt een Nationaal Energie Investeringsfonds op om de financiering van energiebesparende maatregelen en investeringen in opwekking van hernieuwbare energie laagdrempelig te maken.
7. Investeer zo snel mogelijk in een slimme energie-infrastructuur, waarmee het variabele hernieuwbare energieaanbod en de vraag goed op elkaar afgestemd kunnen worden.
8. Verplicht alle energieleveranciers tot een toenemend aandeel hernieuwbare energie en kondig per direct een nieuwbouwstop af voor conventionele centrales voor niet-hernieuwbare energie.
9. Bevorder energie-efficiënt gedrag met een breed scala aan overheidsmaatregelen zoals een sterk verbeterd openbaar vervoer, strengere productnormen, etc.
10. Investeer gericht in kennis en expertise op het nieuwe sleutelgebied “clean-tech”, waardoor ons land in 2015 in de wereldwijde top tien van deze enorme groeimarkt kan staan.

Kamer steunt beleid Knapen

maandag, december 6th, 2010

Staatssecretaris Ben Knapen voor Ontwikkelingssamenwerking kan waarschijnlijk door met zijn beleidsvoorstellen.

Een poging van een brede oppositie om de bezuinigingen op de hulporganisaties trager door te voeren of om de extra korting van 250 miljoen euro te verminderen, haalt zonder de steun van regeringspartij CDA geen meerderheid.

Dat bleek maandag tijdens het eerste grote debat met Knapen over zijn beleid. Het CDA wil weliswaar ook een lager tempo en geen extra kortingen, maar Tweede Kamerlid Kathleen Ferrier van deze partij zei dat ze er nog eens goed naar moet kijken.

”Het gaat om grote bedragen. Er is weinig ruimte op de begroting om te verschuiven”, zei ze na het debat.

Knapen komt volgend voorjaar met de uitwerking van zijn basisbrief, die hij eind november presenteerde. Kern daarvan is dat Nederland niet langer 0,8 van het bruto nationaal product aan ontwikkelingssamenwerking besteedt, maar de internationale norm van 0,7 procent aanhoudt.

Dat is een teruggang van 5 naar 4 miljard in twee jaar tijd. Ook wil hij toe naar meer economische ontwikkeling, waar Nederlandse bedrijven ook van profiteren.

De Tweede Kamer kan nog wel een spaak in het wiel steken van de beoogde bezuinigingen op hiv/aids-programma’s van 82 miljoen euro in 2011.

VVD en CDA zoeken naar andere dekkingen maar weten nog niet precies welke. De meeste andere partijen zijn ook tegen de bezuiniging en zoeken ook.

Knapen zelf vindt deze bezuiniging ook jammer, zei hij, maar wil die wel doorzetten. Nederland blijft volgens hem internationaal een grote donor voor aidsbestrijding. Wel zegde Knapen D66 toe om echt kwetsbare groepen bij de aidsbesparingen te ontzien.

Bezuinigingen Knapen zijn amputatie

maandag, december 6th, 2010

“Dit is geen korting meer te noemen. Dit is een amputatie,” schrijft Gert van Maanen, lid Raad van Toezicht Cordaid in Trouw van zaterdag 4 december. Van Maanen verbaast zich over het positieve hoofdredactioneel van de krant over de aangekondigde bezuinigingen van 142 miljoen euro voor ontwikkelingsorganisaties. Het overgrote deel van die bezuinigingen komt terecht bij de vier allianties Icco, Cordaid, Novib en Hivos.

“De vier hebben, in de loop van tientallen jaren, daartoe gestimuleerd en mede gefinancierd door de overheid, een uitgebreid overzees netwerk opgebouwd. Dat netwerk omvat meer dan 3000 grotere en kleinere, lokale organisaties in ontwikkelingslanden, die zich alle bezighouden met de onderkant van de samenleving. Van de machthebbers ter plekke krijgen zij geen steun, van Nederland wel,” schrijft Van Maanen. “Als gevolg van de bezuinigingen moet de samenwerking met een kwart van deze 3000 organisaties worden beëindigd.” En er is geen overgangsfase, waarin zij andere financiers kunnen zoeken.

De staatssecretaris wil in de toekomst het subsidiestelsel verder ter discussie stellen. Knapen vindt dat de ontwikkelingsorganisaties hun geld meer uit de samenleving moeten halen. Van Maanen vindt dat een vreemde redenering. “de zes grootste ontwikkelingsorganisaties
hebben samen bijna 2,4 miljoen donateurs. Al die donateurs samen dragen jaarlijks 250 miljoen euro bij, een enorm bedrag. Er zijn nauwelijks voorbeelden te bedenken van een groter draagvlak. Bovendien zijn er weinig staatssecretarissen met zo’n grote achterban, die zich zo duidelijk manifesteert.”

“Ben Knapen schrijft dat het nieuwe beleid zich moet concentreren op ontwikkelingsthema’s waar Nederland sterk is en het verschil kan maken. Hij wil alleen nog projecten steunen met ’herkenbare Nederlandse meerwaarde door kennis, ervaring en betrokkenheid van de samenleving’. Prima! In dat verband concludeert Knapen dat voedselzekerheid en water hoog scoren en derhalve speerpunten worden van het nieuwe beleid. Nederland gaat een zwaarder accent leggen op economische factoren dan op sociale. Maar waar was Nederland ook alweer goed in? Ons land krijgt juist internationale waardering voor de vele kennis en ervaring met juist de meer sociale aspecten
van ontwikkelingssamenwerking.”

Verbod EU goedkope medicijnen voor ontwikkelingslanden dreigt

woensdag, december 1st, 2010

Stella’s leven is in balans. Vier jaar geleden werd ze geboren, HIV-positief. Haar moeder, Rebecca Mbabazi, 23 jaar jong, ondekte net als veel andere moeders in Oeganda, dat ze besmet was met het virus toen ze al zwanger was.

Moeder en dochter leven aan de rand van het Bwindiwoud in het westen van het land. Het gebied is beroemd vanwege de gorilla’s, maar werd berucht door het hoge aantal HIV / Aids besmettingen.

Net als de meeste kinderen houdt Stella niet van pillen – ze trekt een komisch gezicht als de medicijnen ter sprake komen. Maar ze neemt ze trouw in, twee keer per dag. Dat redt haar leven. Maar hoe lang nog? Als het aan de Europese Unie ligt zal de levering van goedkope medicijnen, waar Stella afhankelijk van is, stoppen.

Op Wereld Aids Dag publiceert de Britse krant The Independent het schokkende verhaal van Stella en de noodzaak van goedkopen medicijnen.

De medicijnen waar Stella’s leven van afhangt komen uit Hyderabad, India. De stad is het centrum van de farmaceutische industrie die miljoenen mensen in ontwikkelingslanden het leven heeft gered. India is, door de produktie van goedkope, uit het Westen gekopieerde medicijnen, de “apotheek van de derde wereld” geworden. Het land levert meer dan 80 procent van de aidsremmers in Afrika. Door deze farmaceutische produktie zijn de kosten van behandeling van een HIV-patiënt in een ontwikkelingsland gedaald van 500 dollar per jaar naar 70 dollar.

Volgende week kan daar wel eens een einde aan komen. De EU begint dan in Brussel handelsbesprekingen met India. Een van de agendapunten is het patentrecht van de Europese farmaceutische industrie. Als de onderhandelingen tot een akkoord leiden, kan dit wel eens het einde van de goedkope HIV-medicijnen zijn. De ontwikkeling van nieuwe en goedkope medicijnen zal een vertraging oplopen van 10 tot 15 jaar.

Artsen Zonder Grenzen voert actie tegen het voorstel van de EU.

YouTube voorvertoningsafbeelding