De hulporganisaties konden er niet zo veel mee, maar de experts, de media en het publiek des te meer. Het WRR-rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’ groeide uit tot de nieuwe ‘bijbel’ voor ontwikkelingssamenwerking. Nu vormt het de hoeksteen voor het nieuwe ontwikkelingsbeleid van Ben Knapen. IS sprak met de geestelijk vader Peter van Lieshout.
Het was de bekroning voor een rapport dat toch al niet over waardering te klagen had. “Het ontwikkelingsbeleid wordt fundamenteel herzien en gemoderniseerd, waarbij het rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid als leidraad dient”, zo luidt de eerste zin van het regeerakkoord van VVD en CDA over ontwikkelingssamenwerking. Peter van Lieshout, hoofdauteur van het rapport, kan er niet anders dan verguld mee zijn. En dan ligt die uitvoering van het rapport ook nog eens in handen van staatssecretaris Ben Knapen, tot voor kort Van Lieshouts collega bij de WRR.
Eigenlijk had het hele project ‘ontwikkelingssamenwerking opschudden’ al afgerond moeten zijn, maar de ontwikkelingssamenwerking is nog niet klaar met Peter van Lieshout – en omgekeerd. “Het zou zonde zijn om ontwikkelingssamenwerking nu terzijde te schuiven. Dat is kapitaalverlies vanwege de deskundigheid die we hebben opgebouwd, maar ook jammer vanwege mijn eigen drijfveren. Ontwikkelingsvraagstukken blijven de meest intrigerende vragen die er zijn, zowel in intellectuele als in maatschappelijke zin.” Hoe zijn verdere betrokkenheid praktisch vorm krijgt is nog onduidelijk.
Bekruipt u niet een klein beetje twijfel dat het kabinet dadelijk een ‘platte’ versie van uw rapport uitvoert: met veel nadruk op de rol van de private sector bij ontwikkeling, maar weinig aandacht voor mondiale publieke goederen zoals klimaat en biodiversiteit?
“Dat selectief shoppen in het rapport valt wel mee, vind ik. De coherentie van het kabinetsbeleid op het gebied van klimaat, energie en water wordt tamelijk zwaar aangezet. Je kunt exegese op de tekst van het regeerakkoord gaan plegen in de trant van: er worden meer zinnen gewijd aan economische ontwikkeling dan aan publieke goederen, maar dan doe je de status van zo’n tekst geen recht. Er staat dat het WRR-rapport dé leidraad is, er wordt geen gas teruggenomen en er worden ook geen punten uit het rapport uitgezonderd.”
Het regeerakkoord biedt wat u betreft voldoende basis voor een goed ontwikkelingsbeleid?
“Ja. Maar je zult dadelijk ongetwijfeld discussies krijgen of sommige onderdelen van Knapens nieuwe beleid wel in de geest van het rapport zijn.
Het is altijd onze bedoeling geweest, expressis verbis, om een verhaal over ontwikkelingssamenwerking te schrijven dat niet op voorhand politiek te duiden is. Dat is ook de rol van de WRR, om boven het dossier te gaan staan en de vraag te stellen: wat is nou wijsheid? In veel debatten over ontwikkelingssamenwerking domineren de sweeping statements. Aan de ene kant zetten we in Nederland het beeld neer van zielige mensen in Afrika die niets te eten hebben, waar we acuut wat aan moeten doen. En van de andere kant het beeld van corruptie, machtswellust, verspilling en inefficiënte hulporganisaties. Ieder kan die beelden koesteren en de ander voor moreel slecht uitmaken. Wij wilden daar vandaan blijven en ook niet in de klassieke links/rechts tegenstelling verzanden. Het is niet zo dat je daarmee depolitiseert of een glad verhaal aflevert, maar we hebben lof gekregen uit kringen van VVD-CDA, maar ook van SP-GroenLinks.”
Sowieso zijn de ideologische randjes er bij het politieke debat over ontwikkelingsamenwerking enigszins afgeslepen. GroenLinks kon met een rapport komen waarin de rol van de private sector werd benadrukt.
`Ja, het bedrijfsleven is minder verdacht geworden. Links heeft traditioneel altijd een wat lastige verhouding gehad tot de economie, tot de productieve sectoren. De focus lag meer op herverdeling van de middelen, via belasting en via de stelsels van sociale zekerheid. Rechts zei: laten we de koek eerst maar eens groter maken, voor we gaan discussieren hoe we ‘m moeten verdelen. ”
Is de pro poor growth, groei die ten goede komt aan de armsten, dan op zijn retour?
“Nou, in de westerse samenleving kun je een debat hebben over herverdeling van middelen. Maar voor ontwikkelingslanden is zo’n perspectief, ook voor links, toch lastig. Al zien sommigen ontwikkelingssamenwerking nog steeds als een vorm van mondiale herverdeling. Dat is echt een problematisch idee.”
Wij moeten inleveren om het voor hen beter te maken, naar Jan Pronk.
“Ja, maar daar is ontwikkelingssamenwerking een heel slecht instrument voor. Als je vindt dat de welvaart op mondiaal niveau herverdeeld moet worden, dan moet je instrumenten bedenken die daar bij passen. Dan heb je het over een Tobin-tax bijvoorbeeld. Of je moet zorgen dat er een internationaal minimumloon komt. Ontwikkelingssamenwerking zal er primair op gericht moeten zijn landen in staat te stellen zelfredzaam te worden. In die zin is het een helder verhaal, voor links zowel als voor rechts. Voor een land als Tsjaad heeft het weinig zin een debat te voeren over herverdeling. Daar heb je wel een elite natuurlijk, dat zie je in meer Afrikaanse landen. Maar er is geen middenklasse die ook aanspraak maakt op een groot deel van de welvaart en de eerlijke verdeling van het geld aankaart. Eerst moeten dit soort landen groeien, daar is iedereen het wel over eens.”
Waaover bent u anders gaan denken door de discussie over het rapport?
“In de Engelse versie hebben we geprobeerd het debat van het afgelopen jaar recht te doen. We hebben bijvoorbeeld kritiek gekregen op de summiere behandeling van de multilaterale hulp. Terwijl het Nederlandse multilaterale beleid zo mogelijk nog profiellozer is dan het bilaterale beleid. We hebben in de Engelse editie kritisch gekeken naar multilaterale instellingen, en ook naar Europa. Uit een efficiency-perspectief zou je kunnen pleiten voor verschuiving van de hulp naar Europa. Maar je ziet Europa in allerlei landen juist de 28e donor worden, waardoor de coördinatieproblemen alleen maar groter worden. Ze zijn op allerlei dossiers bezig, met eigen onderwijsprojectjes bijvoorbeeld, waar de individuele bilaterale donoren zich ook op richten. Dat druist in tegen het gevoel waardoor veel mensen nee tegen het grondwettelijk gedrag hebben gezegd: laat Europa doen waar het sterk is, en de lidstaten waar hun kracht ligt. Europa zou zich met regionale infrastructuren bezig moeten houden, zowel fysieke – wegen en energie – als politieke, handels- of monetaire structuren.
Iets soortgelijks geldt voor de VN, waarin UNDP een uitvoeringsorganisatie dreigt te worden in plaats van de klassieke VN-rol op zich te nemen van standaardisering, kennisuitwisseling en politieke bundeling.”
Wat heeft het debat over het rapport u geleerd over de sector?
“Het rapport heeft veel losgemaakt in de hulpsector. Dat gebeurde enerzijds omdat het een zekere inherente kwaliteit heeft, dat was de push factor. De pull factor school erin dat de sector behoefte had aan nieuwe grote verhalen. Daarvóór had je het debat gehad over het boek van Dambisa Moyo (Doodlopende hulp, red.). Men schrok toen van de klappen die aan de sector werden uitgedeeld en had niet direct een antwoord klaar. Je kunt Moyo bij de enkels afzagen, omdat ze immoreel is of dom, maar daarmee beantwoord je nog niet de vragen die zij stelt.”
Toch werd er in de sector nog het zuinigst op het rapport gereageerd.
“Ja, op het departement bijvoorbeeld is men er heel serieus mee aan de slag gegaan, en zijn er allerlei interne debatten geweest. Bij de hulporganisaties zijn het vooral individuen geweest die de confrontatie met het rapport zijn aangegaan. De grote organisaties hebben beloofd om het debat naar zich toe te trekken, maar dat is niet gebeurd. De branchevereniging Partos heeft in een reactie geconcludeerd dat er meer geld naar de maatschappelijke organisaties moest – dat was tamelijk voorspelbaar. Als je de ontwikkelingssector vergelijkt met sectoren als de gezondheidszorg en de sociale zekerheid, zie je dat men daar meer in staat is intelligente compromissen te bereiken, en gemeenschappelijke standpunten te formuleren die het debat weer verder brengen. De Raad voor de Volksgezondheid – bijvoorbeeld – heeft het debat over de toekomst van de zorg naar zich toegetrokken. We missen in Nederland ook een soort kristallisatiepunt in de ontwikkelingssamenwerking om het debat op een hoger plan te brengen, zoals het Overseas Development Institute in Engeland of het Center for Global Development in de VS.”
Het lijkt erop dat de sector de band met de samenleving is kwijtgeraakt en nu hevig geschrokken constateert dat ontwikkelingssamenwerking tot de linkse hobby’s wordt gerekend en het draagvlak afbrokkelt.
“Ja, dat heeft een paar oorzaken. Allereerst kun je als je heel eerlijk bent geen evidente serie successen van de klassieke ontwikkelingshulp aanwijzen in de laatste tien, vijftien jaar. Het beeld is dat Azië het op zichzelf heeft gedaan, en Afrika ondanks onze hulp corrupt is gebleven. De relevantie van de sector is ook teruggelopen. Toen ontwikkelingssamenwerking ooit begon, werd Afrika bij wijze van spreken ‘ontdekt’, ook door de media, en had iedereen het idee dat we er iets aan moesten doen. Nu is er een zekere vermoeidheid ontstaan. Ten tweede is men deze eeuw in alle westerse staten, en zeker ook in Noordwest-Europa de vraag gaan stellen: en wij dan, waar staan wij zelf? We noemen dat een vorm van nationalisme, maar dat is in de meeste gevallen niet de meest adequate term. Die beweging helpt ook niet. En verder ontbreekt dus een kristallisatiepunt dat de sector samenbrengt en van waaruit een gezamenlijke strategie wordt bedacht.”
Beseft men wel de urgentie van die band met de samenleving?
“In mijn beeld – en nu generaliseer ik even – herkent de sector onvoldoende de mate waarin ze een gesloten geheel is geworden. Tot op het departement toe. Daar heeft iedereen toch wel een heilig geloof in wat hij doet terwijl honderd meter verderop, op straat, de scepsis over de hulp toch wel behoorlijk groot is. De instrumenten om iets aan die scepsis te doen zijn beperkt. Het gaat in klassieke termen nog steeds over draagvlakvergroting: we hebben een goed verhaal, maar we moeten het beter uitleggen. NCDO is ook ooit op die manier gepositioneerd. Dat past bij zendingsdrang, niet bij uitwisseling van gedachten en permanent debat. Datzelfde heb je rond Europa gezien: het werkt niet als je alleen maar probeert uit te leggen dat Europa fantastisch is. Op het moment dat de opiniepolls iets anders uitwijzen, kun je zendtijd bij RTL 4 kopen, maar dat werkt dan contraproductief: ‘er wordt ons iets door de strot geduwd’.”
U heeft in het WRR-rapport juist geprobeerd een nieuwe legitimatie voor ontwikkelingsamenwerking te formuleren, in het verlicht eigenbelang. Is dat geland?
“Nou, Nederland is heel erg bezig met haar verhouding tot de buitenwereld, zij het dat we daar nu een antwoord op geven in de zin van het herwinnen van de nationale identiteit, de deuren weer wat dicht doen en ons eigenbelang weer inhoud geven. Dat proces is een worsteling. Sommigen proberen die worsteling te ontlopen door te stellen dat je moet investeren in de wereld, dat een betere wereld goed is voor ons allemaal. En dan gaan ze voorbij aan de vraag wat Nederland en de Nederlanders daarbij te winnen hebben. Dat verhaal kan nog maar op een beperkt draagvlak rekenen, eigenlijk alleen bij de globaliserende elite. In het rapport halen wij het voorbeeld van de Noorse minister aan die eerst een traject startte: wat zijn de belangen van de Noren bij een betere wereld in 2040. Als hij die goed kon benoemen kon hij aangeven waarom hij er in moest investeren. Dat zouden wij ook moeten doen, anders wordt het heel moeilijk om blijvende betrokkenheid bij ontwikkelingssamenwerking te krijgen. Wij hebben daarom in het rapport een globaliseringsagenda voorgesteld met als doel na te denken over wat ons met de rest van de wereld bindt en waar onze belangen liggen. En dat moet verder gaan dan het klassieke verhaal dat we handelsbelangen hebben en dat we wereldwijd wat kunnen verkopen. Ook belangen als mondiale publieke goederen zul je moeten benoemen, en liefst zo concreet mogelijk.”
Als u nu op de stoel van Ben Knapen zou mogen zitten, wat zou u als eerste doen?
“Ben formuleert zijn eigen prioriteiten, die ga ik niet voor de voeten lopen. Met het rapport bepleiten we een soort dubbelslag. Enerzijds doorgaan met de klassieke hulp. Daarin kun je nog wel een slag maken als je een goede landenanalyse maakt, voor langere tijd toegevoegde waarde weet te genereren, en Nederlandse deskundigheid een plek geeft. Als tweede: de meeste ontwikkelingsvragen gaan op lange termijn geadresseerd worden als vraagstukken van coherentie op internationaal niveau en als kwesties van mondiale publieke goederen. Nederland moet daar een strategie in ontwikkelen. Voor de komende tien jaar is de opdracht om de eerste component niet onmiddellijk af te stoten maar tegelijkertijd voorbereiding te treffen om ontwikkelingsvraagstukken te benoemen als onderdeel van regionale en mondiale vragen. Die omslag zou het kabinet voor kunnen bereiden. Directe hulp zal steeds meer beperkt blijven tot Afrika, en het accent komt gaandeweg op strategieën op het gebied van bijvoorbeeld voedselveiligheid, inclusief de vraag hoe we er voor kunnen zorgen dat Afrikaanse landen voldoende kunnen verdienen aan hun landbouwproducten en de baas kunnen blijven over een groot deel van hun landbouwgrond.”
Het hoeven dus niet per se barre tijden voor ontwikkelingssamenwerking te worden?
“Nee, integendeel. In ons rapport zit bijvoorbeeld een uitdaging aan met name de Nederlandse hulporganisaties: jullie claimen wel dat je al die civil societies kent, maar laat de professionaliteit en deskundigheid maar eens blijken in goede landenanalyses. Het antwoord van de organisaties is daar nog niet op gekomen. In het regeerakkoord wordt ‘het maatschappelijk middenveld’ als een van de sterke punten van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking geïdentificeerd. Dus heb je in ieder geval, met dank aan dit regeerakkoord, weer een vervolgperspectief. Het kan leiden tot de – voor sommigen misschien wat cynische – situatie dat de regering Rutte de beste impuls heeft gegeven aan de Nederlandse ontwikkelingssector.”
Tekst Hans Ariëns, IS