Archief voor 2011

Wapenhandel vol van chantage en omkoperij

donderdag, december 22nd, 2011

Het kabinet weigert een algemeen verbod in te stellen op de export van wapens naar landen waar mensenrechten worden geschonden. Eerder deze maand lieten de bewindslieden minister Rosenthal en staatssecretaris Bleker dat al middels een brief in antwoord op een door de Tweede Kamer aangenomen motie weten.

Het aloude gezegde van de koopman versus de dominee laat zich opnieuw weer eens gelden. Dat dictaturen in het Midden-Oosten hun bevolking onderdrukken met hulp van onder meer door Nederland geleverd wapentuig laat onverlet dat het Nederlands kabinet veel retoriek over mensenrechten de wereld in stuurt. Loze woorden, maar dat moet ook wel aangezien Nederland al decennia lang in de top-10 van wapenexporterende landen staat. Die winstgevende bedrijfstak willen we niet teveel voor de voeten lopen, al worden moedige demonstranten in Arabische landen ermee van de straat geschoten.

In zijn nieuwe boek ‘The Shadow World: Inside the Global Arms Trade’ doet de Zuidafrikaanse oud-politicus Andrew Feinstein een boek (672 pp) open over hoe die schimmige wereld van wapenhandel werkt. “De kern van de handel in wapens is omkoping, betalingen op grote schaal die zowel de elites in de landen die de wapens kopen als de wapenhandelaars in de verkopende landen rijk maken. Hoewel politieke agenda’s soms een rol spelen in wie welke wapens krijgt, is de heersende ideologie achter de handel hebzucht,” schrijft Feinstein. Hij wijst Saudi-Arabië aan als het land dat deze vorm van corruptie tot kunst heeft verheven, en noemt in zijn boek een voorbeeld van het handjeklap van Ryad met de Britse regering van Tony Blair. ToenLonden onderzoek wilde laten doen naar mogelijke omkoperij in  een wapenhandeldeal, dreigden de Saudi’s de aankoop (en mogelijke latere aanschaf) stop te zetten en wilde ze de samenwerking op veiligheidsgebied beëindigen. “Opschorting van de Saudische samenwerking met de Britse geheime dienst zal leiden tot ‘bloed in de straten van Londen’,” schreef prins Bandar aan Blair. De Britse premier gaf direct toe.

Westerse landen hebben vooral sinds 2001 zich met handen en voeten  gebonden aan dictaturen in het Midden-Oosten en Zuid-Azië, alleen om kennis te vergaren van mogelijke veiligheidsbedreigingen (lees terrorisme). Die dictaturen chanteren het Westen om op zo gunstig mogelijke voorwaarden wapens te kunnen kopen. Aan de andere kant zorgt het anti-terrorismebeleid van overheden voor een “begerige gekte” bij wapenhandelaren, zoals een Amerikaanse militair het uitdrukte.

De Nederlandse regering gaat rustig mee in het dodelijke spel van omkoperij en chantage. Hoe vaak zal minister Rosenthal een briefje krijgen vanuit een schimmige dictatuur? Passages uit die brieven komen niet terecht in de toespraken vol mooie, maar betekenisloze woorden die de minister de wereld in stuurt…

Beleid tegen illegalen heeft tegendraads effect

donderdag, december 22nd, 2011

De criminalisering van mensensmokkel en illegaal huishoudelijk werk door de overheid staat in scherp contrast met het beeld dat de illegale migranten ervan hebben. Voor hen is het een manier om toegang te krijgen tot beter betaald werk. De overheid gaat aan deze werkelijkheid voorbij.
 
De afgelopen jaren hebben uitzonderlijke gevallen het beeld van de overheid over mensensmokkel en mensenhandel gedomineerd en het beleid op deze terreinen mede gestuurd. Denk aan het Dover-drama met Sister Ping, de Sneepzaak of de Marokkaanse slaaf op de Dappermarkt. Deze extreme zaken zijn beeldbepalend voor de komst, het verblijf en de gedwongen terugkeer van illegale vreemdelingen geworden. De overheid ziet mensensmokkel als een serieuze en ernstige vorm van georganiseerde misdaad die het migratiebeleid en de integratie van de gevestigde allochtonen ondermijnt.
 
Migranten daarentegen beschouwen het als een al dan niet betaalde dienst om familieleden bij zich te krijgen. Waar de overheid bang is voor de aanzuigende werking van versoepelingen in het migratiebeleid, doen de illegale vreemdelingen een informeel beroep op familieleden die toevallig in Nederland wonen. Waar de overheid illegaliteit criminaliseert, ziet de illegale vreemdeling zijn status als een min of meer vanzelfsprekende consequentie van zijn aanwezigheid zonder verblijfsdocumenten. Het is moderne slavernij met al zijn uitbuiting tegenover een sociaal arrangement met specifieke economische arbeidsverhoudingen met geaccepteerde en normatief begrensde uitbuiting. Kortom, rond de komst, het verblijf en de terugkeer van illegale vreemdelingen is er sprake van een kloof in betekenisgeving tussen de overheid en de migranten.
 
Het Nederlandse illegalenbeleid staat in het teken van het tegengaan en ontmoedigen van illegaal verblijf. Dat lijkt succesvol: telden onderzoekers in 2002 nog ruim 211.000 illegalen in Nederland, in 2009 was dit aantal meer dan gehalveerd tot ruim 97.000 personen die onrechtmatig in Nederland verblijven. Maar deze afname komt vooral door de insluiting van landen als Roemenië en Bulgarije in de Europese Unie en niet zozeer door een duidelijke afname van het aantal niet-westerse illegale vreemdelingen.
 
Uit onderzoek onder illegale vreemdelingen uit uiteenlopende herkomstlanden, met verschillende achtergronden en migratiemotieven, blijkt dat zij door het strengere beleid geen toegang meer hebben tot de voorzieningen van de verzorgingsstaat en evenmin tot ‘wit werk’. Illegalen zijn voor hun bestaan in toenemende mate aangewezen op ‘zwart werk’ en liefdadigheid. Illegale vreemdelingen maken deel uit van sociale arrangementen of morele economieën waarin de verhoudingen van illegalen met informele werkgevers en huisbazen bepaald worden door normen van wederkerigheid, patronen van risicomijdend gedrag en ideeën over rechtvaardigheid. Dit alles in een context waarin een overheid slecht benaderbaar is.
 
De titel van mijn oratie was ‘Moderne slavernij of gewoon werk?’. Vanuit het perspectief van de illegale vreemdelingen is er geen sprake van slavernij. Maar we kunnen de arbeidsverhoudingen tussen illegalen en hun werkgevers evenmin duiden als gewoon werk. Veeleer hebben we te maken met informele arbeid onder slechte en onzekere omstandigheden waarbij de arbeidsverhoudingen tussen de illegale vreemdelingen en de werkgevers vaak uit balans en soms ernstig verstoord zijn. Tegelijkertijd zijn er informele normen over rechtvaardigheid en onrecht die in samenhang met het risicomijdende gedrag van illegale vreemdelingen een rem vormen op de meer extreme vormen van negatieve wederkerigheid. De overheid gaat aan deze werkelijkheid voorbij. De terminologie van georganiseerde mensensmokkel – moderne slavernij en exploitatie – verhult de achterliggende sociale processen van in- en uitsluiting en economische processen van vraag en aanbod.

De overheid kiest in de aanpak van mensenhandel voor een juridische oplossing van wat in feite een normatieve problematiek is. De overheid kan zonder verklaringen van de slachtoffers van mensensmokkel tot veroordelingen komen, maar gaat daarbij voorbij aan bestaande sociale arrangementen. Daarmee wil ik overigens niet beweren dat de slachtoffers van mensenhandel zich niet in mensonterende situaties zouden kunnen bevinden. Maar er bestaat ook een andere werkelijkheid, met andere normen over wat rechtvaardig en onrechtvaardig is en waar betrokkene op informele manieren hun recht halen.
 
Een beleid dat steeds verder van de alledaagse werkelijkheid af komt te staan en als oplossing meer toezicht, meer controle en meer repressie aandraagt, draagt bij aan een verplaatsing en verharding van de problematiek. In de praktijk kunnen we deze processen al waarnemen. Met de toegenomen controle op prostitutie is mensenhandel onverminderd aanwezig en verdwijnt deze steeds meer backstage. Met de voorgenomen criminalisering van illegaal verblijf zal huisvesting en arbeid voor illegalen nog meer een schaars goed worden en krijgen de malafide of criminele aanbieders van diensten nog meer macht. Tegelijkertijd leren studies vanuit de gemeenschappen zelf hoe complex de mechanismen zijn die er spelen. Wederkerigheidsrelaties binnen sociale netwerken gaan hand in hand met wantrouwen. Toenemende controle zullen de bestaande sociale arrangementen beïnvloeden waarbij illegale migranten kwetsbaarder worden ten opzichte van de informele dienstverleners.
 
Ik heb tot dusverre niet gesproken over onderzoeksmethoden, maar om toekomstige vragen naar de komst, het illegaal verblijf en de terugkeer vanuit de perspectieven van betrokkenen te kunnen beantwoorden, dienen we hoe dan ook in contact te blijven met de direct betrokkenen. Met de zogenaamde kanslozen, de vertegenwoordigers van de nieuwe onderklasse, de illegalen en al die anderen die deel uitmaken van deze leefwereld. Er is wat mij betreft een blijvende noodzaak – naast allerlei ander vormen van dataverzameling – om onderzoek from below te verrichten. Een blijvende noodzaak voor meer ‘good old etnography’ zoals David Brotherton (2011) het zo mooi verwoordde. Niet om het exotische in de samenleving te laten zien, maar om het perspectief en de betekenissen van de betrokkenen te leren kennen en te contrasteren met de legitimiteit en effecten van het migratiebeleid. Het centraal stellen van een dergelijk perspectief en methode betekent investeren in goede, jonge criminologen met een scherp theoretisch oog, die bereid zijn om het veld in te trekken en oog hebben voor complexiteit en de humanitaire aspecten van de fenomenen onder studie.
 
Dit stuk is gebaseerd op de oratie die Richard Staring op 2 december 2011 heeft uitgesproken bij zijn  aantreden als bijzonder hoogleraar ‘Mobiliteit, toezicht en criminaliteit’ aan de Erasmus School of Law, Erasmus Universiteit Rotterdam.

Foto: Bas Bogers
Bron: Sociale Vraagstukken

NCDO signaleert groei aantal particuliere initiatieven

dinsdag, december 20th, 2011

Uit onderzoek van NCDO blijkt dat het aantal kleinschalige, vrijwillige ontwikkelingsorganisaties – Particuliere initiatieven (PI) – groeit. Ook worden steeds meer mensen actief als vrijwilliger in een PI, meldt het onderzoek.

NCDO wilde via het onderzoek onder 661 vrijwilligers weten wie deze vrijwilligers zijn en wat hen beweegt actief te worden in een PI? De resultaten van het onderzoek laten zien dat deze vrijwilligers gemiddeld 55 jaar zijn en, vergeleken met een dwarsdoorsnede van de Nederlandse bevolking, vaker man (60%) en vaker gelovig (50%) zijn. Tevens zijn deze vrijwilligers vaak hoger opgeleid (70%) en verdienen zij gemiddeld genomen bovenmodaal. Uit eerder onderzoek weet NCDO dat de meeste vrijwilligers actief worden in het PI naar aanleiding van een vakantie of langdurig verblijf in een ontwikkelingsland. Wanneer mensen eenmaal actief zijn binnen een PI, worden ze voornamelijk gedreven door de wens de wereld om hen heen beter te begrijpen. Daarnaast kunnen mensen via hun vrijwilligerswerk in het PI uitdrukking geven aan belangrijke waarden, zoals gerechtigheid, en hecht men belang aan de sociale contacten die men opdoet tijdens het vrijwilligerswerk.

Gemiddeld besteden PI-vrijwilligers 37 uur per maand aan hun activiteiten binnen het PI. Vergeleken met vrijwilligers in het algemeen is dit meer dan gemiddeld. Men besteedt deze uren voornamelijk aan fondsenwerving, bestuurlijke taken en administratie. De verschillen tussen de vrijwilligers in het aantal uren dat zij dit werk doen zijn groot. Voor sommigen blijft de vrijwillige inzet beperkt tot enkele uren per maand terwijl anderen er een fulltime job aan hebben. Het is daarom interessant te kijken welke factoren bepalend zijn voor de hoogte van het aantal vrijwilligersuren.
Ongeveer de helft van de vrijwilligers die deelnamen aan het CIDIN-onderzoek uit 2008-2009 is niet alleen actief als vrijwilliger binnen een PI, maar is eveneens de oprichter van dit initiatief. Oprichters besteden gemiddeld 46 uur per maand aan het vrijwilligerswerk binnen hun eigen organisatie. Mannen blijken gemiddeld genomen meer tijd te investeren in een PI dan vrouwen en getrouwde vrijwilligers zijn actiever dan ongetrouwde. Ook geldt dat mensen die zichzelf niet rekenen tot een kerk of andere religieuze instelling actiever zijn dan de kerkelijken.

Een belangrijke baat van vrijwilligerswerk wordt aangeduid als ‘de warme gloed’ (the warm glow): het levert mensen een fijn gevoel op. Onderzoek heeft laten zien dat dit gevoel sterker is als mensen er van overtuigd zijn dat hun bijdrage daadwerkelijk een verschil maakt. Op basis van geografische (fysieke) en psychologische (‘anders zijn’) afstand tussen de doelgroep van ontwikkelingsorganisaties en vrijwilligers, alsmede de complexiteit van ontwikkelingsproblemen wordt aangenomen dat ‘de warme gloed’ die vrijwilligers van ontwikkelingsorganisaties ervaren minder  hoog zal zijn. Dit zou dan weer resulteren in een beperktere inzet van vrijwilligers. De resultaten van dit onderzoek komen overeen met deze redenering.

NCDO verwachtte dat PI-vrijwilligers die een sterk geloof hebben in ontwikkelingssamenwerking in het algemeen en de effectiviteit en efficiëntie van ontwikkelingsorganisaties in het bijzonder, meer tijd zouden investeren in een PI. Ze zouden, meer dan hun kritische medevrijwilligers gemotiveerd worden door de gedachte dat hun bijdrage daadwerkelijk verschil maakt. Het tegendeel blijkt uit de resultaten: kritischere PI-vrijwilligers spenderen juist meer tijd aan het PI. Vaak wordt verondersteld dat PI’s worden opgericht vanwege een kritische houding ten aanzien van bestaande ontwikkelingsorganisaties. Echter, dit blijkt voor slechts 5% van de vrijwilligers de belangrijkste aanleiding te vormen om een PI op te richten of actief te worden binnen een PI. Dit onderzoek toont aan dat er wel een positief verband is tussen de kritische houding ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking en de mate waarin mensen zich inzetten in PI’s. Dit alles wekt de indruk dat PI-vrijwilligers hun werk zowel ervaren als een manier om uitdrukking te geven aan hun betrokkenheid op de wereld, als een alternatieve, doeltreffendere, manier om bij te dragen aan ontwikkelingssamenwerking.

Hoofdzaken: Hoofddoek en Hoofdboek

maandag, december 12th, 2011

Onderzoeksbureau Motivaction heeft onderzoek laten uitvoeren onder 1570 moslima’s (met en zonder hoofddoek) en andere Nederlandse vrouwen.

Moslima’s dragen hoofddoek uit vrije wil en niet uit onderdrukking. Dat zeggen bijna negen op de tien hoofddoekdraagsters. Van alle draagsters zegt 87% zelfs nooit aan haar keuze te twijfelen. Dat blijkt uit een landelijk onderzoek dat werd uitgevoerd ter gelegenheid van de publicatie van ‘Hoofdboek’, een grootschalig project dat Nederlanders een kijkje geeft in de wereld van hoofddoekdraagsters. Zes op de tien Nederlandse moslima’s in de leeftijd van 15 tot 35 jaar draagt tegenwoordig een hoofddoek. In tegenstelling tot wat Nederlanders denken, beginnen zij hiermee niet op hun 13e, maar gemiddeld pas als ze 19 jaar oud zijn. Slechts 16% is 13 of 14 jaar als ze voor het eerst een hoofddoek draagt. Het Nationaal Hoofddoekonderzoek maakt korte metten met vooroordelen die er onder Nederlanders heersen met betrekking tot dit beladen kledingstuk.

Zo blijkt uit de onderzoeksuitkomsten dat in meer dan de helft van de gezinnen (53%) waar de moeder een hoofddoek draagt, niet alle of zelfs geen enkele dochter dit ook doet. In totaal dragen 80.000 moslima’s een hoofddoek; 40.000 niet. [...]

De vrouwen dragen de hoofddoek met trots (93%). In tegenstelling tot wat sommige Nederlanders denken en zeggen, draagt slechts 15% een doek om haar aantrekkelijkheid te verbergen. 88% van de draagsters vindt dat je er met een hoofddoek aantrekkelijk uit kan zien. Veel Nederlanders (48%) blijken helemaal geen problemen te hebben met de hoofddoek. Vooral onder jongeren nemen het begrip en de tolerantie toe; van de vrouwelijke leeftijdsgenoten heeft 63% geen probleem met de hoofddoek.

Duidelijk beleid bij bedrijven
De acceptatie binnen bedrijven lijkt minder voorspoedig te verlopen. Volgens het merendeel van de ondervraagde moslima’s (62%) nemen Nederlandse bedrijven liever geen vrouwen met een hoofddoek in dienst. Dat beeld blijkt zelfs in versterkte mate te bestaan bij autochtone leeftijdsgenoten (78%). Veel bedrijven lijken het onderwerp echter dood te zwijgen en niet duidelijk te communiceren of – en in welke functies – ze een hoofddoek acceptabel vinden. Iedereen is unaniem in zijn oordeel: de meerderheid vindt dat ondernemingen meer duidelijkheid moeten bieden op dit vlak.
Het draait hierbij niet om het feit of bedrijven wel of geen hoofddoek op werkvloer toestaan. Het gaat de vrouwen om vooral om het scheppen van duidelijkheid. Als bedrijven hoofddoeken op de werkvloer niet toestaan, is dat niet per definitie een reden tot een boycot, zo blijkt. Moslima’s zijn hierin nog stelliger dan andere leeftijdsgenoten: 36% (vs. 28%) zou nog steeds producten kopen van bedrijven die het verbieden om een hoofddoek te dragen.
Opvallend is dat 18% van de niet-draagsters in het verleden wel een hoofddoek heeft gedragen. 31% geeft aan zich prettiger te voelen zonder. Toch geeft 41% aan gestopt te zijn met het bedekken van het haar om de kansen op een baan te vergroten. Ook discriminatie in het algemeen (19%) is een reden om niet langer een hoofddoek te dragen.

Werken met een hoofddoek
Het dragen van een hoofddoek onder werktijd is een beladen onderwerp, met veel verschillende meningen. Deze meningen zijn ook sterk verdeeld onder de respondenten van het hoofddoekonderzoek. Zo vindt 85% van de hoofddoekdraagsters dat je in elk beroep een hoofddoek moet mogen dragen. Moslima’s die hun haar niet bedekken zijn hier terughoudender in (58%), net als andere leeftijdsgenoten (29%). Beroepen waarin het volgens Nederlanders geen bezwaar is om een hoofddoek te dragen, zijn:
1. Schoonmaakster (84%)
2. Radiopresentatrice (82%)
3. Caissière supermarkt (70%)
4. Buschauffeur (58%)
5. Verpleegster (54%)

Toelichting op het onderzoek
Het Nationaal Hoofddoek Onderzoek is uitgevoerd door onderzoeksbureau Motivaction, in opdracht van het magazine Hoofdboek. Deels online, deels face tot face zijn moslima’s met en zonder hoofddoek en andere Nederlandse vrouwen in de leeftijd van 15-35 jaar geïnterviewd. Daarnaast is een aantal vragen uit het onderzoek ook gesteld aan de Nederlandse bevolking van 18 – 70 jaar. In totaal deden 1570 respondenten mee. Meer informatie: motivaction.nl.

Op basis van het onderzoek concludeert men dat zes van de 10 Nederlandse moslima’s in de leeftijd van 15-35 jaar een hoofddoek draagt. Het onderzoek richt zich, onder andere, op het ontkrachten van enkele misverstanden zoals hierboven al is vermeld. Meer precies betreft dit: Het Nationale Hoofddoek Onderzoek

Misverstand 1. Alle moslima’s moeten een hoofddoek dragen.
Misverstand 2. Alle meisjes beginnen op hun dertiende met een hoofddoek.
Misverstand 3. Moslima’s dragen de hoofddoek niet uit vrije wil.
Misverstand 4. De hoofddoek is er om de aantrekkelijkheid te verbergen.
Misverstand 5. Nederland heeft een probleem met de hoofddoek.

Interessant zijn ook de volgende uitkomsten:
•Gemiddeld hebben de vrouwen 34 hoofddoeken in de kast.
•Welke hoofddoek gedragen wordt, wordt bepaald door de stemming van de dag en of het een speciale dag is zoals tijdens de Ramadan, bruiloften en feestdagen en koninginnedag.
•Een hoofddoek wordt gezien als een belangrijke persoonlijke accessoire, maar worden ook frequent geruild binnen familie- en vriendenkring.
•Hoofddoek zouden steeds ‘modieuzer’ worden, dat wil zeggen gekleurd/veelkleurig en afgestemd op de rest van de kleding
•Naast een fashionstatement is een hoofddoek voor de dames primair een uiting van geloof en onderdeel van de eigen identiteit
•Favoriete winkels voor het kopen van de hoofddoek: Turkse en Marokkaanse winkels, H&M, V&D en Zara.
•Velen lijken te verklaren dat de hoofddoek pas wordt gedragen wanneer men ‘er klaar voor is’.
•Van de Nederlandse niet-moslims (denk ik) blijkt 8% voorstander van een hoofddoekenbelasting en 22% vindt dat de hoofddoek verboden moet worden.
•De Nederlandse moslima’s vinden de commotie over de hoofddoek zorgwekkend, eng en vervreemdend. De indruk die men heeft van de mening van ‘de Nederlander’ over de hoofddoek speelt mee in de beslissing wel of geen hoofddoek te dragen.
•Overigens vindt 23% van de Nederlandse bevolking (incl. moslima’s?) dat Nederland toleranter moet zijn. Bij jongeren ligt dat hoger.
•We kunnen spreken van een soort ‘burgerschapskloof’. Waar in de politiek nogal moeilijk gedaan zou worden over hoofddoeken, moslims en islam, blijkt dat in het leven van de jonge Nederlandse vrouwen er veel meer saamhorigheid en tolerantie te zijn.
•Met hoofddoek de arbeidsmarkt opgaan lijkt voor nogal wat problemen te kunnen zorgen. Sommigen passen zich aan aan de negatieve druk en de hoofddoek af, anderen niet. De indruk die men heeft van het bedrijfsleven is nogal negatief. Daarbij komt dat er veel moeite lijkt te zijn om moslimvrouwen met hoofddoek te accepteren in representatieve, zichtbare en beterbetaalde banen.

YouTube voorvertoningsafbeelding

Ik vind dit type onderzoeken altijd wat lastig. Een paar overwegingen hierbij:
1.Een onderzoeksbevinding op basis van 1570 respondenten extrapoleren naar 80.000 kan best, maar is ook wel wat tricky. Om dat te kunnen beoordelen zouden we meer moeten weten over de 1570 respondenten. Hoe is deze samengesteld? Wat zijn de achtergronden? Hoe verhoudt deze steekproef zich tot de algemene populatie? Wat is de non-respons? Motivaction is zeker geen simpel commercieel pruts onderzoeksbureautje, maar men blinkt vaak niet uit in methodische verantwoording en reflectie.
2.Het onderzoek maakt deel uit van een groter project ‘Hoofdboek‘ opgezet door de nieuwe stichting Cup of Culture. Deze stichting zet ‘maatschappelijke thema’s als merk neer‘. De ‘branding’ van hoofddoek heeft als doel ‘om de beeldvorming rondom het meest beladen kledingstuk te verrijken’. Dat gaat niet werken mensen. Je moet onderzoek niet insteken met als doel een verrijking of verbetering van de beeldvorming. Het werkt niet en wordt simpel (en in dit geval onterecht) weggezet als ongeloofwaardige reclame. Dat het niet werkt komt omdat alle onderzoeken die zich zo nodig moeten richten op het ontkrachten van misverstanden als ‘hoofddoeken worden gedragen onder dwang’ of ‘hoofddoeken en mode passen niet bij elkaar’ de tegenstelling tussen hoofddoek en vrije keuze of hoofddoek en mode voortdurend blijven herhalen en ook voortdurend ergens het issue van integratie herhalen. Opvallend in de hele discussie is het aspect van mode. De vooronderstelling lijkt te zijn dat zich ‘terughoudend’ kleden per definitie niet modieus en/of sexy is. Het houdt de tegenstelling tussen moslim en Nederlander in stand. Dat we nu een mooie vrouw hebben met (overigens niet heel veel verschillende typen) hoofddoeken doet daar weinig aan af.
3.De zin ‘Zodat we nu voor het eerst echt weten wat er nu leeft in “de hoofden onder de doek”‘ is tenenkrommend en doet ook geen recht aan al die onderzoeken waarin moslimvrouwen aan het woord komen over de hoofddoek. De zinsnede ‘Zodat we nu voor het eerst echt weten wat er nu leeft in “de hoofden onder de doek”‘ is ook zo problematisch omdat het moslimvrouwen vooral neerzet als exotisch, mysterieus en afstandelijk in plaats van als vrouwen van vlees en bloed met wie je gewoon een praatje kunt maken als familie, vriend, kennis, collega of buurtgenoot.
4.Onderzoeken als dit houden toch vooral het stereotype in stand dat alles waar het bij moslimvrouwen om gaat de hoofddoek is. Dat mogen vrouwen die een hoofddoek dragen misschien zelf vinden (dat blijkt niet uit het onderzoek) en dat mogen ook anti-islam politici en opiniemakers vinden, maar dat wil niet zeggen dat dat recht doet aan het leven van deze vrouwen (of aan moslima’s zonder hoofddoek).
5.Daarnaast versterkt dit type onderzoek nog een ander stereotype, namelijk dat vrouwen in het algemeen vooral bezig zijn met mooi-zijn en het volgen van de laatste mode. Dat is misschien zo voor sommige vrouwen, maar toch zeker niet alle. Er zijn meerdere overwegingen bij het kiezen van de kleding (dat is overigens wel te zien in dit onderzoek, zie hierboven).
6.Het lijkt mij dat maatschappelijke thema’s verkopen / aan de orde stellen als ‘merk’ een interessante vondst is, maar ook niet anders kan dan werken met stereotypes. Is ‘branding’ immers niet meer dan het reduceren van complexe maatschappelijke issues tot eenvoudig te hanteren stereotypes waaruit alle mogelijke diversiteit en alternatieven zijn verdwenen? Er zijn inderdaad heel interessante ontwikkelingen te zien met betrekking tot hoofddoek-mode, maar moeten we daarom vrouwen met hoofddoek gaan duwen in de mainstream schoonheidsidealen of zelfs seksistische beoordelingen? Alsof hoofddoek en schoonheid nog(!) niet bij elkaar horen en alsof mode met bijvoorbeeld skinny jeans en make-up (genoemd in het onderzoek) de enige schoonheidsjablonen zijn?
7.Let wel ik ben helemaal niet tegen onderzoek naar vrouwen die een hoofddoek dragen. Er zijn uitstekende onderzoeken die ook ingaan op de hoofddoek als mode-item. Zie bijvoorbeeld Annelies Moors: “Islamic Fashion” in Europe: Religious conviction, aesthetic style, and creative consumption‘, en het inleidende artikel van een special issue van het journal Fashion Theory van haar samen met Emma Tarlo. Laatst genoemde heeft een prachtig boek geschreven Visibly Musim – Fashion, Politics, Faith. In dit boek laat zij zien dat sluiers niet zomaar kledingstukken zijn maar altijd (en soms in een bijna overdreven manier) worden verbonden met identiteit, anders-zijn, geschiedenis en tradities, moraal, symbolen van onderdrukking of juist emancipatie met politieke statements. Zij doet dit, en dat is het sterke punt, door zaken als hoofddoek en mode te behandelen als onderdeel van het levensverhaal van de vrouwen en de persoonlijke ontwikkelingen die zij hebben doorgemaakt. Het motivaction onderzoek hier laat een glimp zien door (als zoveelste onderzoek) te stellen dat veel vrouwen misschien later een hoofddoek willen dragen, als ze er klaar voor zijn, als ze er sterk genoeg voor zijn. Maar verder dan dat komt men niet. Emma Tarlo wel en zij laat zien welke verschillende afwegingen vrouwen maken in verschillende fases van hun leven. Het wel of niet dragen van een hoofddoek is geen teken van een afgeronde definitieve identiteit, maar onderdeel van een persoonlijke reis in het zoeken naar een identiteit en naar zingeving. Zaken waar iedereen, niet alleen moslima’s, zich wel iets bij kunnen voorstellen. In plaats van het nogal homogeniserende 1 vrouw, 100 hoofddoeken, laat Tarlo zien dat er sprake is is van 100-en vrouwen en 1000-en kledingstukken in verschillende levensfases.

Bron: Closer

Het vreemde en het eigene

dinsdag, december 6th, 2011

Op 21 en 22 oktober dit jaar vond in het Academiegebouw in Groningen de wetenschappelijke conferentie Het vreemde en het eigene. Eenheid en verscheidenheid inzake mensenrechten en democratie plaats.

Vijftig wetenschappers uit onder andere de VS, Engeland, Turkije, Zuid-Korea, België en Nederland discussieerden aan de hand van elf voor de conferentie geschreven papers over toekomst en beleid ten aanzien van burgerschap in een multiculturele samenleving, de problematische verhouding tussen wereldburgerschap en de nationale staat, interetnische verhoudingen en mensenrechten. 
 
De conferentie werd geopend door Chris Huinder, bestuurssecretaris van FORUM. Hij sloot aan het einde van vrijdagmiddag de conferentie af en bedankte alle deelnemers voor hun inspirerende bijdragen. Hij merkte daarbij onder andere op dat FORUM nu een veelheid aan benaderingen en begrippen had meegekregen op basis waarvan we in staat moeten zijn analytisch dieper in de problematiek van de moderne multiculturele samenleving te kunnen doordringen en daardoor nog slagvaardiger met gedegen beleidsvoorstellen te kunnen komen.

De burgemeester van de stad Groningen, Peter Rehwinkel, verwelkomde de conferentiegangers namens de Provincie Groningen, de Universiteit Groningen en de Stad Groningen op donderdag in het stadhuis.

Een verslag van de conferentie is gebundeld onder de titel ‘Strangeness and Familiarity’. Te bestellen bij Forum. De afzonderlijke hoofdstukken zijn op de website te downloaden (pdf).

De conferentie was onderdeel van het Forumproject ‘De mens als vreemdeling’. In 2010 is het 50 jaar geleden dat het proefschrift “De Mens als Vreemdeling” van de filosoof Lolle Nauta (1929 – 2006) verscheen. FORUM grijpt dit gegeven aan om dat thema opnieuw te agenderen. In het kader van het project De mens als vreemdeling worden in het najaar van 2010 tal van activiteiten georganiseerd, zoals een publieksbijeenkomst, een wetenschappelijke conferentie, een essaywedstrijd, en een expositie. 

Binnen dit project staat de thematiek van het ‘vreemde’ en het ‘eigene’ centraal: Wat is er nog vreemd in onze inmiddels geglobaliseerde wereld? Wie is nog vreemdeling voor wie? Welke inhoud hebben begrippen als ‘het vreemde’ en ‘het eigene’ eigenlijk nog in een globale context? Hoe gaan wij, westerlingen om met de vreemdeling, en hoe kijkt die vreemdeling vanuit zijn of haar perspectief tegen ons aan? En wat betekent dat bijvoorbeeld voor de politiek.
 
Het project De mens als vreemdeling is een initiatief van FORUM. Het wordt uitgevoerd in samenwerking met de faculteit Wijsbegeerte van de Rijksuniversiteit Groningen, en met steun van de gemeente Groningen en het Je Maintiendrai Fonds.

Marokkaanse jongeren over homoseksualiteit

dinsdag, november 29th, 2011

22 Overwegend Marokkaanse (hetero) jongen praatten het afgelopen weekend met elkaar en met homo’s over hun perceptie van homoseksualiteit. Hun indrukken zijn vastgelegd in een korte videoreportage.

In De Dialoog praten mensen met verschillende achtergronden samen over homoseksualiteit. In een open gesprek wisselen zij hun ideeën en ervaring uit vanuit een culturele, religieuze of levensbeschouwelijke achtergrond. Stichting Malaica is gericht op het wegnemen van acceptatieweerstanden als gevolg van fricties en frustraties over homoseksualiteit. Samen organiseerden zij 26 en 27 november het “Shout Out.Respect 4 Diversity” trainingsweekend over homoseksualiteit voor 22 overwegend Marokkaanse jongeren . De hetero meiden en jongens hebben veel indrukken opgedaan, zo blijkt uit het videoverslag van de dag. Vooral de ontmoeting met ‘echte homo’s’ op zaterdagmiddag deed ogen openen. De meiden komen zichtbaar in beeld met hun ervaringen. Na enig aandringen wilde enkele Marokkaanse jongens wel vragen beantwoorden, mits ze niet herkenbaar in beeld zouden komen.

Bron: Wereldjournalisten

YouTube voorvertoningsafbeelding

Weigerambtenaar geen probleem – enquete Binnenlands Bestuur

vrijdag, november 25th, 2011

Bijna zeven van de tien lezers van Binnenlands Bestuur (68 procent) vinden dat een ambtenaar mag weigeren homostellen te trouwen. Dat blijkt uit de resultaten van een enquête gehouden via www.binnenlandsbestuur.nl. De enquête, bestaande uit vier stellingen, werd 6.936 keer ingevuld.

64 procent vindt dat het voldoende is als een gemeente er voor zorgt dat homostellen kunnen trouwen in de gemeente waar zij wonen. De helft (52 procent) van de respondenten kwalificeert de discussie over weigerambtenaren als een ‘Haagse discussie’.

Op de stelling ‘de beslissing over het al dan niet gedogen van weigerambtenaren is een principiële keuze die in Den Haag moet worden gemaakt en voor alle gemeenten moet gelden’, zegt 42 procent van de respondenten ‘ja’, 53 procent ‘nee’ en 5 procent weet het niet.

De Tweede Kamer nam vorige week een motie aan die bepaalt dat weigerambtenaren niet mogen aanblijven. Het kabinet heeft gezegd de motie vooralsnog niet uit te voeren, in afwachting van een advies van de Raad van State hoe om te gaan met weigerambtenaren.

Volgens CDA-minister Donner van Binnenlandse Zaken moet gelijke behandeling van burgers worden gegarandeerd, maar moet ook iedere Nederlander benoembaar zijn in overheidsdienst, ongeacht zijn persoonlijke opvattingen. Volgens een inventarisatie van homobelangenvereniging COC zijn er in Nederland 93 trouwambtenaren die vanuit hun levensovertuiging geen homohuwelijke willen sluiten.

Veel gemeenten eisen van nieuw aan te stellen trouwambtenaren dat zij alle volgens de wet mogelijke huwelijken sluiten. Volgens het COC zijn er 23 gemeenten die van die lijn afwijken.

In Binnenlands Bestuur van deze week staat een reportage gemaakt in het Zeeuwse Reimerswaal, dat twee weigerambtenaren telt. Burgemeester Aeilt Jan Huisman zegt: ‘Wij voeren de wet uit. Maar hoe wij dat doen, is onze zaak.’

Louise Fresco biedt Knapen prioriteitenlijst Rio+20

dinsdag, november 15th, 2011

Ben Knapen, staatssecretaris Buitenlandse Zaken, ontving begin november een prioriteitenlijst uit handen van Louise Fresco, voorzitter van het Nationaal Platform Rio+20, als inbreng van het Nederlandse maatschappelijk middenveld voor de VN-duurzaamheidsconferentie Rio+20 in juni 2012.
 
Knapen is verantwoordelijk bewindspersoon voor het Nederlandse internationale duurzaamheidsbeleid. De prioriteiten kwamen tot stand door inbreng van Nederlandse NGO’s, bedrijven, onderzoekers, jongeren en individuen. Ze zijn inspiratiebron voor een groene economie, noodzakelijk voor een duurzame toekomst.
 
Rio+20 vindt plaats precies 20 jaar na de Earth Summit in Rio de Janeiro. Hoofdthema’s zijn groene economie en het versterken van institutionele kaders. Alle landen in de wereld zijn bezig om hier een inspirerende bijdrage aan te leveren. In Nederland is hiertoe het onafhankelijk Nationaal Platform Rio+20 (NPRio+20) opgericht. Dit platform beoogt vanuit verschillende maatschappelijke geledingen, een concrete bijdrage te leveren aan de conferentie in Rio de Janeiro van volgend jaar. Het vrijdag overhandigde document stuurt het platform NPRio+20 zelf naar de VN-conferentie. Daarnaast werkt het platform aan aanbevelingen voor de Nederlandse regering.
 
Debatten tijdens bijeenkomsten en via sociale media resulteerden in een lijst van achttien versnellers voor duurzame ontwikkeling. “Met deze prioriteiten voor een duurzame toekomst laten we zien aan de Verenigde Naties welke concrete bijdrage Nederland kan leveren’’, aldus Louise Fresco. “Deze week, tijdens de Dag van de Duurzaamheid, laten we Nederland zelf zien wat mogelijk is en wat we al doen. Dat is veel meer dan de meeste mensen zelf beseffen.’’
 
Naast prioriteiten voor individuele sectoren zijn er aanbevelingen op sociaal/cultureel en economisch gebied. Voorbeelden zijn: economie heruitvinden, belastingen vergroenen, wettelijke basis voor duurzame ketens, kringlopen sluiten, dialoog stimuleren, duurzaam onderwijs, duurzame technologieën inzetten en duurzame educatie.
 
Staatssecretaris Knapen: ‘Het is goed dat een zo brede vertegenwoordiging uit de samenleving zich buigt over verduurzaming en betrokkenheid bij de vergadering van de Verenigde Naties toont. Ik ga nu nog niet in op de inhoud. Ik wacht eerst uw aanbevelingen voor het kabinetsstandpunt van de Nederlandse regering af. Deze hoop ik spoedig tegemoet te zien.’

MVO in 2012 ‘Natuurzaam’

maandag, november 7th, 2011

In de interviewserie ‘Is het einde van MVO in zicht’ had Duurzaamnieuws ditmaal een gesprek met Ton van Rooijen, voormalig docent business innovatie aan Nyenrode Business Universiteit en expert op het gebied van ‘greenpimpen’ en oprichter en mededirecteur van MVOkoploper Go-Greener.

Wat zou u nu doen als er geen MVO was?

Precies hetzelfde wat we nu doen: bewuster leven door te consuminderen. 
En zo zelf bijdragen aan een houdbare samenleving die meer in baans is. De marsrichting voor ons hierbij is: decentraal en groen. Dat betekent steeds minder afhankelijk zijn van overheden en gevestigde marktpartijen. Dus meer vrijheid. En dat realiseren we met onze eetbare tuin, eigen kippen, onze zelf opgewekte groene stroom, verwarming met onze houtkachel, zelf composteren van ons keuken- en tuinafval, hergebruik door kringloopwinkels en/of marktplaats, geen eenmalige plastic boodschappentasjes meer, geen E stoffen in ons voedsel, zelf broodbakken etc. 
Eigenlijk niets nieuws onder de zon. Onze (groot)ouders deden dat altijd al. 
Iedereen kan dat. Jong geleerd, later gedaan.

Is anno 2011 MVO een vanzelfsprekendheid geworden?
MVO en duurzaam was er altijd al. En de term duurzaam suggereert iets anders dan het is. ’Natuurzaam’ is misschien een beter begrip. De natuur is een onuitputtelijke inspiratiebron die we kunnen gebruiken om een meer houdbare samenleving te bewerkstelligen.
Weet je niet hoe je zelf ‘’natuurzaam’’ zou kunnen ondernemen? Ga de natuur in en vraag hoe zij dat doet. Als je daarvoor openstaat en er oog voor hebt, dan krijg je de antwoorden gewoon aangereikt. Gratis advies.

Een spaarlamp indraaien, vindt u dat ook MVO?
De tijd van ’’MVO dat doe je zo’’ is definitief voorbij. Bewuster gaan leven en daarmee bijdragen aan een houdbare samenleving doet ieder op zijn/haar manier, tempo en binnen de gegeven mogelijkheden.
Vertrekpunt daarbij voor mij is: zelf doen wat ik in de wereld veranderd zou willen zien. Dus geen ‘’vérplas-wedstrijd’’, certificering of be(ver)oordeling van MVO initiatieven, maar zelf doen en ervaring opdoen gevoed vanuit je eigen overtuiging/passie. Vier de resultaten die je zo bereikt met elkaar. Want met elkaar steeds meer Groen Doen werkt aanstekelijk en is cool. 
Dat geeft Pleasure. En daarmee krijgt de bedachte MVO term: People, Planet, Profit weer extra schwung.

Kunt u aan uw nichtje van 10 uitleggen wat MVO is? Hoe doet u dat dan?
Ik neem haar mee naar onze groentetuin, waar ze zelf gratis boodschappen kan doen voor het eten van vanavond. Ik laat haar de kippeneieren uit het leghok halen en ze geeft de kippen te eten met de kliekjes die we van de vorige dag over hebben. Kippepoepjes gaan in de kompostton.
Groente en eieren komen van het land en de kip en niet van AH. En bemeste kompost dat maak je zelf. En elektriciteit om je mobieltje, Ipod, Ipad of Play-station mee op te laden? Die maak je ook gewoon zelf op onze home trainer met aangesloten accu. Even trappen en direct resultaat. Dat is all-in one Natuurzaam: Gezonde voeding en Beweging en dat spelenderwijs.

In 2012 beleven we het einde van MVO. MOO ( Maatschappelijk onverantwoord ondernemen) wordt strafbaar. Wensdroom of gruweldroom?

Met het vingertje naar elkaar wijzen wat mag en niet mag dat is passe. Dat is oud denken / handelen. Beter is denk ik aan iedere organisatie en burger de vraag voor te leggen wat zij zichtbaar en aantoonbaar hebben bijgedragen aan een meer houdbare samenleving. Geen enkele organisatie kan zich permitteren in 2012 het antwoord hierop schuldig te blijven. Dan tel je als bedrijf ineens niet meer mee en ben je out of business. Niemand die je producten nog wil kopen of voor je zou willen werken. Niet natuurzaam ondernemen is not done en probleem lost zich zo vanzelf op.

Wat is uw groenste uitdaging voor 2012?
100% selfsupporting zijn met onze eigen groene opgewekte stroom, verwarming, watervoorziening, eigen biologisch gekweekt voedsel en geen afval meer. 
Voor 2013: groen tanken thuis.
Kortom steeds groener doen met behoud van comfort tegen aanmerkelijk lagere kosten. (geen BTW, geen accijns, geen prijsverhogingen, geen CO2 taks, geen ECO Tax) 
Je eigen Groen met minder Poen! Wat een vrijheid!

YouTube voorvertoningsafbeelding.

Vraag naar water stijgt enorm

woensdag, november 2nd, 2011

Net als olie in de 20e eeuw, zou water wel eens DE basisbehoefte kunnen worden waar het in de 21ste eeuw om gaat draaien. Mensen zijn sinds de vroegste dagen van de beschaving afhankelijk geweest van de toegang tot water, maar met de 7 miljard mensen die nu op de Aarde leven en de exponentieel groeiende verstedelijking en ontwikkeling, groeit de vraag naar water als nooit tevoren.

“Watergebruik is in de vorige eeuw toegenomen met meer dan twee maal de groeisnelheid van de bevolking”, zei Kirsty Jenkinson, van het World Resource Institute, een denktank uit Washington. Het gebruik van water zal naar verwachting tussen 2007 en 2025 in de ontwikkelingslanden met 50 procent toenemen, en met 18 procent in ontwikkelde landen. “Veel van het toegenomen gebruik vindt plaats in de allerarmste landen waar steeds meer mensen van het platteland naar de steden trekken”, zei Jenkinson in een telefonisch interview.

De gevolgen van de klimaatverandering in deze eeuw – meer ernstige overstromingen, droogtes en veranderingen als gevolg van wijzigingen in neerslagpatronen- zullen waarschijnlijk de armste mensen het eerst èn het zwaarst treffen. Daarmee hebben we een enorme uitdaging in handen”, aldus Jenkinson. Zal er genoeg water zijn voor iedereen, vooral als bevolking -zoals voorspeld- naar 9 miljard blijft groeien, halverwege deze eeuw?

“Er is veel water op Aarde, dus zullen we niet gauw zonder zitten”, zegt Rob Renner, executive director van de Water Research Foundation in Colorado.
”Het probleem is dat 97,5 procent van het water zout is en … van de resterende 2,5 procent zoet water is tweederde deel bevroren. Er staat de wereld dus niet veel zoet en vloeibaar water ter beschikking”.

“Slechts 8 procent van de zoetwatervoorraad van de planeet gaat naar huishoudelijk gebruik ,ongeveer 70 procent ervan wordt gebruikt voor irrigatie, en 22 procent in de industrie”, zei Jenkinson.

Droogtes en onvoldoende regenval dragen bij aan wat bekend staat als het waterrisico, en dat slaat ook op overstromingen en vervuiling. “Wat nodig is” zei Jenkinson, “is integraal waterbeheer dat rekening houdt met wie welk soort water nodig heeft, evenals hoe en waar dat water het meest efficiënt kan worden gebruikt”.

“Water gaat snel een beperkende factor in ons leven worden”, zegt Ralph Eberts, executive vicepresident van Black & Veatch, een technisch bedrijf met een omzet van een 2,3 miljard dollar, dat watersystemen ontwerpt, en dat actief is in meer dan 100 landen. Hij zei dat hij een ‘herprioritering’ van middelen nodig vindt om de wateruitdagingen, die het gevolg zijn van het veranderende klimaat, en van de toenemende verstedelijking, aan te pakken.

Eberts’ bedrijf staat daar niet alleen in. Waterschaarste en waterstress – die ontstaan als de vraag naar water groter is dan het aanbod, of als de slechte kwaliteit van het water het gebruik ervan beperkt – hebben al toegeslagen in waterintensieve bedrijven en in waterbevoorradingsketens in Rusland en China en overal in het zuiden van de Verenigde Staten.

“De centrale rol die zoet water speelt in onze behoeften aan voedsel, brandstof, vezels, etc. is cruciaal geworden in onze overvolle, milieubewuste, maar overspannen wereld”, aldus Mindy Lubber directeur van de firma Ceres.

Het waterrisico is nu bijvoorbeeld al schadelijk voor een kledingfabrikant als The Gap, die zijn winstverwachting verlaagde met 22 procent, nadat droogte de katoenteelt in Texas aantastte .
Ook de onafhankelijke Franse gasproducent Toreador Resources zag zijn beurskoers met 20 procent dalen nadat Frankrijk “fracking” verbood, een methode om (schalie)gas te winnen, vooral vanwege bezorgdheid over de kwaliteit van het water die door toepassing van fracking wordt bedreigd.

Voedselreuzen Kraft Foods Inc., Sara Lee Corp., en Nestlé hebben prijsstijgingen aangekondigd om de hogere grondstoffenprijzen te compenseren, die het gevolg zijn van droogte, overstromingen en andere factoren.

Waterrisico is meer dan een zakelijke zorg. Internationale hulporganisaties zien een ramp aankomen voor mensen die slachtoffer kunnen worden van de toenemende droogte of van de stijgende onzekerheid over de watervoorziening.

In Oost-Afrika, bijvoorbeeld, zou een klimaatverandering wijzigingen met zich mee kunnen brengen in de temperatuur en de neerslag, waardoor het groeiseizoen zou verkorten en de opbrengsten zouden verkleinen van gewassen zoals maïs en bonen, waardoor, volgens een Oxfam-rapport, vooral kleine boeren en herders het zwaarst getroffen zouden worden.

Bron: Duurzaamheidsnieuws