Archief voor de categorie ‘Armoede’

NCDO signaleert groei aantal particuliere initiatieven

dinsdag, december 20th, 2011

Uit onderzoek van NCDO blijkt dat het aantal kleinschalige, vrijwillige ontwikkelingsorganisaties – Particuliere initiatieven (PI) – groeit. Ook worden steeds meer mensen actief als vrijwilliger in een PI, meldt het onderzoek.

NCDO wilde via het onderzoek onder 661 vrijwilligers weten wie deze vrijwilligers zijn en wat hen beweegt actief te worden in een PI? De resultaten van het onderzoek laten zien dat deze vrijwilligers gemiddeld 55 jaar zijn en, vergeleken met een dwarsdoorsnede van de Nederlandse bevolking, vaker man (60%) en vaker gelovig (50%) zijn. Tevens zijn deze vrijwilligers vaak hoger opgeleid (70%) en verdienen zij gemiddeld genomen bovenmodaal. Uit eerder onderzoek weet NCDO dat de meeste vrijwilligers actief worden in het PI naar aanleiding van een vakantie of langdurig verblijf in een ontwikkelingsland. Wanneer mensen eenmaal actief zijn binnen een PI, worden ze voornamelijk gedreven door de wens de wereld om hen heen beter te begrijpen. Daarnaast kunnen mensen via hun vrijwilligerswerk in het PI uitdrukking geven aan belangrijke waarden, zoals gerechtigheid, en hecht men belang aan de sociale contacten die men opdoet tijdens het vrijwilligerswerk.

Gemiddeld besteden PI-vrijwilligers 37 uur per maand aan hun activiteiten binnen het PI. Vergeleken met vrijwilligers in het algemeen is dit meer dan gemiddeld. Men besteedt deze uren voornamelijk aan fondsenwerving, bestuurlijke taken en administratie. De verschillen tussen de vrijwilligers in het aantal uren dat zij dit werk doen zijn groot. Voor sommigen blijft de vrijwillige inzet beperkt tot enkele uren per maand terwijl anderen er een fulltime job aan hebben. Het is daarom interessant te kijken welke factoren bepalend zijn voor de hoogte van het aantal vrijwilligersuren.
Ongeveer de helft van de vrijwilligers die deelnamen aan het CIDIN-onderzoek uit 2008-2009 is niet alleen actief als vrijwilliger binnen een PI, maar is eveneens de oprichter van dit initiatief. Oprichters besteden gemiddeld 46 uur per maand aan het vrijwilligerswerk binnen hun eigen organisatie. Mannen blijken gemiddeld genomen meer tijd te investeren in een PI dan vrouwen en getrouwde vrijwilligers zijn actiever dan ongetrouwde. Ook geldt dat mensen die zichzelf niet rekenen tot een kerk of andere religieuze instelling actiever zijn dan de kerkelijken.

Een belangrijke baat van vrijwilligerswerk wordt aangeduid als ‘de warme gloed’ (the warm glow): het levert mensen een fijn gevoel op. Onderzoek heeft laten zien dat dit gevoel sterker is als mensen er van overtuigd zijn dat hun bijdrage daadwerkelijk een verschil maakt. Op basis van geografische (fysieke) en psychologische (‘anders zijn’) afstand tussen de doelgroep van ontwikkelingsorganisaties en vrijwilligers, alsmede de complexiteit van ontwikkelingsproblemen wordt aangenomen dat ‘de warme gloed’ die vrijwilligers van ontwikkelingsorganisaties ervaren minder  hoog zal zijn. Dit zou dan weer resulteren in een beperktere inzet van vrijwilligers. De resultaten van dit onderzoek komen overeen met deze redenering.

NCDO verwachtte dat PI-vrijwilligers die een sterk geloof hebben in ontwikkelingssamenwerking in het algemeen en de effectiviteit en efficiëntie van ontwikkelingsorganisaties in het bijzonder, meer tijd zouden investeren in een PI. Ze zouden, meer dan hun kritische medevrijwilligers gemotiveerd worden door de gedachte dat hun bijdrage daadwerkelijk verschil maakt. Het tegendeel blijkt uit de resultaten: kritischere PI-vrijwilligers spenderen juist meer tijd aan het PI. Vaak wordt verondersteld dat PI’s worden opgericht vanwege een kritische houding ten aanzien van bestaande ontwikkelingsorganisaties. Echter, dit blijkt voor slechts 5% van de vrijwilligers de belangrijkste aanleiding te vormen om een PI op te richten of actief te worden binnen een PI. Dit onderzoek toont aan dat er wel een positief verband is tussen de kritische houding ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking en de mate waarin mensen zich inzetten in PI’s. Dit alles wekt de indruk dat PI-vrijwilligers hun werk zowel ervaren als een manier om uitdrukking te geven aan hun betrokkenheid op de wereld, als een alternatieve, doeltreffendere, manier om bij te dragen aan ontwikkelingssamenwerking.

SER-advies ‘Ontwikkeling door duurzaam ondernemen’

donderdag, september 29th, 2011

Staatssecretaris Knapen van Buitenlandse Zaken heeft vandaag het advies van de Sociaal Economische Raad (SER) over ontwikkelingssamenwerking en bedrijfsleven in ontvangst genomen. Het advies was in maart 2011 door de staatssecretaris aangevraagd.

In het advies ‘Ontwikkeling door duurzaam ondernemen’ onderstreept de SER het belang van ontwikkeling van de private sector in ontwikkelingslanden als motor voor duurzame groei en werkgelegenheid. De SER adviseert de inzet op verbetering van het ondernemingsklimaat, marktwerking en markttoegang te intensiveren. Samenwerken met het bedrijfsleven is daarbij essentieel. Maar, zo benadrukt de SER, dan wel op basis van de principes van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO).

Staatssecretaris Knapen is blij dat het advies er is. ‘Mijn beleid is gericht op armoedevermindering door in te zetten op zelfredzaamheid en duurzame economische groei in ontwikkelingslanden. Dat kunnen we als overheid niet alleen, daar hebben we het bedrijfsleven, kennisinstellingen en het maatschappelijk middenveld hard bij nodig. Dit rapport helpt het bedrijfsleven bij duurzame economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden te betrekken.’

Het advies werd unaniem aangenomen door de leden van de SER raad. Ook door het maatschappelijk middenveld werd het advies goed ontvangen.

Het advies sluit aan bij het beleid van Knapen, dat zich richt op de inzet van Nederlandse kennis en kunde om voedselzekerheid en toegang tot schoon drinkwater en goede sanitatie te bevorderen, bij te dragen aan de seksuele reproductieve rechten van vrouwen en zo armoede te doen verminderen.

De meeste voorstellen in het rapport van de SER worden positief ontvangen en zijn al vertaald in concrete beleidsstappen. Zo wordt samen met ontwikkelingsbank FMO geïnvesteerd in verbetering van de financiële dienstverlening aan ondernemers in ontwikkelingslanden. Het bedrijfsleven instrumentarium wordt vereenvoudigd. Een voorbeeld is de faciliteit Ontwikkelingsrelevante Infrastructuurontwikkeling (ORIO), waar de aanbesteding naar voren wordt gehaald. Daardoor verdwijnt de door de SER als kunstmatig gekwalificeerde scheiding tussen projectontwikkeling en –uitvoering. ‘Evenals de SER verwacht ik dat dit de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de realisatie van infrastructuurprojecten zal vergroten. Gegeven het belang van betrouwbare infrastructuur voor economische ontwikkeling ga ik ook mee in het verzoek van de SER om het toewijzingsbudget voor ORIO te verhogen,’ zegt Knapen. De staatssecretaris besloot onlangs het toewijzingsbudget van ORIO met EUR 40 miljoen per jaar te verhogen tot EUR 180 miljoen per jaar.
De formele reactie van de staatssecretaris op het SER advies zal volgen in een brief aan de Tweede Kamer later dit jaar.

Ontwikkelingssamenwerking helpt

dinsdag, september 13th, 2011

Een derde van de 54 armste landen ter wereld is in de afgelopen decennium minder afhankelijk geworden van buitenlandse hulp. Dat stelt Niza/ActionAid in het vandaag verschenen rapport Real Aid 3.

In vergelijking met het voorgaande rapport uit 2006 laat dit rapport een toename zien in goede kwaliteit hulp – ook wel effectieve hulp genoemd – namelijk van 51% naar 55%. Maar stelt tegelijkertijd dat er nog steeds sprake is teveel ineffectieve hulp verstrekt door buitenlandse donoren.

Scholen, ziekenhuizen en de aanleg van wegen worden vaak uit ontwikkelingshulp gefinancierd. Steeds vaker zijn arme landen in staat om eigen middelen aan te wenden om deze elementaire diensten zelf te financieren. Zo bracht Ghana in de afgelopen 10 jaar zijn afhankelijkheid van buitenlandse hulp terug van 46% naar 27%, Mozambique van 74% naar 58% en Rwanda van 86% naar 65%.
Ruud van den Hurk, directeur bij Niza/ActionAid: “Een grote groep ontwikkelingslanden wordt steeds minder afhankelijk van hulp en kunnen vaker hun eigen middelen aanwenden om essentiële diensten te leveren. Hierdoor leggen ze meer rekenschap af aan hun burgers, in plaats van donoren. Het rapport laat zien dat we met goede kwaliteit hulp wel degelijk resultaten kunnen bereiken.”

Om te voldoen aan de kwalificatie van effectieve hulp moet deze terecht komen bij de armste lagen van de bevolking en moet het ontvangende land de ruimte en de vrijheid krijgen om zijn eigen ontwikkelingsplannen uit te voeren. Effectieve hulp is in principe ongebonden, goed beheerd en wordt uitgegeven in het ontvangende land. Regelingen met betrekking tot schuldenverlichting of kwijtschelding vallen niet onder effectieve hulp.

Van de 23 OECD-landen die in het onderzoeksrapport worden genoemd, scoren Engeland, Ierland en Luxemburg het hoogst als het gaat om effectieve hulp, terwijl Frankrijk, Oostenrijk en Duitsland het laagst scoren. Nederland doet het goed en staat op de zevende plek van de beste scorende landen op effectieve hulp.

“Dit zou een wake-up call moeten zijn voor al die regeringsleiders die claimen armoedebestrijding hoog in het vaandel te hebben staan. Het rapport laat duidelijk zien welke landen, ondanks hun goede bedoelingen, laag scoren als het gaat om werkelijke hulp, zoals Duitsland en Frankrijk. Wij roepen daarom de wereldleiders op om meer effectieve hulp te geven zodat nog meer arme landen hun afhankelijkheid van ontwikkelingshulp kunnen afbouwen.”, aldus Ruud van den Hurk.

Hogere voedselprijzen door pensioenfondsen?

woensdag, mei 18th, 2011

Pensioenfondsen en andere beleggingen op lange termijn tillen de voedselprijzen over het recordpeil van 2008, toen er in dertig landen voedselrellen uitbraken. Dat vermoedt de Britse ngo Christian Aid. Doorgaans worden enkel roekeloze speculanten met de vinger gewezen.

“In de voorbije jaren waren de stijgende voedselprijzen een afspiegeling van de investeringen in individuele commodity’s: beleggingen in grondstoffen en bulkgoederen”, verklaart Andrew Hogg van Christian Aid. De organisatie heeft zopas het rapport Hungry for justice: Fighting starvation in an age of plenty gelanceerd. Daaruit blijkt dat de voedselprijzen tussen januari 2005 en juni 2008 klommen met een gemiddelde van 83 procent. In februari 2011 werd zelfs het record uit 2008 gebroken. 

De financiële speculatie op landbouwbouwproducten heeft deze stijging grotendeels veroorzaakt, maar de studie oppert dat niet hedgefondsen en speculanten de hoofdverantwoordelijken zijn, zoals meestal wordt aangenomen. Het zouden eerder de voorzichtige institutionele beleggingen zijn, zoals pensioenfondsen.

“We kunnen niet met zekerheid stellen dat termijncontracten in commodity’s de voedselprijzen de hoogte injagen. Wel stellen we vast dat de stijgingen gelijklopen. Er moet dus dringend onderzocht worden of deze enorme hoop geld bijdraagt aan de honger in de wereld”, stelt Hogg. 

Een termijncontract gaat uit van hoeveel een gewas waard zal zijn op een zeker ogenblik in de toekomst wanneer het geoogst wordt. Dit type investering bestaat al honderden jaren, meestal als manier om boeren een voorschot te geven.

Vandaag stoppen bedrijven enorme bedragen in deze termijncontracten. 

Een andere mijlpaal was de oprichting van indexfondsen voor grondstoffen en bulkgoederen, waarbij wordt gekeken naar de indexen van een bundel commodity’s. Goldman Sachs bood voor het eerst zo’n indexfonds aan in 1991. De bank koos dertien commodity’s, waaronder graan, koffie en varkensvlees en stelde investeerders voor om te beleggen in deze bundel, in plaats van in individuele producten.

Deze fondsen begonnen niet-traditionele investeerders zoals pensioenfondsen aan te trekken. Het totale bedrag dat institutionele investeerders in deze fondsen hebben gestopt, ging van 15 miljard dollar naar 317 miljard dollar in het midden 2008. In tegenstelling tot hedgefondsen waar de verkoop van aandelen in een snel tempo verloopt en waarbij “tegen de markt” wordt gehandeld, koopt men bij indexfondsen als de prijs laag is en verkoopt men als de prijs hoog ligt. Gewassen staan bekend als een veilige investering, aangezien mensen altijd voedsel nodig zullen hebben.

“Beleidsmakers zouden nooit meer mogen instemmen met zulke evoluties zonder de impact op de arme bevolking in ontwikkelingslanden na te gaan”, aldus Hogg. “Nu is het te laat om beleggingen in commodity’s te verbieden, maar we wijzen erop dat deze gevolgen niet werden voorspeld. Ze hadden hier beter over moeten nadenken.”

Isolda Agazzi

Bron: DuurzaamNieuws

Richistan: waarom de V.S. lijkt op Ghana

woensdag, april 27th, 2011

Het degelijke tijdschrift Foreign Affairs besprak in het februarinummer het boek ‘Winner-Take-All Politics: How Washington Made the Rich Richer’, van Jacob Hacker en Paul Pierson. Conclusie van het boek: in de extreme concentratie van rijkdom bij een kleine elite doet de Verenigde Staten niet onder voor ontwikkelingslanden als Ghana of Nicaragua.

De cijfers liegen er niet om. Terwijl 17 procent van de Amerikanen geen of te weinig werk heeft, of zelfs het zoeken naar een baan hebben gestaakt, nam het inkomen van de top-1-procent verdieners het afgelopen decennium jaarlijks met 10 procent toe! De top-1-procent haalt, volgens Max Westerman in Maarten!, jaarlijks een biljoen dollar binnen. De 0,01 procent van de top-1-procent verdieners haalt zelfs nog meer geld binnen: hun jaarinkomen steeg van 4 miljoen dollar in 1974 tot 35 miljoen dollar in 2011. Naast musici, acteurs en advocaten, zit een deel van de topverdieners op Wall Street. In het crisisjaar 2009 ging hun salaris doodleuk met 27 procent omhoog. Westerman citeert het tijdschrift de New Yorker, die over de Wall Street-elite schreef: “Als ze zich massaal in hun strandhuizen zouden terugtrekken, zou de rest van de economie het prima rooien, misschien zelfs wel gezonder zijn”.

Westerman schrijft dat de Verenigde Staten “is veranderd van Broadland, waar de brede massa deelde in de economische voorspoed, in Richistan, waar de elite bijna alle vruchten plukt”.

YouTube voorvertoningsafbeelding

Voedselzekerheid van levensbelang

maandag, april 18th, 2011

Wereldbankpresident Zoellick heeft op 14 april de noodklok geluid over de gevolgen van stijgende voedselprijzen voor mensen in ontwikkelingslanden. Knapen is het met Zoellick eens: ‘Voedselzekerheid is van levensbelang.’

De voedselprijzencrisis is nog niet afgelopen. Begin 2010 hielden de voedselprijzen even pas op de plaats, maar inmiddels stijgen de prijzen weer. De Wereldbank heeft berekend dat er sinds juni 2010 weer 44 miljoen mensen met honger zijn bijgekomen. ‘Er is dus alle reden om dit probleem met nog meer urgentie aan te pakken’, aldus Knapen.

Voedselzekerheid is één van de vier beleidsprioriteiten voor ontwikkelingssamenwerking. Knapen juicht het dan ook toe dat voedselzekerheid dit weekend hoog op de agenda staat bij de Wereldbankvergadering. Nederland heeft op dit terrein echt iets te bieden. Het kabinet wil de kennis van Nederlandse universiteiten en bedrijven actief gaan inzetten in ontwikkelingslanden. Nederland zet in op professionalisering van kleine boeren zodat ze meer kunnen oogsten, verbetering van gewassen zodat ze ziektes kunnen weerstaan en eerlijke en duurzame handel zodat boeren een eerlijke prijs krijgen voor hun producten.

Knapen: Geen plat eigenbelang, maar profijtelijk netwerk

donderdag, maart 24th, 2011

Ben Knapen, staatssecretaris van ontwikkelingssamenwerking en Europese Zaken, die zich over de grens minister mag noemen, legt in en interview met de Volkskrant uit dat er in de keuze voor minder hulpontvangende landen van “plat eigenbelang” geen sprake is. Knapen spreekt liever over “een profijtelijk netwerk van economische verbindingen.

De staatssecretaris moet rekening houden met een afnemend draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking en hij moet bezuinigen. Daarom concentreert de regering, in overleg met andere EU-landen, de hulp op vijftien in plaats van dertig landen. “Mijn primaire verantwoordelijkheid is te letten op het belang van ontwikkelingslanden,” zegt Knapen. “Maar het bevorderen van economische groei daar betekent: hulp bij het ontwikkelen van een private sector.” De motor van economische groei moet in ontwikkelingslanden aanspringen, zegt de staatssecretaris. “Zodat je ook hier duidelijk kunt maken dat wat we doen uiteindelijk gunstig is voor ons.”

Dat beeld wil Knapen inzetten om het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking, dat onder druk staat, te verstreken. “Voor het draagvlak helpt het enorm dat je kunt laten zien dat je verschil maakt… Wij doen ons stinkende best meer focus aan te brengen en zo beter zichtbaar te maken wat we doen. Dus ik vind die scepsis [tegenover ontwikkelingshulp] niet zo storend.”

Pol De Greve: ‘Onze vleesconsumptie veroorzaakt mee de honger’

maandag, maart 14th, 2011

Pol De Greve, directeur van de Belgische solidariteitsorganisatie Broederlijk Delen, zegt in een interview met MO* dat de westerse manier van consumeren de honger in de wereld medeveroorzaakt. Om dit onder de aandacht te brengen is de organisatie de campagne ‘Maak ons overbodig’ (www.maakonsoverbodig.be) gestart.

“Dit jaar vieren we ons vijftigjarig jubileum en daarom wilden we uitpakken met een opvallende campagne. We proberen de aandacht van Vlaanderen trekken met een prikkelende slogan die vragen oproept.Het idee is gekomen toen we ons afvroegen of we ooit honderd zouden worden. We zouden het ergens wel erg vinden als we tegen dan nog nodig zijn. Maar onze geschiedenis van vijftig jaar is ook niet vlak. We zijn begonnen als noodhulporganisatie, terwijl we nu mensen in het Zuiden de kans willen geven om hun eigen plannen uit te voeren zonder hen dingen op te leggen en zonder tussen te komen.”

“Om ontwikkelingssamenwerking te doen slagen moet er aan een aantal voorwaarden voldaan zijn: handelsvoorwaarden, vrede en veiligheid, bestuurlijke voorwaarden,… In ontwikkelingslanden is dat dikwijls niet het geval en zo kom je steeds in een omgeving waar je zelf weinig vat op hebt. Sommige ngo’s proberen daarom de politiek in een bepaald land in een gunstige zin te beïnvloeden door bijvoorbeeld te wijzen op de zinloosheid van bepaalde maatregelen. Of we proberen lokale politici ervan te overtuigen dat die maatregelen kleine boeren benadelen. De directe hulp moet dus absoluut aangevuld worden met een aantal andere activiteiten zoals lobbyen.”

“We zeggen wel dat we overbodig willen zijn, maar dat zal toch nog even duren. Er komen steeds uitdagingen bij. De klimaatproblemen bijvoorbeeld die nu, vooral dankzij ngo’s, ook meespelen in het sociaal-economische debat. Een van onze hoofddoelen moet zijn: werken aan een zelfbewuste, groene economie die zoekt naar efficiëntere manieren om middelen spaarzaam te gebruiken. Als we doorgaan zoals nu, wordt het honger- en armoedeprobleem alleen maar groter.”

“Een oorzaak is alvast dat klimaatverandering misoogsten veroorzaakt. Door de opwarming van de aarde krijgen grote delen van Afrika en Azië met droogte te kampen. In Indonesië zijn de weersomstandigheden extremer geworden. Zware stormen veroorzaken grote schade aan oogsten en infrastructuur. Voor arme boeren is dat dodelijk. Een tweede bekende oorzaak is de bevolkingsgroei. En dan heb je ook de verhoging van middeninkomens in landen als Indonesië, waardoor consumptiepatronen veranderen. Zij eten meer vlees. En je weet:  om een kilogram vlees te produceren heb je zeven kilo graan nodig.

De Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties zegt dat de voedselproductie tegen 2050 met zeventig procent moet toenemen. Maar zij trekken gewoon de lijn van de stijgende vleesconsumptie door. Dan wordt in 2050 de helft van de graanproductie gebruikt om dieren te voederen. En daar ligt ook onze verantwoordelijkheid. Wij in het Westen moeten onze consumptiepatronen veranderen en minder vlees eten.”

“Het probleem in het Zuiden is niet de arbeid, maar het land. De beste manier om land te gebruiken is intensieve, kleinschalige landbouw met verschillende gewassen. Bij plantages ligt het financiële rendement wel hoger per individu, maar dezelfde oppervlakte land zou veel meer voedsel kunnen produceren. We moeten grootschalige landbouw niet volledig afbreken, het heeft ook voordelen. Maar er moet een redelijk evenwicht komen want de lokale bevolking heeft nu niet genoeg toegang tot voedsel.

Europa zegt dat het zelf ook met mechanisering en schaalvergroting in de landbouw begonnen is, verwijzend naar de Industriële Revolutie. Maar dan negeren we stukken uit onze eigen geschiedenis. Mensen trokken hier van het platteland naar de steden omdat daar veel werkgelegenheid was. In Afrika is de migratie naar steden groter dan de groei van industrie. Ze hopen werk te vinden maar eigenlijk zouden ze beter op het platteland blijven.”

Discussie over segregatie onderwijs

dinsdag, februari 8th, 2011

Veel discussie over de uitlatingen van minister van Onderwijs Marja van Bijsterveldt over zwarte en witte scholen. In een interview met de Volkskrant zei ze het kabinet het bestaan van zwarte scholen gewoon accepteert. Het gaat haar om kwaliteit. In de reacties lijkt de klassieke tegenstelling tussen links en rechts weer terug te keren. Lijkt, want bijvoorbeeld de links-liberale De Groene Amsterdammer valt de minister bij. “Ze heeft gelijk. Het beleid kan er beter op gericht zijn te voorkomen dat er zwakke scholen ontstaan of voortbestaan, bevolkt door kansarme leerlingen. Of die nu wit of zwart zijn, en wonen in Amsterdam of Oost-Groningen, is van minder belang,” schrijft De Groene.

In een reactie op de plannen van het kabinet zeggen ouders die actief werken aan gemengde scholen zich in de steek gelaten te voelen door de minister. In de Volkskrant van 8 februari zeggen zij: “Het gaat niet alleen om kwaliteit, het gaat om ontmoeting.” Directeur Herman Willighagen van de Arentschool in Rotterdam: “Uiteraard gaat het in eerste instantie om kwaliteit. Maar vanuit pedagogisch oogpunt vinden wij het belangrijk dat leerlingen een school bezoeken die een afspiegeling van de wijk én van de hele samenleving vormt.”

Sjaak Mestrum, adjunct-directeur van De Boschakker in Eindhoven: “Na wat aanvankelijk argwaan aan beide zijden – Turkse en Marokkaanse ouders dachten dat die witte ouders de boel kwamen overnemen en blanke ouders vroegen of de school wel een kerstboom had – is de school nu een perfect voorbeeld van integratie. De hele sfeer is veranderd. Alle ouders zijn meer betrokken bij het onderwijs en in plaats van een 90-10-verdeling, is de school nu 50-50. Net als de wijk.”
Conclusie: het gaat bij het mengen niet zozeer om het opkrikken van het niveau. Het gaat om het maatschappelijke aspect.

YouTube voorvertoningsafbeelding

Een jaar geleden schreef Anja Vink, freelance onderwijsjournalist, in NRC Handelsblad dat “De oorzaak voor het falen van ‘zwarte’ scholen niet de kleur, het geloof, de taal of de cultuur van de leerlingen is, maar de achterstand en de armoede die dominant zijn op deze scholen.” Haar conclusie: “Het persoonlijke belang van de kinderen van ouders uit de middenklasse is dat zij op een school met leerlingen van alle kleuren en afkomst van jongs af aan leren om te gaan met verschillen. Een letterlijk broodnodige eigenschap om je staande te houden in een snel globaliserende samenleving die in hoog tempo kennis, armoede en mensen van verschillend pluimage rond pompt. Maar er is ook een simpel economisch eigenbelang: een land met een onderwijssysteem dat een grote groep leerlingen niet weet op te leiden voor een zogenoemde kennismaatschappij waar een groot tekort is aan goed gekwalificeerd personeel, snijdt zich lelijk in de eigen vingers.”

Pieter Hilhorst, politicoloog en columnist, gaat in de Volkskrant van 15 februari in  op de voorstellen van Van Bijsterveldt. Zijn conclusie: “Het accepteren van segregatie heeft dus helemaal niks te maken met een zakelijke keuze voor kwaliteit. Van Bijsterveldt maakt een cynische keuze voor de weg van de minste weerstand. Een cynische keuze om tienduizenden allochtone en autochtone kansarme kinderen te veroordelen tot scholen waar ze niet de kans krijgen hun talenten ten volle te ontplooien. We moeten niet strijden tegen segregatie in het onderwijs omdat Noah en Graciano zo’n mooi plaatje vormen.
Zo romantisch is de gemengde school lang niet altijd (maar daarover een andere keer meer). Het is veel zakelijker. Juist omdat kwaliteit zo belangrijk is, moeten we segregatie bestrijden. Een goede school mag geen voorrecht worden voor blanke hoogopgeleide kinderen. Het moet een recht zijn voor alle kinderen.”

Wereldburgers achter de gordijnen

donderdag, januari 27th, 2011

“Nederland heeft niet alleen de nare neiging om naar binnen te keren, maar ook om te doen alsof het een eilandje is in de wereld dat geheel en al van zichzelf kan bestaan, zonder enige verplichting tegenover de buitenwereld,” zegt hoogleraar Henri Beunders in Trouw van 27 januari.

De krant schrijft in een artikel dat de internationale oriëntatie, die zo eigen was aan Nederland (in de vorm van koopman en dominee), aan het verdwijnen is. Hoogleraar Peter Volten: “„We willen een internationale rechtsorde, maar doen er niets aan als het te gevaarlijk wordt.” Volten zegt dat buitenlandse onderwerpen steeds vaker worden ‘ge-binnenlandiseerd’. Populistische partijen spelen met succes hierop in.

Cultuursocioloog Peter Achterberg signaleert ee’cultureel conflict’: “Het heeft in Nederland lang geduurd voordat er een tegenreactie
kwam op het linkse geluid. Nu zie je een overreactie op het feit dat er in Nederland nooit een uitlaatklep was. Tegenover de linkse kosmopolitische mentaliteit stelt nieuw-rechts volkscultuur met Nederlandstalige muziek en tv-programma’s als ’Ik hou van Holland’.”

Beunders signaleert een andere ontwikkeling: “Een ’nare verontrustende onderstroom’ van Nederlanders die het buitenland wel be- en veroordelen, maar zelf geen vinger willen uitsteken.” Volgens hoogleraar Volten laat de politiek zich in deze sentimenten meeslepen. Hij heeft weinig waardering voor twijfelende politici: “Als het even wat moeilijker wordt en binnenlands ligt het slecht, dan passen we ons standpunt aan, zo redeneren politieke partijen.”