Archief voor de categorie ‘Civil society’

Homo-acceptatie Marokkanen met stapjes vooruit

donderdag, februari 2nd, 2012

De negatieve houding ten opzichte van homoseksualiteit in de Marokkaanse gemeenschap moet verdwijnen, vindt het Samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders (SMN). Niet alleen om Marokkanen te helpen de weg te vinden in de Nederlandse samenleving, maar ook omdat Marokkaans-Nederlandse homoseksuele, biseksuele lesbische en transgender jongeren in hun gemeenschap in de knel komen.

Met de aanbieding van het rapport “Op zoek naar balans, homo-emancipatie onder Marokkaanse Nederlanders” sloot het SMN gisteren een drie jaar lopend project af.
 
Drie jaar lang werd er in de Marokkaanse gemeenschap gediscussieerd. Door jongeren, ouderen en met religieuze leiders. Aanvankelijk reageerde een deel van de achterban van het SMN negatief op het thema van het programma, maar de initiatiefnemers zetten door. “In de sfeer van respect voor elkaars vrijheid en identiteit moeten we durven spreken over homogeweld en discriminatie.”
 
Rekening houdend met de gangbare opvattingen in de gemeenschap bewoog SMN zich door het mijnenveld van vooroordelen en misvattingen. In bedekte termen werden dialoogbijeenkomsten en theater stukken over ‘seksuele diversiteit’ aangekondigd. Wie te ver voor de troepen vooruitloopt, zoals Ahmed Marcouch wel eens wordt verweten, verliest de achterban die hij nu juist wil overtuigen. “Marcouch gebruikt zijn bekendheid om een minderheidsstandpunt te verkondigen”, zegt Hasib Moukaddim van SMN. “ Dat kan. Wij willen de kritische massa in de gemeenschap aanboren om te praten, begrip te kweken en tot acceptatie te komen.”
 
Langzaam  ontstond er meer openheid. Voor een deelneemster aan een dialoogbijeenkomst viel ineens het gedrag van een vriendin, veertig jaar geleden, op zijn plaats. Voor het eerst spraken ouders en jongeren openlijk over homoseksualiteit. Soms in termen van ziekte en zonde, maar vaak ook in de overtuiging dat oordelen aan Allah is. Na een geanimeerde discussie in Amsterdam Nieuw-West spraken buurtbewoners af dat iedereen mag vinden wat hij vindt, maar dat iedereen zich in de wijk veilig moet voelen en zich moet kunnen uiten. Abdelkader Salhi van Attanmia, een van de partners het project, benadrukt het belang van openheid in het gezin. “ Hoe je over de ander praat heeft echt met je opvoeding te maken.”
 
Verlichtingsfundamentalisme
 
De aanname dat de islam homoacceptatie in de weg staat is te gemakkelijk, vinden deelnemende organisaties. Religie is ingebed in cultuur, en die is veel breder. “Homo-vijandigheid heeft ook te maken met hoe je aankijkt tegen mannelijkheid, vrouwelijkheid en voortplanting”, zegt socioloog Laurens Buijs, en komt in alle bevolkingsgroepen voor.” Onderzoek van onder meer Buijs en Duyvendak toont aan dat daders van geweld tegen homo’s niet ‘voornamelijk door moslims, met name Marokkanen’ wordt gepleegd zoals de PVV beweert.
 
Ook Nederland krijgt een veeg uit de pan: “Nederlanders zijn homo’s gaan zien als de grote verliezers van de multiculturele samenleving”, schijft Buijs in de SMN publicatie. Hij hekelt het ‘verlichtingsfundamentalisme’ . “De homo-emancipatie werd in Nederland als voltooid beschouwd totdat migranten (met name moslims) roet in het eten gooiden omdat zij geen kaas hebben gegeten van ‘onze’ verlichtingsidealen. Fijntjes wijst Buijs erop dat homotolerantie niet in de Nederlandse genen verankerd zit . Tot 1971 konden homo’s strafrechtelijk worden vervolgd. En de helft van de VVD-fractie stemde in 1996 nog tegen het homohuwelijk.
 
Uit de kast?
 
Voor emancipatie van homo’s bestaat geen blauwdruk. Waar voor Nederlanders ‘uit de kast komen’ het ultieme doel lijkt te zijn, ligt dat onder Marokkaanse homojongeren niet zo scherp. Zij maken zich zorgen om het geluk van hun ouders en willen niet confronteren, maar verzoenen. Een reden waarom allochtone homo’s zich vaak niet thuis voelen bij het activistische COC. De Marokkaanse homojongeren in het panel in Rasa zijn allemaal uit de kast, zij het dat sommigen daar een hoge prijs voro betaalden. Zij zouden niet zomaar iedereen adviseren met zijn geaardheid naar buiten te komen. “Het is maatwerk”, zegt Mohammed Chaibi, “iedereen kent zijn eigen familie het beste.” Ikram Daaraoui voegt toe: “Het hangt ook af van hoe sterk je bent en hoe groot je netwerk is. Steun van anderen wanneer je besluit uit de kast te komen is heel belangrijk.”
 
Of ze er nooit genoeg van heeft om altijd maar door het leven te gaan met het etiket ‘Ikram, de Marokkaanse lesbienne’ terwijl een mens meer is dan zijn geaardheid. “Tja, Ikram is Marokkaans en Ikram is lesbisch”, zegt ze . “ Zolang het nodig is moet dat gezegd worden.”
 
‘Het is niet jouw taak om liefde te zeken, maar om binnen jezelf alle barrières te zoeken en te vinden die je ertegen hebt opgebouwd’ citeert het SMN de Perzische denker Rumi. De kritische massa is in beweging gekomen. Langzaam.

Bron: Wereldjournalisten

Islamofobie in Nederland wijder verbreid dan gedacht

donderdag, januari 19th, 2012

Tussen 2005 en 2010 waren er meer dan honderd incidenten bij moskeeën in Nederland. En dat zijn er opvallend meer dan in andere landen. Dat blijkt uit een nieuw boek over islamofobie en discriminatie. De daders gaan meestal vrijuit en moslims doen vaak geen aangifte. 

In de jaren negentig gold Nederland als uitzonderlijk tolerant tegenover andere godsdiensten, zegt emeritus hoogleraar Frank Bovenkerk van de Universiteit van Amsterdam. ‘Tot opeens uit enquêtes bleek dat zich een aanzienlijke weerzin tegen de islam aan het ontwikkelen was. De onderzoekers dachten: dat kan haast niet, zo’n breuk met het verleden. Maar het was wel zo.’ 

Vervolgens kwamen de aanslagen van 11 september 2001 en de moord op filmmaker Theo van Gogh, in 2004. De Nederlandse politiek wakkerde de moslimhaat nog verder aan, vindt Bovenkerk: ‘Toenmalig vicepremier Gerrit Zalm zei na de moord op Van Gogh: ‘We zijn nu in oorlog’.' 

In de Verenigde Staten ging dat anders. Bovenkerk: ‘Het eerste wat president Bush deed na 9/11, was naar de moskee gaan omdat hij wist: ik moet mijn relatie met de moslimbevolking niet verpesten. Dus daar waren ze heel zorgvuldig in. Maar in Nederland zijn we opmerkelijk makkelijk meegegaan met politici als Pim Fortuyn en later Geert Wilders, die de weerzin tegen de islam voor politiek gewin gingen gebruiken.’ 

Ineke van der Valk deed onderzoek naar ‘Islamofobie en discriminatie’, zoals haar boek heet, dat deze donderdag verscheen. Zij telde 117 incidenten bij moskeeën in Nederland tussen 2005 en 2010. In de Verenigde Staten waren dat er in die periode 42. Het ging om brandstichtingen, bekladdingen, vernielingen en nog veel meer. 

‘Een poederbrief, een telefonische bedreiging maar ook acties als het ophangen van een dood schaap aan een gevel, waarbij dan op de vacht de tekst ‘No Mosque!’ stond. Of een varkenskop. Of de muur besmeuren met schapenbloed of varkensbloed, wat moslims als provocerend en beledigend ervaren,’ zegt Van der Valk. 

Die incidenten waren opvallend vaak in kleinere plaatsen. In de grote steden is de acceptatie van migranten groter omdat ze daar al veel langer wonen, denkt de onderzoekster.

Lang niet alle incidenten bleken te zijn gemeld. Soms op advies van de politie, soms omdat moskeebesturen bang waren voor herhaling. Het komt ook door een zekere nonchalance, zegt Aissa Zanzen van de Marokkaanse Moskeeorganisaties Amsterdam en Omstreken. 

‘Mensen redeneren: dat gebeurt nou eenmaal. De samenleving is verhard, er is een klimaat, en dat hoor je elke keer in de media, dat moslims de schuld krijgen van alles en nog wat. Daarnaast denken mensen ook dat de politie er toch niets aan doet, en aangifte doen kost te veel tijd. Een andere factor kan zijn de taalbeheersing, dat is toch een hobbel.’ 

De daders werden zelden opgespoord: in 99 van de 117 gevallen zijn ze niet bekend. ‘Dat geeft te denken’, zegt Van der Valk, ‘het wordt tijd dat justitie en politie daar meer aan doen.’

Dan is er nog de islamofobie op internet. Ronald Eissens van het Meldpunt Discriminatie Internet: ‘In 2011 waren er 290 meldingen van islamofobe uitingen, bijna eenvijfde van het totaal aantal meldingen over discriminatie.’ 

Discriminatie op het Nederlandstalige deel van internet wordt steeds meer ‘mainstream’, aldus Eissens: ‘Van de donkere vieze steegjes gaat het naar het volle daglicht, naar de populaire webfora, die iedereen leest.’

Wat valt hier tegen te doen? Ineke van der Valk: ‘Je moet serieus werken aan de sociale problemen die een rol spelen bij waarom mensen gaan discrimineren. Wie slachtoffer wordt van een misdaad door een moslim, is sneller geneigd tot discriminatie.’ 

‘Daarnaast moet je de openheid van de samenleving benadrukken en de waarden van diversiteit hooghouden. Noorwegen deed dat heel goed na de aanslag van Anders Breivik’, vindt Van der Valk. ‘Ik denk dat we daar een voorbeeld aan kunnen nemen omdat hier onder politici te veel de neiging bestaat om weg te kijken en te hopen dat de islamofobe mode overwaait. We moeten veel meer ons eigen verhaal houden en staan voor waarden die we belangrijk vinden, voor democratie en rechtsstaat.’

Bron: Radio Nederland Wereldomroep

Schaduwinternet biedt mensenrechtenactivisten toegang tot digitale netwerken

maandag, januari 9th, 2012

Dagblad De Pers signaleert een boeiende nieuwe trend: digitale ontwikkelingshulp. Overigens is het beter te spreken over digitale mensenrechten, want dat is kern van deze nieuwe ontwikkeling. “Je gooit wat kabels, antennes, een paar mobieltjes, wat wifi-routers, laptops en de juiste software bij elkaar en het resultaat is een nachtmerrie. Althans, voor de Iraanse ayatollahs, het Chinese politbureau, de Syrische dictator Bashar Assad en anderen die internetcensuur en spionage tot kunst hebben verheven”, schrijft De Pers.

‘Internet in een koffer’, zoals het bekendstaat, is ook niet een juiste titel, maar bedacht door de New York Times die een mooie foto bij het artikel hierover wilden. Zegt Sascha Meinrath, directeur van het Open Technology Initiative van de New America Foundation in Washington. Open Technology Initiative ontwikkelde de digitale toepassing in opdracht van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Doel is om mensenrechtenorganisaties en -activisten toegang te geven tot het internet, zelfs als de regering het digitale netwerk uit de lucht haalt.

Duizenden dissidenten op plekken zoals Iran, Syrië, China en Rusland belanden in de cel of zelfs op het kerkhof omdat ze blogs schrijven, elkaar via sites als Facebook oproepen om te protesteren of via andere online manieren zogenaamde ‘subversieve’ activiteiten te ontplooien. Mede mogelijk gemaakt door westerse bedrijven die de plaatselijke geheime diensten voorzien van hightech afluister- en censuurtechnologie. De autoritaire regimes hebben er alle belang bij om de zogenaamde ”Facebookrevoluties’ – die de Arabische Lente vaart gaven – te voorkomen of de kop in te drukken. Om mensenrechtenactivisten toegang te verzekeren tot de digitale netwerken, zoals Facebook, Twitter en email, is het Open Technology Initiative bezig een ‘schaduwinternet’ te ontwikkelen dat werkt via Mesh-technologie. De Pers: “In autoritaire landen zijn computers via internetverbindingen vaak aangesloten op een netwerk dat door de staat wordt gecontroleerd. Die ‘kabel’ kan er worden uitgetrokken waardoor de internettoegang wegvalt. Bij een Mesh-netwerk kun je dat vergeten, het is een onzichtbaar, draadloos web zonder centraal punt waar de stekker uit kan. Een netwerk van bijvoorbeeld afzonderlijke computers, mobiele telefoons en routers, dat door middel van speciale software helemaal los functioneert van dat overheidsnetwerk waardoor informatie kan blijven stromen en ook het buitenland kan bereiken. Een foto van een in elkaar geslagen demonstrant of een e-mail met ontmoetingsplek voor het volgende protest springt direct tussen de draadloze apparaten die allemaal als een soort mast functioneren en het overheidsnetwerk overslaan. De staatscensuur kan de stekker er wel uittrekken, maar het Mesh-netwerk functioneert door.”

De Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Uri Rosenthal stelt 6 miljoen euro beschikbaar voor internetvrijheid, een belofte die de regering deed op het internationale congres in Den Haag vorig jaar december over internetvrijheid. De Nederlandse ontwikkelingsorganisatie Hivos organiseert met dit geld onder meer conferenties voor Arabische bloggers waar ze hun nieuwste internetonderduiktrucs kunnen uitwisselen maar geeft ook technische tips en trainingen. Hivos werkt daarbij samen met de organisatie Tactical Tech in Berlijn. Hun oplossing zit niet in een koffer maar in een doos en heet: ‘Security in-a-box’. “Wij proberen technologie zo breed te maken dat het voor progressieve sociale verandering kan worden ingezet”, legt programmadirecteur Ali Ravi in De Pers uit. “Veiligheid in een doosje komt in maar liefst in negen talen (Engels, Frans, Spaans, Arabisch, Farsi, Chinees, Vietnamees, Birmees, en Russisch), gewerkt wordt aan Indonesisch en Ethiopisch. Vorig jaar zijn 5.000 fysieke dozen uitgedeeld en is een veelvoud gedownload. Het is een pakket met een boek en software om zo onzichtbaar mogelijk te blijven als internetter, censuur te omzeilen en onder de radar te blijven. Een paar voorbeelden: programma’s om de volledige inhoud van je harde schijf of usb-stick te wissen voor als de geheime politie onderweg is, tips hoe je een onkraakbaar wachtwoord maakt, een encryptieprogramma zodat de ontvanger als je een mail of foto verstuurt een wachtwoord moet invoeren om het te openen en Tor om je identiteit te verbergen als je surft en je acties niet naar je IP-adres (en dus huis) zijn te herleiden.

Wapenhandel vol van chantage en omkoperij

donderdag, december 22nd, 2011

Het kabinet weigert een algemeen verbod in te stellen op de export van wapens naar landen waar mensenrechten worden geschonden. Eerder deze maand lieten de bewindslieden minister Rosenthal en staatssecretaris Bleker dat al middels een brief in antwoord op een door de Tweede Kamer aangenomen motie weten.

Het aloude gezegde van de koopman versus de dominee laat zich opnieuw weer eens gelden. Dat dictaturen in het Midden-Oosten hun bevolking onderdrukken met hulp van onder meer door Nederland geleverd wapentuig laat onverlet dat het Nederlands kabinet veel retoriek over mensenrechten de wereld in stuurt. Loze woorden, maar dat moet ook wel aangezien Nederland al decennia lang in de top-10 van wapenexporterende landen staat. Die winstgevende bedrijfstak willen we niet teveel voor de voeten lopen, al worden moedige demonstranten in Arabische landen ermee van de straat geschoten.

In zijn nieuwe boek ‘The Shadow World: Inside the Global Arms Trade’ doet de Zuidafrikaanse oud-politicus Andrew Feinstein een boek (672 pp) open over hoe die schimmige wereld van wapenhandel werkt. “De kern van de handel in wapens is omkoping, betalingen op grote schaal die zowel de elites in de landen die de wapens kopen als de wapenhandelaars in de verkopende landen rijk maken. Hoewel politieke agenda’s soms een rol spelen in wie welke wapens krijgt, is de heersende ideologie achter de handel hebzucht,” schrijft Feinstein. Hij wijst Saudi-Arabië aan als het land dat deze vorm van corruptie tot kunst heeft verheven, en noemt in zijn boek een voorbeeld van het handjeklap van Ryad met de Britse regering van Tony Blair. ToenLonden onderzoek wilde laten doen naar mogelijke omkoperij in  een wapenhandeldeal, dreigden de Saudi’s de aankoop (en mogelijke latere aanschaf) stop te zetten en wilde ze de samenwerking op veiligheidsgebied beëindigen. “Opschorting van de Saudische samenwerking met de Britse geheime dienst zal leiden tot ‘bloed in de straten van Londen’,” schreef prins Bandar aan Blair. De Britse premier gaf direct toe.

Westerse landen hebben vooral sinds 2001 zich met handen en voeten  gebonden aan dictaturen in het Midden-Oosten en Zuid-Azië, alleen om kennis te vergaren van mogelijke veiligheidsbedreigingen (lees terrorisme). Die dictaturen chanteren het Westen om op zo gunstig mogelijke voorwaarden wapens te kunnen kopen. Aan de andere kant zorgt het anti-terrorismebeleid van overheden voor een “begerige gekte” bij wapenhandelaren, zoals een Amerikaanse militair het uitdrukte.

De Nederlandse regering gaat rustig mee in het dodelijke spel van omkoperij en chantage. Hoe vaak zal minister Rosenthal een briefje krijgen vanuit een schimmige dictatuur? Passages uit die brieven komen niet terecht in de toespraken vol mooie, maar betekenisloze woorden die de minister de wereld in stuurt…

Beleid tegen illegalen heeft tegendraads effect

donderdag, december 22nd, 2011

De criminalisering van mensensmokkel en illegaal huishoudelijk werk door de overheid staat in scherp contrast met het beeld dat de illegale migranten ervan hebben. Voor hen is het een manier om toegang te krijgen tot beter betaald werk. De overheid gaat aan deze werkelijkheid voorbij.
 
De afgelopen jaren hebben uitzonderlijke gevallen het beeld van de overheid over mensensmokkel en mensenhandel gedomineerd en het beleid op deze terreinen mede gestuurd. Denk aan het Dover-drama met Sister Ping, de Sneepzaak of de Marokkaanse slaaf op de Dappermarkt. Deze extreme zaken zijn beeldbepalend voor de komst, het verblijf en de gedwongen terugkeer van illegale vreemdelingen geworden. De overheid ziet mensensmokkel als een serieuze en ernstige vorm van georganiseerde misdaad die het migratiebeleid en de integratie van de gevestigde allochtonen ondermijnt.
 
Migranten daarentegen beschouwen het als een al dan niet betaalde dienst om familieleden bij zich te krijgen. Waar de overheid bang is voor de aanzuigende werking van versoepelingen in het migratiebeleid, doen de illegale vreemdelingen een informeel beroep op familieleden die toevallig in Nederland wonen. Waar de overheid illegaliteit criminaliseert, ziet de illegale vreemdeling zijn status als een min of meer vanzelfsprekende consequentie van zijn aanwezigheid zonder verblijfsdocumenten. Het is moderne slavernij met al zijn uitbuiting tegenover een sociaal arrangement met specifieke economische arbeidsverhoudingen met geaccepteerde en normatief begrensde uitbuiting. Kortom, rond de komst, het verblijf en de terugkeer van illegale vreemdelingen is er sprake van een kloof in betekenisgeving tussen de overheid en de migranten.
 
Het Nederlandse illegalenbeleid staat in het teken van het tegengaan en ontmoedigen van illegaal verblijf. Dat lijkt succesvol: telden onderzoekers in 2002 nog ruim 211.000 illegalen in Nederland, in 2009 was dit aantal meer dan gehalveerd tot ruim 97.000 personen die onrechtmatig in Nederland verblijven. Maar deze afname komt vooral door de insluiting van landen als Roemenië en Bulgarije in de Europese Unie en niet zozeer door een duidelijke afname van het aantal niet-westerse illegale vreemdelingen.
 
Uit onderzoek onder illegale vreemdelingen uit uiteenlopende herkomstlanden, met verschillende achtergronden en migratiemotieven, blijkt dat zij door het strengere beleid geen toegang meer hebben tot de voorzieningen van de verzorgingsstaat en evenmin tot ‘wit werk’. Illegalen zijn voor hun bestaan in toenemende mate aangewezen op ‘zwart werk’ en liefdadigheid. Illegale vreemdelingen maken deel uit van sociale arrangementen of morele economieën waarin de verhoudingen van illegalen met informele werkgevers en huisbazen bepaald worden door normen van wederkerigheid, patronen van risicomijdend gedrag en ideeën over rechtvaardigheid. Dit alles in een context waarin een overheid slecht benaderbaar is.
 
De titel van mijn oratie was ‘Moderne slavernij of gewoon werk?’. Vanuit het perspectief van de illegale vreemdelingen is er geen sprake van slavernij. Maar we kunnen de arbeidsverhoudingen tussen illegalen en hun werkgevers evenmin duiden als gewoon werk. Veeleer hebben we te maken met informele arbeid onder slechte en onzekere omstandigheden waarbij de arbeidsverhoudingen tussen de illegale vreemdelingen en de werkgevers vaak uit balans en soms ernstig verstoord zijn. Tegelijkertijd zijn er informele normen over rechtvaardigheid en onrecht die in samenhang met het risicomijdende gedrag van illegale vreemdelingen een rem vormen op de meer extreme vormen van negatieve wederkerigheid. De overheid gaat aan deze werkelijkheid voorbij. De terminologie van georganiseerde mensensmokkel – moderne slavernij en exploitatie – verhult de achterliggende sociale processen van in- en uitsluiting en economische processen van vraag en aanbod.

De overheid kiest in de aanpak van mensenhandel voor een juridische oplossing van wat in feite een normatieve problematiek is. De overheid kan zonder verklaringen van de slachtoffers van mensensmokkel tot veroordelingen komen, maar gaat daarbij voorbij aan bestaande sociale arrangementen. Daarmee wil ik overigens niet beweren dat de slachtoffers van mensenhandel zich niet in mensonterende situaties zouden kunnen bevinden. Maar er bestaat ook een andere werkelijkheid, met andere normen over wat rechtvaardig en onrechtvaardig is en waar betrokkene op informele manieren hun recht halen.
 
Een beleid dat steeds verder van de alledaagse werkelijkheid af komt te staan en als oplossing meer toezicht, meer controle en meer repressie aandraagt, draagt bij aan een verplaatsing en verharding van de problematiek. In de praktijk kunnen we deze processen al waarnemen. Met de toegenomen controle op prostitutie is mensenhandel onverminderd aanwezig en verdwijnt deze steeds meer backstage. Met de voorgenomen criminalisering van illegaal verblijf zal huisvesting en arbeid voor illegalen nog meer een schaars goed worden en krijgen de malafide of criminele aanbieders van diensten nog meer macht. Tegelijkertijd leren studies vanuit de gemeenschappen zelf hoe complex de mechanismen zijn die er spelen. Wederkerigheidsrelaties binnen sociale netwerken gaan hand in hand met wantrouwen. Toenemende controle zullen de bestaande sociale arrangementen beïnvloeden waarbij illegale migranten kwetsbaarder worden ten opzichte van de informele dienstverleners.
 
Ik heb tot dusverre niet gesproken over onderzoeksmethoden, maar om toekomstige vragen naar de komst, het illegaal verblijf en de terugkeer vanuit de perspectieven van betrokkenen te kunnen beantwoorden, dienen we hoe dan ook in contact te blijven met de direct betrokkenen. Met de zogenaamde kanslozen, de vertegenwoordigers van de nieuwe onderklasse, de illegalen en al die anderen die deel uitmaken van deze leefwereld. Er is wat mij betreft een blijvende noodzaak – naast allerlei ander vormen van dataverzameling – om onderzoek from below te verrichten. Een blijvende noodzaak voor meer ‘good old etnography’ zoals David Brotherton (2011) het zo mooi verwoordde. Niet om het exotische in de samenleving te laten zien, maar om het perspectief en de betekenissen van de betrokkenen te leren kennen en te contrasteren met de legitimiteit en effecten van het migratiebeleid. Het centraal stellen van een dergelijk perspectief en methode betekent investeren in goede, jonge criminologen met een scherp theoretisch oog, die bereid zijn om het veld in te trekken en oog hebben voor complexiteit en de humanitaire aspecten van de fenomenen onder studie.
 
Dit stuk is gebaseerd op de oratie die Richard Staring op 2 december 2011 heeft uitgesproken bij zijn  aantreden als bijzonder hoogleraar ‘Mobiliteit, toezicht en criminaliteit’ aan de Erasmus School of Law, Erasmus Universiteit Rotterdam.

Foto: Bas Bogers
Bron: Sociale Vraagstukken

Hoofdzaken: Hoofddoek en Hoofdboek

maandag, december 12th, 2011

Onderzoeksbureau Motivaction heeft onderzoek laten uitvoeren onder 1570 moslima’s (met en zonder hoofddoek) en andere Nederlandse vrouwen.

Moslima’s dragen hoofddoek uit vrije wil en niet uit onderdrukking. Dat zeggen bijna negen op de tien hoofddoekdraagsters. Van alle draagsters zegt 87% zelfs nooit aan haar keuze te twijfelen. Dat blijkt uit een landelijk onderzoek dat werd uitgevoerd ter gelegenheid van de publicatie van ‘Hoofdboek’, een grootschalig project dat Nederlanders een kijkje geeft in de wereld van hoofddoekdraagsters. Zes op de tien Nederlandse moslima’s in de leeftijd van 15 tot 35 jaar draagt tegenwoordig een hoofddoek. In tegenstelling tot wat Nederlanders denken, beginnen zij hiermee niet op hun 13e, maar gemiddeld pas als ze 19 jaar oud zijn. Slechts 16% is 13 of 14 jaar als ze voor het eerst een hoofddoek draagt. Het Nationaal Hoofddoekonderzoek maakt korte metten met vooroordelen die er onder Nederlanders heersen met betrekking tot dit beladen kledingstuk.

Zo blijkt uit de onderzoeksuitkomsten dat in meer dan de helft van de gezinnen (53%) waar de moeder een hoofddoek draagt, niet alle of zelfs geen enkele dochter dit ook doet. In totaal dragen 80.000 moslima’s een hoofddoek; 40.000 niet. [...]

De vrouwen dragen de hoofddoek met trots (93%). In tegenstelling tot wat sommige Nederlanders denken en zeggen, draagt slechts 15% een doek om haar aantrekkelijkheid te verbergen. 88% van de draagsters vindt dat je er met een hoofddoek aantrekkelijk uit kan zien. Veel Nederlanders (48%) blijken helemaal geen problemen te hebben met de hoofddoek. Vooral onder jongeren nemen het begrip en de tolerantie toe; van de vrouwelijke leeftijdsgenoten heeft 63% geen probleem met de hoofddoek.

Duidelijk beleid bij bedrijven
De acceptatie binnen bedrijven lijkt minder voorspoedig te verlopen. Volgens het merendeel van de ondervraagde moslima’s (62%) nemen Nederlandse bedrijven liever geen vrouwen met een hoofddoek in dienst. Dat beeld blijkt zelfs in versterkte mate te bestaan bij autochtone leeftijdsgenoten (78%). Veel bedrijven lijken het onderwerp echter dood te zwijgen en niet duidelijk te communiceren of – en in welke functies – ze een hoofddoek acceptabel vinden. Iedereen is unaniem in zijn oordeel: de meerderheid vindt dat ondernemingen meer duidelijkheid moeten bieden op dit vlak.
Het draait hierbij niet om het feit of bedrijven wel of geen hoofddoek op werkvloer toestaan. Het gaat de vrouwen om vooral om het scheppen van duidelijkheid. Als bedrijven hoofddoeken op de werkvloer niet toestaan, is dat niet per definitie een reden tot een boycot, zo blijkt. Moslima’s zijn hierin nog stelliger dan andere leeftijdsgenoten: 36% (vs. 28%) zou nog steeds producten kopen van bedrijven die het verbieden om een hoofddoek te dragen.
Opvallend is dat 18% van de niet-draagsters in het verleden wel een hoofddoek heeft gedragen. 31% geeft aan zich prettiger te voelen zonder. Toch geeft 41% aan gestopt te zijn met het bedekken van het haar om de kansen op een baan te vergroten. Ook discriminatie in het algemeen (19%) is een reden om niet langer een hoofddoek te dragen.

Werken met een hoofddoek
Het dragen van een hoofddoek onder werktijd is een beladen onderwerp, met veel verschillende meningen. Deze meningen zijn ook sterk verdeeld onder de respondenten van het hoofddoekonderzoek. Zo vindt 85% van de hoofddoekdraagsters dat je in elk beroep een hoofddoek moet mogen dragen. Moslima’s die hun haar niet bedekken zijn hier terughoudender in (58%), net als andere leeftijdsgenoten (29%). Beroepen waarin het volgens Nederlanders geen bezwaar is om een hoofddoek te dragen, zijn:
1. Schoonmaakster (84%)
2. Radiopresentatrice (82%)
3. Caissière supermarkt (70%)
4. Buschauffeur (58%)
5. Verpleegster (54%)

Toelichting op het onderzoek
Het Nationaal Hoofddoek Onderzoek is uitgevoerd door onderzoeksbureau Motivaction, in opdracht van het magazine Hoofdboek. Deels online, deels face tot face zijn moslima’s met en zonder hoofddoek en andere Nederlandse vrouwen in de leeftijd van 15-35 jaar geïnterviewd. Daarnaast is een aantal vragen uit het onderzoek ook gesteld aan de Nederlandse bevolking van 18 – 70 jaar. In totaal deden 1570 respondenten mee. Meer informatie: motivaction.nl.

Op basis van het onderzoek concludeert men dat zes van de 10 Nederlandse moslima’s in de leeftijd van 15-35 jaar een hoofddoek draagt. Het onderzoek richt zich, onder andere, op het ontkrachten van enkele misverstanden zoals hierboven al is vermeld. Meer precies betreft dit: Het Nationale Hoofddoek Onderzoek

Misverstand 1. Alle moslima’s moeten een hoofddoek dragen.
Misverstand 2. Alle meisjes beginnen op hun dertiende met een hoofddoek.
Misverstand 3. Moslima’s dragen de hoofddoek niet uit vrije wil.
Misverstand 4. De hoofddoek is er om de aantrekkelijkheid te verbergen.
Misverstand 5. Nederland heeft een probleem met de hoofddoek.

Interessant zijn ook de volgende uitkomsten:
•Gemiddeld hebben de vrouwen 34 hoofddoeken in de kast.
•Welke hoofddoek gedragen wordt, wordt bepaald door de stemming van de dag en of het een speciale dag is zoals tijdens de Ramadan, bruiloften en feestdagen en koninginnedag.
•Een hoofddoek wordt gezien als een belangrijke persoonlijke accessoire, maar worden ook frequent geruild binnen familie- en vriendenkring.
•Hoofddoek zouden steeds ‘modieuzer’ worden, dat wil zeggen gekleurd/veelkleurig en afgestemd op de rest van de kleding
•Naast een fashionstatement is een hoofddoek voor de dames primair een uiting van geloof en onderdeel van de eigen identiteit
•Favoriete winkels voor het kopen van de hoofddoek: Turkse en Marokkaanse winkels, H&M, V&D en Zara.
•Velen lijken te verklaren dat de hoofddoek pas wordt gedragen wanneer men ‘er klaar voor is’.
•Van de Nederlandse niet-moslims (denk ik) blijkt 8% voorstander van een hoofddoekenbelasting en 22% vindt dat de hoofddoek verboden moet worden.
•De Nederlandse moslima’s vinden de commotie over de hoofddoek zorgwekkend, eng en vervreemdend. De indruk die men heeft van de mening van ‘de Nederlander’ over de hoofddoek speelt mee in de beslissing wel of geen hoofddoek te dragen.
•Overigens vindt 23% van de Nederlandse bevolking (incl. moslima’s?) dat Nederland toleranter moet zijn. Bij jongeren ligt dat hoger.
•We kunnen spreken van een soort ‘burgerschapskloof’. Waar in de politiek nogal moeilijk gedaan zou worden over hoofddoeken, moslims en islam, blijkt dat in het leven van de jonge Nederlandse vrouwen er veel meer saamhorigheid en tolerantie te zijn.
•Met hoofddoek de arbeidsmarkt opgaan lijkt voor nogal wat problemen te kunnen zorgen. Sommigen passen zich aan aan de negatieve druk en de hoofddoek af, anderen niet. De indruk die men heeft van het bedrijfsleven is nogal negatief. Daarbij komt dat er veel moeite lijkt te zijn om moslimvrouwen met hoofddoek te accepteren in representatieve, zichtbare en beterbetaalde banen.

YouTube voorvertoningsafbeelding

Ik vind dit type onderzoeken altijd wat lastig. Een paar overwegingen hierbij:
1.Een onderzoeksbevinding op basis van 1570 respondenten extrapoleren naar 80.000 kan best, maar is ook wel wat tricky. Om dat te kunnen beoordelen zouden we meer moeten weten over de 1570 respondenten. Hoe is deze samengesteld? Wat zijn de achtergronden? Hoe verhoudt deze steekproef zich tot de algemene populatie? Wat is de non-respons? Motivaction is zeker geen simpel commercieel pruts onderzoeksbureautje, maar men blinkt vaak niet uit in methodische verantwoording en reflectie.
2.Het onderzoek maakt deel uit van een groter project ‘Hoofdboek‘ opgezet door de nieuwe stichting Cup of Culture. Deze stichting zet ‘maatschappelijke thema’s als merk neer‘. De ‘branding’ van hoofddoek heeft als doel ‘om de beeldvorming rondom het meest beladen kledingstuk te verrijken’. Dat gaat niet werken mensen. Je moet onderzoek niet insteken met als doel een verrijking of verbetering van de beeldvorming. Het werkt niet en wordt simpel (en in dit geval onterecht) weggezet als ongeloofwaardige reclame. Dat het niet werkt komt omdat alle onderzoeken die zich zo nodig moeten richten op het ontkrachten van misverstanden als ‘hoofddoeken worden gedragen onder dwang’ of ‘hoofddoeken en mode passen niet bij elkaar’ de tegenstelling tussen hoofddoek en vrije keuze of hoofddoek en mode voortdurend blijven herhalen en ook voortdurend ergens het issue van integratie herhalen. Opvallend in de hele discussie is het aspect van mode. De vooronderstelling lijkt te zijn dat zich ‘terughoudend’ kleden per definitie niet modieus en/of sexy is. Het houdt de tegenstelling tussen moslim en Nederlander in stand. Dat we nu een mooie vrouw hebben met (overigens niet heel veel verschillende typen) hoofddoeken doet daar weinig aan af.
3.De zin ‘Zodat we nu voor het eerst echt weten wat er nu leeft in “de hoofden onder de doek”‘ is tenenkrommend en doet ook geen recht aan al die onderzoeken waarin moslimvrouwen aan het woord komen over de hoofddoek. De zinsnede ‘Zodat we nu voor het eerst echt weten wat er nu leeft in “de hoofden onder de doek”‘ is ook zo problematisch omdat het moslimvrouwen vooral neerzet als exotisch, mysterieus en afstandelijk in plaats van als vrouwen van vlees en bloed met wie je gewoon een praatje kunt maken als familie, vriend, kennis, collega of buurtgenoot.
4.Onderzoeken als dit houden toch vooral het stereotype in stand dat alles waar het bij moslimvrouwen om gaat de hoofddoek is. Dat mogen vrouwen die een hoofddoek dragen misschien zelf vinden (dat blijkt niet uit het onderzoek) en dat mogen ook anti-islam politici en opiniemakers vinden, maar dat wil niet zeggen dat dat recht doet aan het leven van deze vrouwen (of aan moslima’s zonder hoofddoek).
5.Daarnaast versterkt dit type onderzoek nog een ander stereotype, namelijk dat vrouwen in het algemeen vooral bezig zijn met mooi-zijn en het volgen van de laatste mode. Dat is misschien zo voor sommige vrouwen, maar toch zeker niet alle. Er zijn meerdere overwegingen bij het kiezen van de kleding (dat is overigens wel te zien in dit onderzoek, zie hierboven).
6.Het lijkt mij dat maatschappelijke thema’s verkopen / aan de orde stellen als ‘merk’ een interessante vondst is, maar ook niet anders kan dan werken met stereotypes. Is ‘branding’ immers niet meer dan het reduceren van complexe maatschappelijke issues tot eenvoudig te hanteren stereotypes waaruit alle mogelijke diversiteit en alternatieven zijn verdwenen? Er zijn inderdaad heel interessante ontwikkelingen te zien met betrekking tot hoofddoek-mode, maar moeten we daarom vrouwen met hoofddoek gaan duwen in de mainstream schoonheidsidealen of zelfs seksistische beoordelingen? Alsof hoofddoek en schoonheid nog(!) niet bij elkaar horen en alsof mode met bijvoorbeeld skinny jeans en make-up (genoemd in het onderzoek) de enige schoonheidsjablonen zijn?
7.Let wel ik ben helemaal niet tegen onderzoek naar vrouwen die een hoofddoek dragen. Er zijn uitstekende onderzoeken die ook ingaan op de hoofddoek als mode-item. Zie bijvoorbeeld Annelies Moors: “Islamic Fashion” in Europe: Religious conviction, aesthetic style, and creative consumption‘, en het inleidende artikel van een special issue van het journal Fashion Theory van haar samen met Emma Tarlo. Laatst genoemde heeft een prachtig boek geschreven Visibly Musim – Fashion, Politics, Faith. In dit boek laat zij zien dat sluiers niet zomaar kledingstukken zijn maar altijd (en soms in een bijna overdreven manier) worden verbonden met identiteit, anders-zijn, geschiedenis en tradities, moraal, symbolen van onderdrukking of juist emancipatie met politieke statements. Zij doet dit, en dat is het sterke punt, door zaken als hoofddoek en mode te behandelen als onderdeel van het levensverhaal van de vrouwen en de persoonlijke ontwikkelingen die zij hebben doorgemaakt. Het motivaction onderzoek hier laat een glimp zien door (als zoveelste onderzoek) te stellen dat veel vrouwen misschien later een hoofddoek willen dragen, als ze er klaar voor zijn, als ze er sterk genoeg voor zijn. Maar verder dan dat komt men niet. Emma Tarlo wel en zij laat zien welke verschillende afwegingen vrouwen maken in verschillende fases van hun leven. Het wel of niet dragen van een hoofddoek is geen teken van een afgeronde definitieve identiteit, maar onderdeel van een persoonlijke reis in het zoeken naar een identiteit en naar zingeving. Zaken waar iedereen, niet alleen moslima’s, zich wel iets bij kunnen voorstellen. In plaats van het nogal homogeniserende 1 vrouw, 100 hoofddoeken, laat Tarlo zien dat er sprake is is van 100-en vrouwen en 1000-en kledingstukken in verschillende levensfases.

Bron: Closer

Het vreemde en het eigene

dinsdag, december 6th, 2011

Op 21 en 22 oktober dit jaar vond in het Academiegebouw in Groningen de wetenschappelijke conferentie Het vreemde en het eigene. Eenheid en verscheidenheid inzake mensenrechten en democratie plaats.

Vijftig wetenschappers uit onder andere de VS, Engeland, Turkije, Zuid-Korea, België en Nederland discussieerden aan de hand van elf voor de conferentie geschreven papers over toekomst en beleid ten aanzien van burgerschap in een multiculturele samenleving, de problematische verhouding tussen wereldburgerschap en de nationale staat, interetnische verhoudingen en mensenrechten. 
 
De conferentie werd geopend door Chris Huinder, bestuurssecretaris van FORUM. Hij sloot aan het einde van vrijdagmiddag de conferentie af en bedankte alle deelnemers voor hun inspirerende bijdragen. Hij merkte daarbij onder andere op dat FORUM nu een veelheid aan benaderingen en begrippen had meegekregen op basis waarvan we in staat moeten zijn analytisch dieper in de problematiek van de moderne multiculturele samenleving te kunnen doordringen en daardoor nog slagvaardiger met gedegen beleidsvoorstellen te kunnen komen.

De burgemeester van de stad Groningen, Peter Rehwinkel, verwelkomde de conferentiegangers namens de Provincie Groningen, de Universiteit Groningen en de Stad Groningen op donderdag in het stadhuis.

Een verslag van de conferentie is gebundeld onder de titel ‘Strangeness and Familiarity’. Te bestellen bij Forum. De afzonderlijke hoofdstukken zijn op de website te downloaden (pdf).

De conferentie was onderdeel van het Forumproject ‘De mens als vreemdeling’. In 2010 is het 50 jaar geleden dat het proefschrift “De Mens als Vreemdeling” van de filosoof Lolle Nauta (1929 – 2006) verscheen. FORUM grijpt dit gegeven aan om dat thema opnieuw te agenderen. In het kader van het project De mens als vreemdeling worden in het najaar van 2010 tal van activiteiten georganiseerd, zoals een publieksbijeenkomst, een wetenschappelijke conferentie, een essaywedstrijd, en een expositie. 

Binnen dit project staat de thematiek van het ‘vreemde’ en het ‘eigene’ centraal: Wat is er nog vreemd in onze inmiddels geglobaliseerde wereld? Wie is nog vreemdeling voor wie? Welke inhoud hebben begrippen als ‘het vreemde’ en ‘het eigene’ eigenlijk nog in een globale context? Hoe gaan wij, westerlingen om met de vreemdeling, en hoe kijkt die vreemdeling vanuit zijn of haar perspectief tegen ons aan? En wat betekent dat bijvoorbeeld voor de politiek.
 
Het project De mens als vreemdeling is een initiatief van FORUM. Het wordt uitgevoerd in samenwerking met de faculteit Wijsbegeerte van de Rijksuniversiteit Groningen, en met steun van de gemeente Groningen en het Je Maintiendrai Fonds.

Jan Jonker: De 7 Wegen naar een Groene Economie

maandag, oktober 10th, 2011

Op 10 november zal dr. Jan Jonker zijn rede als hoogleraar duurzaam ondernemen uitspreken. Hij is bekend van het crowdsourcingsproject Our Common Future 2.0 en beloofde ons: die toespraak mogen jullie publiceren. Als voorproefje hier alvast de 7 wegen die leiden naar een echte groene economie. Dat grondstoffen daarin steeds hergebruikt worden, is een voorwaarde vooraf. Dat achterblijvende bedrijven de duurzame koplopers gaan financieren is een van de consequenties.

Weg 1. Meervoudige waardecreatie
Meervoudige waardecreatie is een leidend beginsel van productie. De kern van dit principe is dat er een ander, genuanceerder winstbegrip gehanteerd wordt, waarin niet alleen het financiële resultaat van een onderneming een plek heeft. De bijdrage aan het oplossen van maatschappelijke issues komt daarmee meer centraal te staan, veel meer dan het maximaliseren van financieel rendement of ego. Deze meervoudigheid draagt bij aan de robuustheid van de onderneming en dempt onze neiging tot suboptimalisering, waarbij ieder voor zich het beste probeert te realiseren zonder daarbij de negatieve effecten voor anderen in beschouwing te nemen. Robuustheidsdenken draagt bij aan continuïteit en benadrukt het feit dat ondernemingen geen losstaande entiteiten zijn, maar een integraal deel van de maatschappij. Als efficiency écht in conflict komt met robuustheidsdenken, dan wint in de regel de laatste.

Weg 2. Achterblijvers financieren innovatie
Heffingssystemen (belastingen, premies, heffingen) functioneren zodanig dat achterblijvers bijdragen aan de inspanningen en het risico van de voorhoede. Voorbeelden zijn gemakkelijk te bedenken: grijze energie wordt duurder om mee te betalen aan het aanloop- en innovatierisico van groene energie. Nieuwe proteïneproducten worden in de startfase mede gefinancierd door varkensvleesomzet. Er wordt geregeld dat de moeilijkste innovatiefasen vereenvoudigd worden via kruisfinanciering. Dit is een relatief eenvoudige manier om onzichtbare maatschappelijke kosten, zoals vervuiling en uitputting van grondstoffen, mee te laten wegen in de prijs vorming.

Weg 3. Een hernieuwde balans tussen lokaal en globaal
Er is een hernieuwde balans tussen lokaal en globaal. Als zaken invloed hebben op wat zich lokaal afspeelt, maar de lokale of regionale organisaties kunnen er geen invloed op uitoefenen, dan dreigt vervreemding. Een voorbeeld is het “footloose” kapitaal dat via valutabeurzen over de wereld flitst. Een mede daaruit voortkomende kredietcrisis raakt lokale gemeenschappen, maar die beschikken niet over mogelijkheden hun belangen te verdedigen. Lokaliseer dus waar het kan en zinvol is. Voorbeelden zijn te vinden in nieuwe regionale entiteiten rond energie, gezondheid of voedsel.

Weg 4. Totale kosten van bezit zijn leidend
De totale kosten van bezit (Total cost of ownership, TCO) zijn het uitgangspunt, niet alleen de aanschaf- of verkoopprijs. Dit houdt in dat bedrijven en consumenten zich mede verantwoordelijk voelen voor wat er verderop of terug in de keten gebeurt. Voorbeelden zijn te vinden in energie- of watergebruik en “embedded” grondstoffen over het hele levensloop-netwerk. Verantwoording systemen zijn hierop ingericht.

Weg 5. Cyclisch gebruik van grondstoffen
Er wordt gedacht in vérgaande levenscycli: cyclisch gebruik van grondstoffen waarbij afstanden bovendien kort gehouden worden (close-loops). Producenten realiseren zich dat hun grondstoffen voortkomen uit afval uit een vorige schakel, en dat hun restproducten weer voedsel zijn voor de volgende. Belastingsystemen zijn hierop ingericht voor alle betekenisvolle materiële stromen: automobielen, voeding, wasmachines, drinkwater, huizen, energiedragers…

Weg 6. De vervuiler betaalt
Het aloude principe “de vervuiler betaalt” wordt rigoureus doorgevoerd. Organisaties gaan rekening houden met directe aansprakelijkheid op daden die het milieu op korte of lange termijn schade berokkenen, ook als de schade pas veel later optreedt.

Weg 7. Vrijheid om verantwoord te handelen
Zoveel mogelijk keuzevrijheid bij producenten en consumenten, mits ze in hun doen en laten aan deze principes voldoen. De overheid moet zo weinig mogelijk sturen door middel van verboden of voorgeschreven middelen, methoden of technieken, maar duidelijke en ambitieuze doelen en kaders geven. Dit geeft burgers en bedrijven de vrijheid om verantwoord te handelen. De doelen en kaders kunnen gebaseerd zijn op bestaande governance frameworks, zoals het Earth Charter en het mensenrechten framework van Ruggie. Controlemechanismen (juridisch, intervisies, zelforganisatorisch) zijn eerder principle-based dan legalistisch, want strikte wetgeving ijlt vaak na en belemmert op die manier innovatie.

Bron: P+

YouTube voorvertoningsafbeelding

Nasrdin Dchar en Yesim Candan over dromen en angst

zaterdag, oktober 1st, 2011

“Voor dromen, tegen angst.” De kern van de speech van Nasrdin Dchar, die op 30 september het Gouden Kalf voor beste acteur in ontvangst mocht nemen. In wat al het beste dankwoord ooit wordt genoemd, haalde hij ook uit naar de cultuur van angst, die door Wilders en Verhagen gevoed en gemaakt wordt.

YouTube voorvertoningsafbeelding

In Volzin, tijdschrift voor zinvol leven, noemt Yesim Candan, auteur, inspirator, en promotor van diversiteit, Nederland ook een land van angst. “Al die vooroordelen, al die angst… Te lang is onvrede en onrust niet uitgesproken geweest. Allochtonen werden ten onrechte als zielig en zwak gezien en daar is misbruik van gemaakt. Fortuyn maakte een einde aan het zwijgen en dat was goed. Maar nu zou er weer rust en vertrouwen moeten komen zodat we weer met elkaar aan de slag kunnen. Dat zie ik niet gebeuren en dat is dom.” In 2008 richtte Candan een politieke partij op, die echter geen voet aan de grond kreeg. “Inzien dat het er de tijd nog niet voor was, dat we nu eenmaal leven in een tijd van angst, dat was een harde les. Het is trouwens ook heel veilig hè, in angst leven. Angst maakt dat je niet in beweging hoeft te komen, dat je lekker kunt vasthouden aan het oude in plaats van te gaan ontdekken en te vernieuwen. Het spreekwoord ‘angst is een slechte raadgever’ komt ergens vandaan. Angst is niets voor mij.” Zeggen dat de multiculturele samenleving mislukt is maakt haar boos. “De multiculturele samenleving is voor mij die drie miljoen allochtonen die in Nederland leven. Het is een feit. De kleur zit er goed in.” Alleen de integratie is volgens haar totaal mislukt. En dat komt deels door de softe houding van Nederland en deels door de angst voor anders zijn, voor diversiteit.

Multiculturalisme failliet? Onzin, volgens Taylor en Hirsch Ballin!

maandag, september 19th, 2011

Staatshoofden, politici en opiniemakers hebben de multiculturele samenleving ten grave gedragen. “De multiculturele samenleving is een mislukking,” zingen ze in koor. “Het multiculturalisme is failliet,’ voegen ze er aan toe. De afgelopen week waren er twee verfrissende tegengeluiden. En niet van de eerste de besten. Filosoof Charles Taylor en oud-minister en nu hoogleraar Ernst Hirsch Ballin openden de tegenaanval.

In de Letter & Geest-bijlage van Trouw (17 september 2011) waarschuwt de Canadese filosoof Charles Taylor voor een naar binnen gerichte politiek, zoals we die in Nederland steeds meer ontwaren (‘eigen belang voorop’, ‘wantrouwen naar het buitenland / naar het andere’, etc.). Taylor is van mening dat solidariteit, dat in westerse landen aan het slijten is, herontdekt moet worden, namelijk via democratie en collectieve identiteit: “En natuurlijk brengt dat ook het besef van een nationale identiteit met zich mee. Hetgeen overigens weer nieuwe gevaren in zich bergt, namelijk een sterke solidariteit die gebaseerd is op etniciteit.” Taylor concludeert dat een “sterk gevoel van solidariteit behouden moet worden, zonder op grond van etniciteit mensen uit te sluiten omdat ze geen autochtone inwoners zijn.”

De dringende vraag die Taylor stelt is: “Hoe kunnen we multiculturalisme samen laten gaan met sterke solidariteit?” Kern van een antwoord is volgens de Canadese filosoof dat een inwoner van een land niet meer “opgesloten zit in één particuliere omgeving, je woont in meerdere.” Westerse democratieën moeten deze realiteit accepteren, aldus Taylor, en dat vraagt een mentale verschuiving. Niet langer het idee verkondigen dat burgers voor honderd procent trouw moeten zijn aan een samenleving, een land, maar accepteren dat burgers de vrijheid hebben hun eigen identiteit te koesteren. “Als je om Duitser of Nederlander te worden al je banden moet afsnijden, dan vereist dat een hele grote aanpassing,” zegt Taylor. Voorwaarden: ruimte voor hun eigen identiteit, taal, werk, goed onderwijs.

Taylor onderkent dat Europa het in dat opzicht moeilijker heeft dan Canada. Het Noord-Amerikaanse land selecteert migranten onder meer op taalvaardigheid en vakkennis, terwijl de meeste migranten in Europese landen gastarbeider waren, die op de onderste trede van de sociaal-economische ladder staan. Dat maakt integratie een stuk moeilijker, aldus Taylor.

Het alternatief van de filosoof? “”We moeten af van het idee van een vaststaande historische identiteit. Een gemeenschappelijke identiteit moeten we steeds opnieuw maken.” Plus: “Het vertellen van het verhaal dat ondanks alle barrières iets groots van onze samenleving kunnen maken, het verhaal dat op de juiste manier vertelt wordt door politici (en niet door populisten die hameren op gevaar, oorlog, botsende beschavingen).”

Op 9 september sprak oud-minister en CDA-prominent Ernst Hirsch Ballin zijn oratie als kersvers hoogleraar mensenrechten aan de Universiteit van Amsterdam uit. Kern van zijn verhaal, met als titel ‘Burgerrechten’: een vonkelend pleidooi voor een open en tlerante houding jegens immigratie. Volgens Hirsch Ballin is het mislukt verklaren van de multiculturele samenleving gemakzuchtig. “Alsof een monoculturele samenleving wel mogelijk én wenselijk zou zijn.” Tegenover het ‘multiculturele drama’ van Scheffer plaatst Hirsch Ballin de valse illusie van de monoculturele staat. De dominantie van dat idee is volgens hem het echte drama. Een Nederland met één ‘Leitkultur’ is volgens hem uitgesloten “zolang Nederland een democratische rechtsstaat is”. Het toekennen van burgerrechten aan migranten versterkt de democratie – migratie, is noodzakelijk en “over het geheel genomen gunstig”.

Ook Hirsch Ballin spreekt van “de samenleving waaraan migranten een tweede identiteit ontlenen”. En waar ze bovendien een grote bijdrage an leveren, in cultureel, economische n persoonlijk perspectief. De hoogleraar houdt een pleidooi voor staatsburgerschap, dat bovendien weer een toegankelijk recht moet worden. “Burgerrechten moeten een mensenrecht worden,” aldus Hirsch Ballin.

Net als Charles Taylor vindt Hirsch Ballin het onzin dat van migranten geist wordt dat zij hun banden met het land van herkomst moeten doorsnijden. “Het is zowel verkeerd als zinloos.” Kabinetsbeleid dat dubbele nationaliteiten tegengaat, trouwen over de grens bemoeilijkt, meertaligheid als probleem definieert en eenmaal verworven Nederlanderschap zelfs wil kunnen afpakken, vindt bij Hirsch Ballin absoluut geen genade, schrijft NRC Handelsblad over de oratie. “Het is contraproductief, gaat in tegen de sociale realiteit en heeft averechtse gevolgen.”

YouTube voorvertoningsafbeelding