Archief voor de categorie ‘Discriminatie’

Egyptische vrouwen gebruiken sociale media tegen seksueel geweld

zaterdag, augustus 13th, 2011

Een groep Egyptische vrouwen neemt met de lancering van de website HarassMap stelling tegen sexueel geweld. Het bijzondere van het project is dat de website gebruik maakt van sociale media om incidenten waarbij vrouwen lastiggevallen worden te melden en in kaart te brengen.

De site roept vrouwen op om via telefoon, sms, email of twitter (#harassmap) ieder incident door te geven. De meldingen worden vervolgens op een interactieve online kaart geplaatst en voorzien van een kleurcode die de aard van het misbruik aangeeft. Het misbruik loopt uiteen van nafluiten en staren tot meer ernstige situaties zoals stalking en zelfs verkrachting. De vrouwen die een incident melden krijgen hulp bij het doen van aangifte, het vinden van psychologische hulp en zelfverdedigingscursussen.

De kaart heeft tot doel om bepaalde ‘hotspots’, waar veelvuldig sprake van seksueel misbruik en geweld, inzichtelijk te maken. Vrijwilligers nemen vervolgens contact op met plaatselijke winkeliers, bewoners en politie om voorlichting te geven hoe hun straat of wijk veiliger voor vrouwen kan worden.

Bron: Digitalislam

Idee ‘mislukking multiculturalisme’ voedt extremisme

dinsdag, juli 26th, 2011

In de Engelse krant The Guardian schrijven Gavan Titley en Alana Lentin over hoe islamcritici en politici met hun nadruk op het ‘mislukken van het multiculturalisme’ ruimte creëren voor extremisme.

Hoewel Anders Behring Breivik in de rechtbank zijn daden niet publiekelijk mocht rechtvaardigen, is een verdediging van zijn gedachtegoed vol vooroordelen in volle gang. Bruce Bawer, die in het manifest van Breivik – 2083: A European Declaration of Independence – wordt geciteerd, benadrukt in de Wall Street Journal zijn waarschuwingen dat een extreemrechtse terrorist geweld gaat gebruiken om uiting te geven aan “legitieme zorgen over reële problemen”. Bawer beschuldigt de gevestigde politiek ervan dat zij er niet in slaagt een antwoord te vinden voor het verval van Europa door islamisering en multiculturalisme, terwijl The Jerusalem Post waarschuwt dat “het verschrikkelijke drama in Oslo niet gebruikt mag worden om het mislukken van het multiculturalisme in de doofpot te stoppen”.

Racisme wordt vaak gerechtvaardigd als een abnormale reactie op een begrijpelijke provocatie; de focus op ‘multiculturalisme’ na de tragedie in Oslo richt de aandacht op het meest veerkrachtige alibi van het hedendaags racisme. Het ‘mislukken van het multiculturalisme’ is een geloofsbelijdenis in de Europese politiek en, net als alle uitingen van geloof, is het afhankelijk van een achterliggend mysterie. Ondanks het aan de kaak stellen van dit ‘mislukte experiment’ is er in Europa nooit een tijd geweest waarin het multiculturalisme de dominante ideologie was. Zoals Ralph Grillo heeft beweerd wordt het overheidsbeleid in die enkele landen die dat beleid uitvoeren, gekarakteriseerd door een ‘zwakke’ lappendeken van beleidsinitiatieven en ambities. Maar critici hebben voortdurend gewezen op het bestaan van een vernietigende ‘sterke’ vorm, die altijd ‘grenzeloos’ was.

Multiculturalisme is in de loop van de geschiedenis altijd beschuldigd van ‘omgekeerd racisme’ en ‘oneerlijk voor blanken’. Na 9/11 hebben politici en commentatoren het multiculturalisme verantwoordelijk gehouden voor een buitengewone hoeveelheid aan sociale en politieke problemen. De enorme macht die toegeschreven wordt aan dit half-verzonnen project en het feit dat het vaak bekritiseerd wordt in landen met een kleine groep immigranten met geen of weinig beleid op dit gebied, zou ons aan het denken moeten zetten.

Het wordt nu breed onderschreven dat racisme na de Tweede Wereldoorlog veranderde van een ideologie waarin een rangorde van rassen centraal stond, naar een ideologie die de ‘natuurlijke’ onverenigbaarheid van culturen benadrukt. Het zogenaamde ‘nieuwe racisme’ van extreemrechtse partijen in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw, nam de taal en logica van het multiculturalisme over en schetste de gewone – blanke – burgers als slachtoffers van een opgelegd beleid van een elite, die hen – blanken – het ‘recht op een eigen cultuur’ ontzegde. Dit gedachtegoed wordt gebruikt in de verdediging van de politieke wanhoop van Breivik. In extreme versies wordt multiculturalisme gezien als zelfhaat; in meer genuanceerde lezingen wordt het bekritiseerd als een prijzenswaardig experiment dat rustte op hun verschil en ‘onze’ naïeve vrijgevigheid. Beide versies schilderen ‘multiculturalisten’ en ‘immigranten’ af als een bedreiging voor een bepaalde nationale cultuur en een anders oorspronkelijke staat van sociale saamhorigheid.

De visie van multiculturalisme als een complot tussen diverse vormen van links en ‘islamisten’ is het hoofdbestanddeel van de islamofobische blogosfeer. Doug Sanders wijst in zijn analyse van het manifest van Breivik op de invloed van ‘Eurabië’ schrijvers als Bawer, Mark Steyn, Melanie Phillips en Robert Spencer, die een opruiende eindvisie verkondigen van een beschaving die onder vuur ligt. Dit ‘début-de-siècle’ weerspiegelt de Europese obsessie van decadentie en moreel verval van het ‘fin-de-siècle’, met dat verschil dat het nu moslims in plaats van joden zijn die dreigen hun tolerante gastheren te verzwelgen.

Wat het verhaal van het mislukken van multiculturalisme echter echt giftig maakt, is de acceptie ervan in brede kring. Er is geen cordon sanitaire tussen de islamofoben en het politieke midden, en de afgelopen jaren hebben een uitwisseling van ideeën tussen de twee groepen laten zien. De mythe van buitensporige vrijgevigheid gaf ruimte aan strenger migratiebeleid, verplichtende integratietrajecten en neo-nationalistische politiek, die werden gepresenteerd als niets meer dan rehabilitatie.

Recente uitlatingen van dit geruststellende verhaal door de Duitse bondskanselier Angela Merkel en de Britse premier David Cameron, kregen veel publiciteit. Maar er moet meer aandacht worden besteed aan het geaccepteerde racisme dat door het verhaal van het mislukte multiculturalisme legitimiteit krijgt elders in Europa. De voormalige minister van immigratie, Rita Verdonk, in Nederland stelde een systeem van ‘integratiebuttons’ voor immigranten voor. De oud-premier van Denemarken, Anders Fogh Rasmussen, kondigde een ‘cultuurstrijd’ tegen multiculturalisme en islam aan, en zijn minister van cultuur, Brian Mikkelsen, richtte zijn pijlen expliciet op een ‘middeleeuwse moslim cultuur’ in Denemarken. Päivi Räsäsen, de nieuwe Finse minister van binnenlandse zaken, stelde voor om christelijke vluchtelingen voorgang te geven in het belang van cohesie en om ‘discriminatie te voorkomen’. Hoewel deze voorbeelden afkomstig zijn van gebeurtenissen die het succes van radicaal-rechtse politiek laten zien, illustreren ze hoe het alibi van een ‘volstrekt mislukt’ multiculturalisme politieke winst leverde voor centrum- en liberale partijen leverde.

De politieke klasse zou eerst moeten nadenken voordat ze reageert op het drama in Noorwegen, speciaal nu bezuinigingsvoorstellen het wijzen met de vingers naar immigranten en moslims kan verergeren. Er kunnen geen gemakkelijke verbindingen worden gemaakt tussen de op schrift gestelde gedachten van een moordenaar en de complexe uitwisseling van politieke ideeën. Auteurs echter die voortdurend waarschuwingen hebben geuit om een zieke beschaving te verdedigen, hebben iets uit te leggen nu een massamoord is gepleegd op grond van hun ideeën. En gevestigde politieke partijen die met gemak meegaan in het verhaal van ‘multiculturele overdaad en verschillen met moslims’ zijn niet uitgesloten van deze kritiek.

Hoofddoekdebat gaat niet over vrouwen zelf

vrijdag, juli 8th, 2011

‘Dit proefschrift gaat over de politieke debatten en het beleid omtrent vrouwelijke Islamitische kledij in Frankrijk, Nederland en Duitsland, oftewel de hijab. Hoewel er al veel onderzoek is gedaan naar de vraag waarom de hijab in het publieke en politieke debat zo veel stof doet opwaaien, bestaat er maar weinig internationaal vergelijkend onderzoek.’ Dit zegt sociologe Doutje Lettinga in haar proefschrift over de hijab.

‘De Islamitische sluier (hijab) in Nederland is inzet geworden van een politieke strijd om nationale identiteit, net als in andere West-Europese landen. Uit de integratienota van minister Donner (Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties) blijkt dat het kabinet gezichtssluiers wil verbieden om gemeenschappelijke normen en waarden te beschermen. Maar een wettelijk verbod duidt eerder op een breuk met een Nederlandse historische traditie.’

Dit laatste concludeert Lettinga die 4 juli promoveerde aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Zij maakte een Europese vergelijking van het debat over hoofddoeken en andere vormen van sluiering en analyseerde het politieke debat en beleid in Nederland, Frankrijk en Duitsland over dertig jaar.

De houding van landen ten opzichte van de sluier wordt beïnvloed door nationale tradities in de omgang met religie, etniciteit en gender, blijkt uit het onderzoek van Lettinga. Hierdoor bestaan er duidelijke verschillen in het beleid van Nederland, Frankrijk en Duitsland. Terwijl Frankrijk in 2004 een verbod op religieuze kledij doorvoerde in openbare scholen, mogen leerlingen in Nederland en Duitsland wel hoofddoeken dragen. In Nederland mogen ook leerkrachten en reguliere ambtenaren uitdrukking geven aan hun religie, terwijl Frankrijk en een groot deel van de Duitse deelstaten dit verbieden. Sommige deelstaten staan leerkrachten echter wel toe het nonnenhabijt of het keppeltje te dragen.

‘Populistische partijen weten de sluier te agenderen als een symbool van een Islamitische ideologie die botst met onze Westerse, zogenaamd gender-egalitaire beschaving,’ aldus Lettinga. ‘De reactie van de CDA en VVD om een verbod door te voeren op gelaatsbedekkende kledij breekt met historische tradities van godsdienstvrijheid, zelfbeschikking en tolerantie.’

39 aanklachten tegen regering

woensdag, mei 25th, 2011

Maandagmiddag 23 mei hebben als monniken verklede leden van Platform Stop Racisme en Uitsluiting een lijst met 39 aanklachten tegen de regering-Rutte op de deur van de Eerste Kamer gespijkerd.

Het Platform heeft in samenwerking met Defence for Children en Vluchtelingenwerk Nederland een juridische analyse gemaakt van het regeer- en gedoogakkoord.

De schokkende conclusie is dat dit akkoord op 39 punten in strijd is met de Grondwet of internationale mensenrechtenverdragen. Vooral de rechtspositie van kinderen, asielzoekers, homo’s en moslims wordt hiermee serieus aangetast.

Het Platform wil met de 39 aanklachten de leden van de Eerste Kamer wijzen op hun verantwoordelijkheid voor het beschermen van de rechtsstaat.

Cas Mudde over populisme

maandag, januari 31st, 2011

Politicoloog Cas Mudde ziet vindt populisme geen probleem. Mudde, kenner van extreem-rechts en populisme en ooit een ‘liberale skinhead’, zegt in een interview met de Volkskrant dat “voor een deel populisme geen probleem is. Kritiek is goed. Het is goed dat de bevolking niet meer denkt: die meneer heeft ervoor doorgeleerd, laten we het zo maar doen.”

Mudde vindt dat het onderzoek naar populisme en extreem-rechts sterk is beïnvloed door het naoorlogse onderzoek naar het fascisme. “Er bestond de neiging om de rechtse aanhangers te pathologiseren. Ze zijn bang, ze zijn agressief, ze kunnen intellectueel niet mee,” zegt Mudde. Dat klopt volgens hem niet. Van een partij die 25 procent van de stemmen trekt, kun je niet beweren dat ze een klein deel van de bevolking vertegenwoordigt, aldus Mudde. “Als je kijkt naar opvattingen is het verschil tussen de kiezers van de populisten en de gevestigde partijen nog veel kleiner.”

Volgens de politicoloog sluit het populisme aan bij breed gedragen waarden in de samenleving. Niet alleen in Nederland, maar in heel Europa. “Vaak is gezegd dat populisten vijandig staan tegenover de democratische westerse waarden, waardoor je niet met ze zou kunnen samenwerken. Maar ze bieden slechts een radicale versie van de waarden die in de mainstream van de samenleving volop gedeeld worden. Daar is niets pathologisch aan.”

Mudde vindt de reacties in Nederland op alles was buiten de heersende opvatting valt, extreem. “Wat Nederland altijd heel sterk heeft gehad, is het idee: geen tolerantie voor de intoleranten… en die dan ook volledig uit te sluiten.”

“Nederlanders vinden zichzelf ongelooflijk tolerant. We hebben een heel brede mainstream. Maar als je daarbuiten valt, ben je dood. Sociaal dood, politiek dood en vaak ook juridisch dood,” zegt Mudde.De PVV ligt volgens hem helemaal niet zo ver buiten de mainstream. Logisch dat VVD en CDA met de partij van Wilders regeert, vindt Mudde. Wel heeft hij een advies voor de oppositie. Die presenteert zich teveel als anti-Wilders. “Maar zo ga je helemaal mee in zijn verhaal. Je hoeft niet zo bang te zijn voor Wilders. Laat hem maar 25 procent halen, dan blijft er nog altijd 75 procent over.”

Dan blijft er van het ‘wij’-verhaal van populisten weinig over. Want daarin ziet Mudde wel een gevaar. “Als liberaal democraat vind ik wel dat er gevaren zitten aan het populisme, vooral in het idee dat ‘wij’ – ‘het volk’ – allemaal hetzelfde zouden willen,” zegt Mudde. “Populisten geloven in het idee van een ‘algemene wil’, de wil van de meerderheid van het volk, waarbij anderen zich moeten neerleggen. Daarom hebben zij grote moeite met constitutionele rechten van minderheden. Niet alleen etnische, maar ook religieuze en politieke minderheden.”

YouTube voorvertoningsafbeelding

Psycholoog Dotsch promoveert op onderzoek vooroordelen en stereotypen

maandag, januari 10th, 2011

Diep in ons brein hebben we allerlei vooroordelen en stereotypen opgeslagen. Die informatie is van invloed op hoe we mensen zien en hoe we met ze omgaan. “Of we willen of niet, we stoppen alles en iedereen in hokjes. Op straat zien we geen losse individuen, maar mannen en vrouwen, Nederlanders en Marokkanen, jongeren en ouderen. ‘Dat is niet iets waar je over hoeft na te denken, het gebeurt gewoon”, zegt sociaal psycholoog Ron Dotsch in het Nederlands Dagblad van 10 januari. ‘Sociale categorisatie’, heet dat in psychologentaal. “Daar wordt al jaren over nagedacht”, zegt Dotsch, “maar hoe doet je waarneming dat precies? Daar was nog maar weinig over bekend.”

Op 18 januari hoopt Dotsch te promoveren aan de Radboud Universiteit Nijmegen. “Het menselijk brein moet wel categoriseren om de ontzettend grote chaos van binnenkomende informatie te kunnen begrijpen”, zegt de promovendus. “Zo kunnen we op basis van weinig informatie besluiten hoe we met iemand omgaan. Het stelt ons in staat om dingen te kunnen voorspellen over mensen. Iedereen doet dat. En niet alleen bij mensen, maar bijvoorbeeld ook bij appels en peren. We herkennen iets als een appel en delen het dan in: fruit, lekker, gezond, dat kunnen we eten.”

Aan de hand van talloze stereotypen die opgeslagen liggen in het menselijk brein heeft Dotsch onderzoek gedaan naar hoe die beelden door mensen worden gebruikt. “Je kunt bijvoorbeeld het idee hebben dat Marokkanen crimineel zijn en dat Chinezen aan hun ogen te herkennen zijn. Ergens in onze hersenen wordt wat wij zien, omgezet in de gedachte: ‘dat is een Marokkaan’, of: ‘dat is een peer’. Dat is een automatisch, maar tegelijk uitermate complex proces”, aldus Dotsch. “We hebben een bouwplan in ons hoofd van hoe bijvoorbeeld een typische Marokkaan er uitziet. Als binnenkomende informatie van wat je ziet overeenkomt met jouw beeld van hoe een Marokkaan eruit ziet, zeg je: dat is een Marokkaan. Kort door de bocht kun je zeggen: als mensen het beeld in hun hoofd hebben dat Marokkanen crimineel zijn, dan zal dat beïnvloeden wie ze wel of niet Marokkaan noemen. Criminele gezichten zullen ze dan eerder in de categorie ‘Marokkaan’ stoppen dan iemand die niet zo bevooroordeeld is. Dat is een heel subtiel proces.”

Er zijn volgens de psychologie twee soorten vooroordelen: expliciete en impliciete. Expliciet is een mening, impliciet zijn associaties gevormd door jarenlange ervaringen. “Door wat je in de media hoort of door wat je ouders aan tafel zeggen, of door een traumatiserende ervaring. Die associaties bouw je op en hoeven helemaal niet overeen te komen met je mening.”

Nationale ombudsman noemt geweld in grensgevangenis ‘niet toegestaan’

donderdag, januari 6th, 2011

De Nationale ombudsman heeft de directie van de Schipholgevangenis op de vingers getikt omdat de inzet van oproerpolitie tegen een sit down demonstratie niet was toegestaan. De klacht van een van de gevangenen over het gebruik van handboeien en de hardhandige fouillering zijn ook gegrond verklaard.

Op 18 februari 2009 hielden zo’n 34 vreemdelingen in het detentiecentrum Schiphol een zitstaking. Zij protesteerden daarmee tegen het uitzichtloze bestaan in vreemdelingendetentie en het besluitloze gedrag van de Nederlandse overheid. Om aan deze staking een einde te maken, werd de Landelijke Bijzondere Bijstandsverlening (LBB) ingezet (een soort mobiele eenheid compleet met helmen, schilden en lange latten) die volgens de demonstranten veel geweld gebruikte zoals is vastgesteld in de Nova uitzending. De demonstranten zijn geboeid afgevoerd naar hun cellen en daar volgens eigen zeggen verder mishandeld zoals blijkt uit deze transcriptie van de integrale tekst van het programma. Een van de woordvoerders is voor straf overgeplaatst naar detentiecentrum Zeist en is daar begonnen met zijn
hongerstaking.

Andere woordvoerders zijn voor straf in totale afzondering geplaatst.  De Nationale ombudsman plaatst een aantal kanttekeningen bij de verblijfsomstandigheden in die cel en doet ten aanzien van dit punt de aanbeveling om hongerstakers in een afzonderingscel zoveel mogelijk faciliteiten te bieden en andere kleding te verstrekken dan scheurkleding (papieren kleding om te voorkomen dat men suïcide pleegt) die als vernederend wordt beschouwd.

Jan Blommaert over Wilders en fascisme

maandag, januari 3rd, 2011

Het feit dat we van politici enkel nog krachtige uitspraken verwachten en wantrouwen koesteren tegenover alles wat iets langer en ingewikkelder klinkt, dat we hen ontslaan van de plicht hun standpunten tegenover ons met ernstige en steekhoudende argumenten te motiveren – en dat alles dan nog onder de noemer van democratie: dat is de crisis van onze democratie, schrijft Jan Blommaert.

Blommaert is hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan de Universiteit van Tilburg, en directeur van Babylon, Center for the Study of the Multicultural Society aan dezelfde universiteit. Op de website DeWereldMorgen gaat hij in op de gedachten die Rob Riemen oppert in zijn boek De eewige terugkeer van het fascisme.Hij valt Riemen bij als deze Wilders een fascist noemt, maar constateert tevens dat er op het begrip fascisme een taboe rust:

Het taboe bestaat echt, zoveel werd duidelijk uit de reacties van een aantal prominente opiniemakers. Frits Bolkestein, de neoliberale Charles de Gaulle, schreef schuimbekkend van woede dat Riemen zich moest schamen over zoveel onzin en dat hij het echte fascisme bagatteliseerde; enkele historici benadrukten dat fascisme historisch toch wel héél specifiek was en dat enkel jongens zoals Mussolini en Hitler eraan voldeden; en Paul Cliteur – wie anders? – bekloeg zich over het feit dat het gebruik van fascisme om Wilders te beschrijven neerkwam op haat zaaien en bovendien het leven van Wilders (nog) onveiliger maakte – vrije meningsuiting blijkt dus zelfs voor Cliteur z’n grenzen te hebben.

Men is duidelijk op z’n ongemak bij het gebruik van de uiterst gekleurde term fascisme voor iemand zoals Wilders, die zichzelf, zoals we weten, liefst van al omschrijft als een ‘democraat in hart en nieren’. Het feit dat alle door Riemen aangegeven criteria perfect passen op Wilders doet kennelijk weinig ter zake; een tijdje geleden werd Wilders door onderzoekers bestempeld als ‘extreem rechts’, en ook daar vond men dat dit overtrokken was. De onderzoekers moesten hun bepaling bijstellen, want Wilders vond hun onderzoek ‘klinkklare nonsens’ en een uiting van linkse intellectuele vooringenomenheid. De rest van het politieke veld in Nederland trad hem daarover impliciet bij: men vond het ‘onverstandig’, ‘niet gepast’ en ‘onvoorzichtig’ om dergelijke grote woorden te gebruiken. We hoorden de klassieke reacties van politieke correctheid.1

Tiens tiens, er blijken dus naast de welbekende linkse taboes ook nog rechtse taboes te bestaan, en rechtse politieke correctheid. Merkwaardig, want de woorden ‘taboe’ en ‘politieke correctheid’ zijn het laatste decennium innig verstrengeld geraakt met het adjectief ‘links’; we ontdekken via het debat over Riemen dat ook de rechterzijde zo z’n gevoelige plekken heeft, en dat debat bewijst dat ‘fascisme’ zo’n gevoelige plek is. Laat me die gevoelige plek wat masseren, misschien doet dat deugd.

In wat volgt wil ik twee argumenten formuleren. Het eerste argument is dat Riemen gelijk heeft wanneer hij Wilders een fascist noemt, al moeten we daarbij een aantal opmerkingen maken over de structuur van het actuele politieke debat en het dus ook over Belgen zoals Siegfried Bracke hebben. Het tweede argument gaat over democratie en zijn vijanden, en bij dit laatste punt moet ik het noodzakelijk ook over Paul Scheffer hebben. Ik sluit af met een herformulering van de stelling van Riemen die, naar ik hoop, door mijn tekst wat ruimer onderbouwd wordt.
Links en rechts: over definities en argumenten

Ongemak van woorden, ongemak over woorden: het politieke debat staat er bol van. Dat is deels vanzelfsprekend want politiek is in z’n diepste essentie een bedrijf van woorden, een mechaniek van definities en strijd over definities. Hoe men zichzelf benoemt, hoe anderen ons benoemen, hoe we bepaalde processen en fenomenen benoemen – dat is de kern van politiek.

De ‘terrorist’ van de ene is de ‘vrijheidstrijder’ van de andere; de ‘crisis’ van de ene is de ‘tijdelijke marktcorrectie’ van de andere; de ‘vrije meningsuiting’ van de ene is de ‘bedreiging voor de nationale veiligheid’ van de andere (zoals Julian Assange mocht ondervinden). Strijd over woorden is politiek, want woorden zijn nooit neutraal en puur beschrijvend maar altijd positionerend, altijd dingen die één bepaalde opstelling weergeven in contrast met een andere.

Dat heeft allerhande gevolgen. Het duidelijkste gevolg is dat er geen ‘objectieve’ politieke taal is; politieke taal kàn nooit puur beschrijvend zijn, want ze is politiek, dus per definitie partisaan en per definitie een middel in de strijd om de macht. Dat merkt men, zoals gezegd, net wanneer het over definities gaat. Precies dan ziet men dat het beklemtonen van het feit dat een woord dit moét betekenen, en dat niet mag betekenen de inzet is van het politieke conflict. We laten bij wijze van voorbeeld Bolkestein aan het woord:

“Het fascisme begon als een cultureel verschijnsel. Zijn voorlopers waren intellectuelen. Bergson en zijn vitalisme, uitgedrukt in het begrip ‘elan vital’. Sorel en zijn revolutionaire syndicalisme. Vooral Marinetti en zijn futurisme, die meende dat ‘tot de tanden gewapende bataljons het hoogtepunt van de esthetica vormden’. Het fascisme was een elitaire beweging met als bestaansgrond de ontkenning van universele waarden. Een kind kan zien dat dit op Geert Wilders slaat als een tang op een varken.”2

We merken dat Bolkestein hier alle mogelijke moeite doet om fascisme netjes en precies, zij het wel héél idiosyncratisch, te omschrijven als een beweging uit het verleden die voortkwam uit een (linkse!) intellectuele en artistieke elite. Noteer evenwel dat hij “de ontkenning van universele waarden” als “bestaansgrond” voor fascisme ziet. Ik kom daar verder nog op terug. Bolkestein plaatst hier een definitie van fascisme tegenover die van Riemen – dat is alles wat hier gebeurt. Het hele vervolg van het artikel van Bolkestein is een verdere uitwerking van dit definitie-verschil.

Daarbij geeft Bolkestein nog een reeks definities, bijvoorbeeld:

“Riemen noemt Wilders een populist. Maar wat is populisme precies? Behalve dan een verzamelnaam voor alles waaraan men de pest heeft. Bij mijn weten zijn leden van de Tweede Kamer volksvertegenwoordigers. Is het dan zo gek dat zij hun oor te luisteren leggen bij wat het volk vindt?”

Ook hierop kom ik straks nog even terug. Op dit punt volstaat het te zien hoe de argumentatie van Bolkestein volkomen drijft op definities, die dan ten gronde afwijken van diegene die Riemen aangaf. De kritiek vanwege historici zoals Bolkestein volgde precies dezelfde logica: eerst wordt fascisme zo gedefinieerd dat het enkel op één bepaalde reeks historisch gesitueerde fenomenen kan slaan, waarna (weinig verrassend) wordt uitgelegd dat het toepassen van fascisme op Wilders niet klopt. Vanuit die definitie wel te verstaan.3

Riemen is overigens gul met definities en argumenten in z’n boekje, dat hebben we boven al gemeld, en wat hem betreft is fascisme de politieke uitkomst van een ruimer probleem van waardenverlies en vervlakking, economische uitbuiting en egoïsme, chauvinisme en korte-termijn denken. Vanuit deze definitie is er inderdaad een continuïteit (of herhaling) met het interbellum.

Lees de diagnose van de cultuurindustrie uit Dialectiek van de Verlichting van Horkheimer en Adorno (geschreven in 1947), de analyse van Hannah Arendt in The Origins of Totalitarianism (uitgegeven tussen 1948 en1968), de kritiek op de universalisering van de kleinburgerlijke cultuur in Roland Barthes’ Myhologies (1957), het gelijklopende argument van Marcuse in One-Dimensional Man (1964) of de snijdende kritieken op de vervlakkende en depoliserende werking van televisie van achtereenvolgens Raymond Williams (1974) en Pierre Bourdieu (1996).4

Men ziet telkens hetzelfde motief opduiken: we leven in een cultuur die telkens weer, of permanent, zichzelf naar beneden toe nivelleert, en dit heeft allerhande politieke en maatschappelijke gevolgen: politieke apathie, het verlies van een besef van waarden, van kwaliteit, van morele en ideologische onderscheiden, concentratie op vermaak en consumptie – kortom, het verlies van de Grote Verhalen, het Grote Verhaal van de Liberale Democratie. En het is deze bredere beweging die haast ongemerkt – omdat het ons niets kan schelen – een politiek toelaat en mogelijk maakt die zich niets meer gelegen laat aan de Grote Verhalen, maar alleen nog bestaat uit faits divers – dingen waarvan Bourdieu zei qui font la diversion, ze leveren ons vermaak op, entertainment.

Voor al deze auteurs staan dergelijke ontwikkelingen in contrast met iets anders: de open en vrije samenleving die drijft op bewuste burgers. En die bewuste burgers gebruiken een instrument: argumentatie, redelijke argumentatie die is ingebed in kennis van zaken, reflectie en een drang naar intellectuele kwaliteit – datgene wat Rob Riemen in z’n bekendste werk als Adel van de Geest beschreef (Atlas 2009).

Wanneer men ophoudt met argumenteren begint men te schelden – of, zoals we hier zagen, met definities te gooien en zo een vorm van verbale hygiene op te leggen aan de tegenstrever. Men definieert zo immers het hele argument van de tegenstrever weg door er eenvoudigweg van uit te gaan dat het argument zich baseert op een verkeerde aanname, “X is Y”, terwijl het “X is Z” moet zijn. Je mag dit woord niet in die betekenis gebruiken, daar komt het op neer, en doe je dit wel, dan ‘vervuil’ je het debat.5

Laat ons dit even dieper uitspitten. Argumentatie wordt vervangen door definities, en dan liefst nog definities die de zaak versimpelen – etymologische definities, common sense definities of definities uit Van Dale, die de suggestie geven dat ieder ander gebruik van een term niet legitiem is. We zagen dit hierboven al, toen Bolkestein zich afvroeg wat Riemen bedoelde met ‘populisme’ en er zelf zijn interpretatie aan gaf:

“Bij mijn weten zijn leden van de Tweede Kamer volksvertegenwoordigers. Is het dan zo gek dat zij hun oor te luisteren leggen bij wat het volk vindt?”

“Het volk vertegenwoordigen” houdt dus in dat men “zijn oor te luisteren legt” bij dat volk. Vreemd, ik heb dat nog ergens gehoord. Hier is Steve Stevaert, de man die het Vlaamse socialisme terug plezant zou maken, in 2003:

“De politieke verkozenen zijn VOLKSVERTEGENWOORDIGERS. Zij vertegenwoordigen niet zichzelf, maar de mensen. Nu moet men mij toch eens uitleggen waarom iemand die de mensen vertegenwoordigt door naar hen te luisteren en op hun vragen in te spelen, een populist is.”6

Voilà – de zaak is eenvoudig. Een populist is in wezen een echte, waarachtige democraat, want als vertegenwoordiger des ‘volks’ luistert hij naar dat ‘volk’ en praat hij zoals het volk: hij praat volks. Wie het ‘gewone volk’ imiteert is een echte democraat, en dit houdt twee dingen in. Eén, men mag niét spreken als intellectueel, want intellectuelen zijn een wereldvreemde elite; en twee, men mag schelden, schimpen en andere vormen van verbaal geweld gebruiken, want ‘de gewone mensen’ spreken ook zo.

Wilders zegt daarom van zichzelf dat hij een politicus is en geen diplomaat, en dat betekent dat hij ‘er geen doekjes om hoeft te winden’ en ‘de dingen kan zeggen zoals ze zijn’. Als ‘democraat in hart en nieren’ spreekt hij de taal van het volk; als het volk racistisch spreekt, of beledigend, of kwetsend en veralgemenend, dan is het aan de democraat-politicus om ook zo te spreken. Want dan, en pas dan, is men echt democraat, wanneer men een perfect doorgeefluik is voor de stem van ‘het volk’.

Ik zou hier met enige kwaadwilligheid enkele precedenten kunnen geven. De krant van Hitlers Nazi’s heette uiteraard de Völkischer Beobachter – een vrije vertaling van wat Bolkestein en Stevaert boven als ‘democratie’ verstaan – en het Vlaams Blok stelde zichzelf in propaganda-materialen steevast voor als “De stem van het volk”. Ik wil maar zeggen: de definitie van de ‘democraat’ als perfect doorgeefluik van de stem des volks, welnu die definitie heeft een boeiende geschiedenis.

De intellectuelen behoren niet tot het volk – meer nog, in de wereld van de Belgische ex-topjournalist en huidige Vlaams-nationalistische coryfee Siegfried Bracke wordt de (intellectuele) opiniemaker als tegendeel gezien met ‘de mensen’ tout court. Vandaar dat Bracke zichzelf graag als ‘links’ wil zien. De voormalige Koning der Opiniemakers spreekt nu zoals ‘het volk’, hij zegt de dingen die ‘de mensen’ aanbelangen, en hij verdedigt die goede brave zielen als een oude dorpspastoor tegen de arrogantie van die andere opiniemakers, elitaire opiniemakers die hij met het label Gauche Caviar aanduidt:

“mensen die niet meer weten hoeveel 100 euro is, en vooral niet wat heel veel mensen moeten doen om die 100 euro bijeen te krijgen. Kan het dan overigens verwonderen dat er een gigantische kloof blijkt tussen deze praetors van de meningen en de publieke opinie zelf?” 7

Tegenover die Gauche Caviar staat dan de échte volkse democraat, en dat is iemand die niét analyseert, geen kennis van zaken nastreeft (naar eigen zeggen “gebruikt hij zijn verstand”, en dat is ruim voldoende), de zaken nooit voorstelt als complex, een duidelijk onderscheid maakt tussen wat belangrijk is voor “de mensen” en wat dat niet is, en zo meer. “Links” staat hier – als definitie – simpelweg voor “anti-elitair”, en die “elite”, dat zijn dan mensen die aanspraak maken op kennis van zaken en die daardoor meningen vertolken die, hoe verrassend, afwijken van die van de ‘gewone man’.

Dit lijntje werkt, het werkt goed, en het komt erop neer dat mensen als Bracke, Wilders en anderen iedereen de mond kunnen snoeren wier standpunt afwijkt van datgene wat – werkelijk of vermeend – onder ‘de mensen’ leeft.8 ‘De mensen’ hebben de indruk dat de criminaliteit toeneemt, deskundigen spreken dat met de feiten in de hand tegen, dus hebben de deskundigen ongelijk. ‘De mensen’ geloven dat de Islam een bedreiging is voor ons, moslims spreken dat tegen, dus moslims hebben ongelijk. Meer nog, deskundigen die ‘de mensen’ tegenspreken liegen en proberen ons (‘de mensen’) hun denkbeelden op te dringen.

Dit is hoe Bracke reageert op een studie waarin een causaal verband tussen etniciteit en criminaliteit wordt weerlegd:

“Eens te meer wordt hier geprobeerd om, overgoten met een wetenschappelijke saus, mensen juist te laten denken. En wie juist denkt is moreel goed en verheven. Het is een au fond ideologische discussie, maar dan een totaal verkeerde, waarvan ik hoop dat ze ooit zal stoppen. Het is het bekende slachtofferverhaal.

Het is een verhaal dat misbruikt wordt door de zogeheten progressieve elites, en, helaas, ook door de minderheden zelf. Om te zeggen ‘ons/hen treft geen schuld, wij/zij zijn niet verantwoordelijk’.

À propos. Eén. Weet u wat zo jammer is? Dat door dit soort fratsen de werkelijkheid versluierd wordt, met als gevolg dat échte problemen daardoor nog verder van een oplossing zijn dan ooit.”9

‘De werkelijkheid’, ‘de échte problemen’. Op deze frasen – definities uiteraard – rijden Wilders, Bracke en anderen doorheen het politieke landschap. Ze zijn tweede-generatie gebruikers, want Pim Fortuyn en (in Vlaanderen nog eerder dan in Nederland) Guy Verhofstadt, Steve Stevaert en het Vlaams Blok/Belang waren de pioniers van ‘de echte problemen’ – en van het motiefje waarbij die ‘echte problemen’ doelbewust verzwegen of verdraaid werden door ‘politiek correcte’ leden van een (‘zogeheten’ of ‘zelfverklaarde’) ‘linkse intellectuele elite’, die daardoor ‘anti-democratisch’ zijn.

Het motief is bekend, het is een refrein, en de uitspraak van Bracke heeft bijgevolg vele broertjes. Om er één te geven, hier is wat Wilders himself te zeggen had op het onderzoek van de Anne Frank Stichting waarin hij als extreem-rechts werd gecatalogeerd:

“Dit is de zoveelste schandelijke en ziekelijke poging van de elite ons te demoniseren en de PVV en al onze kiezers proberen de mond te snoeren. Maar dat gaat ze nooit lukken! Als er iets is dat de democratie ondermijnt, dan is het wel deze linkse elite, onder wie dit soort nep-onderzoekers, en de islamisering.”10

Wilders gaf deze commentaren via Twitter, en hier belanden we op een punt dat wat aandacht verdient. Laat me eerst even de voornaamste punten samenvatten. We hebben gezien dat definities een uiterst belangrijke rol vervullen in het politieke debat, en dat ze de plaats innemen van volwaardige argumentaties.

We hebben eveneens gezien dat deze nadruk op definities gericht is op versimpeling, en dat die versimpeling daarenboven wordt gemotiveerd als ‘democratisch’ (in de zin van ‘volksheid’), omdat ze in gaat tegen de complexe stem van de intellectuele elite.

Men simplifieert en verwerpt complexe argumentaties niet enkel omdat ze intellectuele en politieke moeite kosten en het eigen standpunt tegenspreken, men verwerpt ze omdat ze op zichzelf een illustratie zijn van de politiek die men verwerpt: een politiek die zich baseert op argumentatie.

Net op dit punt komt de nieuwe technologie binnen. Blogs en tweets zijn bliksemsnel uitgegroeid tot dé meest gebruikte kanalen voor politiek ‘nieuws’. Wilders heeft er een grote voorliefde voor, hij communiceert overwegend via Tweets. Wat houden deze formaten eigenlijk in? Wel, ze hebben twee grote eigenschappen: zijn kort en snel. Blogs en tweets zijn niet gemaakt voor lange en ingewikkelde berichten. Men schrijft in de regel geen tractaat via Twitter. Wat men er wel mee kan doen is een bliksemsnelle reflexmatige reactie geven op een voorval – een korte en krachtige one-liner die recht uit de buik komt en ongefilterd, ongezouten een mening geeft.

Journalisten smullen ervan: blogs en tweets bieden een kort-op-de-bal gevoelsmatig kanaal voor politieke reacties: vrolijk of droef, blij of boos, tevreden of ongerust. In een mediawereld waarin alles razendsnel moet gaan, kort en krachtig moet zijn, en liefst ook nog een persoonlijkheid en wat emoties moet weergeven, zijn blogs en tweets gefundeness Fressen.

Deze nieuwe genres scheppen nieuwe mogelijkheden voor politieke communicatie. Eén, ze ontslaan de gebruiker van de plicht te argumenteren, want daarvoor is eenvoudigweg geen plaats. Twee, ze scheppen daardoor een grote ruimte om via ‘esthetiek’ effecten te realiseren. Esthetiek: krachtige, scherpe, gebalde, gewelddadige berichten drijven boven, want net die dingen verzorgen de esthetiek van de authenticiteit.

Wie zo spreekt is eerlijk, recht-voor-de-raap en recht-door-zee, geen hielenlikker of blaaskaak maar een oprecht mens, een echte mens die tot ‘de mensen’ hoort. ‘Gewone mensen’ worden immers ook kwaad en opgewonden, ze vloeken soms ook, en hun ja is ja, hun nee is nee. En net daardoor zijn ze gerechtigd om eender welke intellectueel weerwerk te bieden en argumenten te verwerpen met oprechte salvo’s van scheldwoorden. Enkele voorbeelden, geplukt van de ‘reacties’ pagina van De Standaard na publicatie op 7 december 2010 op een opiniestuk van mij; ik druk ze af in de vorm waarin ze verschenen:

“Politicoloog of socioloog; synoniem hiervan: lulloloog? Overigens is dS, allicht voor de duidelijkheid, vergeten te vermelden dat B-plusser j.blommaert een notoire communist is van stalinistische pvda-strekking. Althans naar eigen zeggen cfr soloidair-interview. Dit soort artikelen komen in dS. Invloed van ex-demorgen BB?”

“Sinds wanneer is criminologie (laat staan sociologie) een wetenschap? Verder is Blommaert een schoolvoorbeeld van wat hij denkt te bestrijden: een ideologisch geborneerde fundamentalist met een totaal achterhaald, reactionair denkkader. Ach die marxisten… Sterf toch oude gedachten!”

“Marc Hooghe is een politicoloog : géén wetenschaper dus. Wetenschappers zijn voor mij mensen die zich bezig houden met exacte wetenschapen. Maar die hoor je nooit, want die zijn druk aan ‘t werk. En ik citeer Blommaert : ‘En kijk eens, deze keer hoort men geen gepruttel van de overkant. Hooghe en zijn collega’s krijgen publiek gelijk.’ Dat komt om dat die ‘overkant’ geen linkse opiniemakers kent die om de vijf voet een stukje in de krant mogen schrijven. Noem die ‘overkent’ voor mijn part ‘de zwijgende meerderheid’”

Opvallend toch hoe vaak men precies dezelfde frasen hoort, precies dezelfde toonzetting; opvallend ook hoe die frasen overeenstemmen met de punten die in dezelfde context gemaakt werden door Wilders en Bracke; en opvallend, tenslotte, hoe alles hier draait rond definities, niet rond argumenten: Blommaert is een communist, is een schoolvoorbeeld; Hooghe is geen wetenschapper, politicologie is geen wetenschap, en zo voort.

De nieuwe technologie zorgt voor een fenomenale uniformisering in het politieke debat: zaken worden herleid tot een beperkte reeks definiërende uitspraken, tot een simpel ja-nee schema dat geen argumenten toelaat, enkel simpele en versimpelende definitie. Tijdens het laatste televisiedebat voor de verkiezingen van 2010 zagen we Wilders zo in actie. Hij lanceerde zelf een vraag aan de andere panelleden: ‘gaat U of gaat U niet fors investeren in de zorg?’ En vervolgens onderbrak hij iedere poging van andere sprekers om deze vraag te beantwoorden met “JA of NEE?!”.

Zo eenvoudig zit die nieuwe politieke wereld in mekaar: het is ja, of het is nee. Vergeet argumenten, alles is to be or not to be. En in een televisieprogramma waarin elk antwoord maximaal 16 seconden lang mag zijn werkt dit prima, want men raakt op die manier steeds goed uit z’n woorden. Politici staan in de media nog onder één soort van druk: tijdsdruk. Inhoudelijk worden ze gerust gelaten zolang ze maar ‘kort (alstublieft)’ en ‘(dat was heel) duidelijk’ antwoorden.11

Zo een wereld is precies de wereld die Rob Riemen beschrijft: een wereld waarin analyse en argumentatie voortdurend terrein verliezen, zodat de luidste en minst scrupuleuze sprekers de beste kaarten hebben. Wie bang is van het verbale geweld (en dat is, zoals we weten, een reële vorm van geweld), of wie liever de zaken eerst grondig bekijkt vooraleer zich erover uit te spreken – die mensen drijven naar de marge van het politieke debat.

Dat debat wordt dan ook overheerst door oppervlakkige, esthetisch verzorgde schijnargumenten, die er alleen maar uitzien als argumentaties maar geen enkele argumentatie-analyse overleven. Het is doen alsof men argumenteert. Het verheven proza van Bracke kan ons alweer puike illustraties bieden. Hier geeft hij een apologie van spelletjesprogramma’s waarin politici meedoen; commentaar is wellicht overbodig:12

“Debatten zijn belangrijk – zeer zeker – maar onderschat toch ook maar de andere zogenaamd luchtige programma’s niet. Die zijn vaak zeer relevant. Omdat daarin blijkt wat voor soort mensen onze politici zijn. En ik wil dat als betrokken burger wel weten.

Want ik kies via het stemhokje niet alleen voor de richting die het beleid mijns inziens moet uitgaan. Ik kies ook voor mensen die uit mijn naam het land mogen besturen. En dat laatste is meer dan het partijprogramma uitvoeren. Besturen is ook reageren op onbekende, onvoorziene omstandigheden. Managen zeg maar, leiding geven. En nu komt het…

Via op het eerste gezicht tamelijk onschuldige, ja zelfs onnozele programma’s en spelletjes kan je er zicht op krijgen of mensen daarvoor geschikt zijn of niet.
Er zijn trouwens bedrijven die voor veel geld allerlei spelletjes opzetten om na te gaan of mensen voor verantwoordelijke en/of leidinggevende functies geschikt zijn of niet. Een dag lang moeten die dan allerlei situaties spelen en vaak lachwekkende spelletjes doen. Na afloop staat wel vast of je geschikt bent om verantwoordelijkheid op te nemen. Een assesment heet dat. Een beetje bedrijf dat zichzelf ernstig neemt, vindt assesments voor het human resources-beleid een absolute must.

Waarom zou dat voor de leidinggevenden van het land anders zijn? En is het geen goede zaak dat iedereen die spelletjes ook kan zien?”

Zoals Bourdieu aangaf: we leven in de terreur van de faits divers qui font diversion. Berlusconi is natuurlijk ook niet ver meer af. In zo’n klimaat wordt de rede verdrukt en overheersen platvloersheid, hyperbolen en superlatieven, willekeur inzake standpunten, en oproepen om figuren toch maar op hun woord te geloven omdat ze zo eerlijk zijn. We moeten vooral niet dénken, want als je dat doet dan ben je niet democratisch maar elitair.13 Voor Rob Riemen leidt dit tot fascisme en is Wilders een fascist.

Ik stel vast dat zijn standpunt niet weerlegd is; men heeft enkel gepoogd het weg te definiëren. Ik stel ook vast dat Horkheimer en Adorno, Arendt, Barthes, Marcuse, Williams en Bourdieu allemaal hebben gewaarschuwd voor hetzelfde gevaar, en dat ze dat allemaal deden om dezelfde redenen. Riemen is dus in goed gezelschap, en ik zet me graag aan zijn kant. Maar er is meer.
De open samenleving en haar vijanden

Frits Bolkestein, dat zagen we, had niets dan hoon voor Rob Riemen. Hij crediteerde het fascisme daarenboven aan een linkse intellectuele en artistieke elite – naar de empirische bewijzen hiervoor hebben we het raden – maar stelde wel dat fascisten universele waarden ontkennen. Inderdaad, we identificeren totalitaire regimes traditioneel als regimes die de universele waarden kwalificeren of ontkennen.

Die universele waarden zijn ten gronde uiteraard niet echt universeel; het zijn de grote waarden van de Verlichting, het fundamentele humanisme van de Liberale Vrijheden – de gelijkheidsgedachte, de scheiding tussen de private en de publieke sfeer, de vrijheid van meningsuiting, van politieke overtuiging en van religie, het primaat van de rede, het vrije onderzoek en het open debat, het respect voor de menselijke waardigheid en de tolerantie voor de politieke, culturele en sociale diversiteit als basis-ethos van de burger.

Europa beroept zich graag op deze waarden; het zijn die waarden die Europa tot een politiek en ideologisch paradijs maken, en het zijn die waarden die Europa graag exporteert naar andere minder paradijselijke gebieden. En ja, wie er de grondwet van een handvol Europese lidstaten op na slaat ziet die Liberale Vrijheden vaak opgelijst in de preambule of in de allereerste bepalingen. Ze zijn inderdaad het fundament van ons staatsbestel, en het zijn inderdaad dingen van immense waarde voor elk van ons. Weinigen onder ons zijn zich actief bewust van hun bestaan en belang, gewoon omdat ze zo evident zijn. Velen onder ons vinden ze dan ook niet per se een oorlog waard, of zelfs een ernstige reflectie. De Liberale Vrijheden zijn het behangpapier van onze samenlevingen geworden.

Dat is kennelijk ook het standpunt van Geert Wilders, want hij opperde in 2006 dat het eerste artikel uit de Nederlandse grondwet – het gelijkheidsbeginsel – best mocht geschrapt worden.14 Bovendien is hij van mening dat de islam geen godsdienst is maar een politieke ideologie die uit Nederland moet gebannen worden, want ze is volkomen in strijd met de waarden van het Westen en is er zelfs een duidelijke bedreiging voor. Islam is simpelweg een nieuwe vorm van fascisme of communisme.15 Democratie en islam: ze gaan niet samen, ook al zou elke Liberale democraat een ‘politieke’ Islam moeten gedogen precies omdàt het een politieke ideologie is – ze doen dat immers even goed met de christendemocratie.

Het open debat en het respect voor de politieke diversiteit, zoals we zegden: het zijn de precies fundamenten van de Westerse democratie die Wilders inroept die hem er toe zouden moeten dwingen met moslims in debat te gaan eerder dan er fatwa’s over uit te spreken. Het feit dat niemand deze aartsliberaal ooit heeft gewezen op deze catastrofale paradox in zijn eigen opstelling, en dat mensen zoals Bolkestein ze niet eens blijken op te merken, wijst uit hoe ver onze politiek is afgedwaald van de Grote Verhalen waaraan ze haar bestaan en haar structuur te danken heeft.

Liberalen vallen de grote Liberale Vrijheden aan in naam van diezelfde Vrijheden. En christendemocraten die alles te verliezen hebben bij het afwijzen van ‘politieke’ versies van religie geven hieraan gedoogsteun. Ziedaar het merkwaardige ideologische universum waarin we thans leven. Hume, Mill, Rousseau en Benjamin Franklin zouden zich bij het lezen van de esbattementen van hun Liberale zonen omkeren in hun graf; over Marx hoeven we het vooralsnog niet te hebben.

De Grote Verhalen zijn afgeschaft en ideologische rechtlijnigheid is niet langer een vereiste voor een florissant politiek leven. Paradoxen zoals deze zijn dan ook niet langer een obstakel voor politiek succes. Paradoxen en inconsistenties allerhande zijn zelfs helemaal geen bezwaar meer – politici zoals Wilders grossieren er in.

Op 14 december 2010 publiceerde Wilders een artikel in de Volkskrant, onder de titel “Palestijnse staat is er al lang: Jordanië”. In dat artikel legt Wilders uit dat er na de stichting van de staat Israël een ‘etnische zuivering’ plaats vond in de Arabische buurlanden. Joden werden verwijderd. Tezelfder tijd ontstond natuurlijk het Palestijnse ‘vluchtelingenprobleem’ – de aanhalingstekens worden straks door Wilders zelf toegelicht. En hiervoor ziet Wilders een simpele oplossing. Jordanië heeft zichzelf tot voor kort altijd als een ‘Palestijnse’ staat gezien; welnu, de paar miljoen Palestijnse ‘vluchtelingen’ kunnen best overgebracht worden naar Jordanië, want dat is tenslotte hun lang verwachte Palestijnse staat. Wilders lijkt er geen problemen mee te hebben dat hij in zijn reactie tegen de Arabische ‘etnische zuivering’ een nog grotere ‘etnische zuivering’ voorstelt:

“Jordanië heeft 6,4 miljoen inwoners, onder wie reeds 2 miljoen Palestijnse vluchtelingen. 2,7 miljoen vluchtelingen bijkomend toelaten, zal voor problemen zorgen, maar het is niet onmogelijk. Dit vereist echter dat Jordanië zich openstelt voor alle Palestijnse vluchtelingen.”

Zo, dit “zal voor problemen zorgen”. Een etnische zuivering heeft inderdaad vervelende neveneffecten. De volkomen scheve argumentatie stelt het conflict in het Midden-Oosten voor als uitsluitend het gevolg van islamitsch antisemitisme – waardoor het ‘ideologisch’ is. Dat ideologische karakter van het conflict heeft tot gevolg dat ‘territoriale toegevingen’ gevaarlijk zijn voor Israël (waarom wordt niet uitgelegd). De oplossing dient zich aan: laat de moslims terugkeren naar hun ‘land van herkomst’ en laat de Joden leven in het land dat hun naam draagt: Judea. Dat land van herkomst heeft het trouwens zelf gezocht, het noemde zich tot voor kort immers de ‘Palestijnse staat’.

En tenslotte zijn die Palestijnen geen echte ‘vluchtelingen’. Immers:
“De VN beweren dat er 4,7 miljoen Palestijnse vluchtelingen zijn. Volgens de internationale definitie wordt de status van een vluchteling slechts toegepast op de eerste generatie vluchtelingen. De VN maken echter een uitzondering voor één groep: de Palestijnen. Nakomelingen van Palestijnse vluchtelingen krijgen dezelfde status als hun voorouders. Daarom steeg het aantal zogenaamde Palestijnse vluchtelingen van 710.000 in 1950 naar meer dan 4,7 miljoen in 2010. De VN gebruikt deze vluchtelingen als demografisch wapen tegen Israël.”

Zo. De kinderen van vluchtelingen zijn dus geen vluchtelingen meer. Volgens dezelfde logica zijn de kinderen van allochtonen in Nederland natuurlijk geen allochtonen meer en beginnen de demografische cijfers over allochtonen er wel anders uit te zien – alweer een inconsistentie die Wilders lijkt te ontgaan. En de bottom line is: laat de VN ophouden Israël te chanteren en organiseer gewoon één van de grootste etnische zuiveringen uit de geschiedenis.

Daarmee is alles opgelost en kan Wilders als geopolitiek genie de Nobelprijs voor de Vrede krijgen. Inmiddels is het artikel wel een argumentatieve draak waarin de ene non sequitur de andere opvolgt en waarin zelfs de pogingen tot schijnargumentatie het niveau van een schoolopstel niet overstijgen. Het is een cut-and-paste van allerhande kleine puntjes: Wilders blogt en Twittert er op los, en de problemen die dat schept worden helder wanneer hij een iets langer stuk moet ophoesten.16

Het feit dat ik Rob Riemen steun in zijn omschrijving van Wilders als fascist begint misschien wat begrijpelijker te worden. Ik weiger uitspraken zoals deze te beschouwen als domheid, want ik geloof dat Wilders een behoorlijk intelligent mens is. Ik beschouw dit dan ook als iets wat zo uit de keuken van elke totalitaire staat kan komen, en als de term fascisme dit duidelijk samenvat dan teken ik ervoor. Wie pleit voor de ongelijkheid van de mensen, voor het verbieden van een levensovertuiging – of men ze religieus of politiek noemt maakt weinig uit – en voor een etnische zuivering van enkele miljoenen mensen verdraagt slechts een beperkte reeks namen; fascist is er één van.

‘Democraat’, sorry, maar daarvan denk ik niet dat het op Wilders van toepassing is. Het feit dat hij verkozen is in open en vrije verkiezingen is niet echt overtuigend – Hitler, Mussolini, Mobutu en zelfs Stalin konden, zoals we weten, het zelfde argument inroepen. Het feit dat hij zijn verkozen macht gebruikt om fascistische voorstellen te doen is overtuigender. Democratie is immers een Groot Verhaal, geen reeks van technische procedures, en er is meer nodig dan democratisch verkozen te zijn om democraat te zijn.

Iemand die dit bijzonder duidelijk heeft gemaakt is Karl Popper in zijn The Open Society and its Enemies. Het boek verscheen in 1945 en trok lessen uit de Tweede Wereldoorlog, het fascisme en het stalinisme. Het was een krachtig pleidooi voor de liberale democratie – de open samenleving – als een ideologie, een Groot Verhaal waarvan de Liberale Vrijheden de verhaalstof zijn.

De vijanden ervan waren die politieke krachten die de openheid van de liberale democratie wilden terugschroeven door de gelijkheidsgedachte te ontkennen, een teleologische noodwendigheid in de menselijke geschiedenis te poneren, de vrije circulatie van gedachten en overtuigingen te beperken en de menselijke waardigheid aan één of ander hoger doel op te offeren. Poppers werk werd weliswaar een codex voor de Koude Oorlog, maar het is en blijft een werk dat democratie omschrijft als iets wat ver voorbij de procedures en reglementen van onze gewoonte-democratie gaat en permanente zorg, kritiek en toewijding vereist. Ik neem zijn oproep graag ter harte.

Ik ben de enige niet. Paul Scheffer, auteur van Het Multiculturele Drama (2000) en het Land van Aankomst (2007), verdedigde onlangs zijn doctoraat aan de Universiteit van Tilburg. Ik was lid van zijn jury. Het proefschrift zelf was een vertaalde nieuwe editie van Het Land van Aankomst, maar Scheffer ging in de antwoorden op de examenvragen veel verder dan wat hij in dat boek stelt. Pro memorie: de boeken van Scheffer hadden een buitengewone impact op het publieke debat over migratie en allochtonen in Nederland.

Scheffer had het over de noodzaak van allochtonen om zich aan te passen aan hun ‘land van herkomst’, en ook hij nam geregeld de moslims in het vizier wanneer hij slechte voorbeelden nodig had. Bovendien hakte hij in op de (linkse? Intellectuele?) elite die de kop in het zand stak en zich verloor in een sacraal gejubel over de zegeningen van de multiculturele samenleving. Voor hem moest men de ‘échte problemen’ nu maar eens erkennen en ‘de zaken zeggen zoals ze zijn’. Fortuyn nam die uitnodiging graag aan.

Het proefschrift was getiteld – let goed op – The Open Society and its Immigrants. Scheffer kent zijn klassiekers. Toen hem werd gevraagd of deze echo van Popper niet suggereerde dat de migranten de huidige enemies van de Open Society zijn, beklemtoonde hij precies het tegendeel. Migranten zijn nu net de uitdaging voor de open samenleving om écht open te zijn, om opener te worden en te vechten tegen de interne reflexen die openheid proberen te beperken. Diversiteit is in die zin steeds een uitdaging om democratischer te worden.

Scheffer beriep zich uitvoerig op het historische voorbeeld van de VS. Toen deze in oorsprong Protestantse staat in de 19de eeuw werd geconfronteerd met de massale immigratie van orthodoxe Katholieken uit Ierland, Italië en Polen was de eerste reactie afwijzend. Katholieken waren theocraten en ze zouden eerst loyaal zijn aan Rome en dan pas aan Washington; hun waarden stonden haaks op die van de open en democratische Amerikaanse samenleving; ze hadden nooit een Verlichting gekend en ze klitten aan elkaar in etnische getto’s. Waar hebben we dat nog gehoord, nietwaar.

Welnu, die fase van afwijzing is in de VS gevolgd door een fase van aanpassing, vanwege de Katholieken (die snel uitmuntende Amerikanen bleken te zijn) zowel als vanwege de Amerikaanse staat, die er van uitging dat geloofsvrijheid – de hoeksteen van de Amerikaanse geschiedenis – even goed voor Katholieken moest gelden, en dat de VS slechts een echte democratie zou zijn indien het alle mogelijke overtuigingen op gelijke wijze zou eerbiedigen. Een goeie halve eeuw later werd John F. Kennedy de eerste Katholieke president van de VS.

Er is op dit voorbeeld van alles aan te merken en af te dingen, maar het hoofdpunt blijft steeds overeind: diversiteit schept een nood aan verdiepte en verbeterde democratie, en voor een democraat kan enkel een verbetering van de democratie een antwoord zijn op de moeilijkheden die diversiteit stelt. Het terugschroeven ervan, het exclusiever of voorwaardelijk maken ervan: dat zijn geen opties, want ze betekenen het einde van onze open samenleving.

Wie zijn dan de hedendaagse enemies van Poppers Open Society? Wel, het zijn mensen zoals Wilders. Zij zijn het die ons doen geloven dat enkel minder democratie en meer exclusiviteit in het toekennen van rechten onze marsrichting uitmaken. Krijgen wij daarvoor argumenten? Neen: we krijgen tweets en blogs die ons op het eerste zicht en zonder enige reflectie moeten overtuigen, want Wilders is toch zo eerlijk.

Het is een bekend motief bij Wilders en andere islam-bashers: de islam heeft nooit een Verlichting doorgemaakt. Welnu, als reactie daartegen vragen die mensen ons om onze eigen erfenis van de Verlichting op te geven, onze open samenleving dicht te timmeren, ons verstand op nul te zetten en ons te wentelen in angst en haat. Waarom? Omdat zij die ons dit voorstellen toch zo eerlijk zijn.
De populistische opdracht

In 2008 publiceerde David Van Reybroek bij Querido een fel bejubeld boekje, Pleidooi voor Meer Populisme. Daarin legde hij uit dat populisme geen probleem voor de democratie was, meer eerder een oplossing. Toch was er een voorwaarde:

“De angst voor het populisme is ongegrond als het zich aan de principes van de democratie houdt. Dat betekent: onvoorwaardelijk respect voor het gelijkheidsbeginsel, de mensenrechten, de scheiding der machten en de rechtsstaat. In een democratie regeert de meerderheid, maar om te vermijden dat die meerderheid op democratische wijze voor een dictatuur of genocide zou stemmen, bestaan er enkele onvervreemdbare grondrechten. Populisten moeten zich daarnaar schikken.”17

Populisme mag met andere woorden niet in gaan tegen de open samenleving en haar waarden en vrijheden. Prima, daarmee heb ik geen enkel probleem. Van Reybroek bleef echter wel vaag wanneer het erop aan kwam populisme precies te identificeren. Is het gewoon een stijlkenmerk van communicatie, waarin men ‘de stem van de laag opgeleide’ hoort? Of is het (zoals ikzelf beweer) een inhoudelijk gegeven waarvan een bepaalde stijl slechts een drager is?

Er is niks mis met het eerste. Er is zelfs een oude en zeer respectabele benaming voor: vulgarisatie, de doelgerichte poging om via bepaalde genres complexe argumenten toegankelijk te maken voor een ruim en niet-gespecialiseerd publiek. Aucun problème. Vulgarisatie is de transformator die wetenschap tot cultuur maakt, die ervoor zorgt dat gedachten en inzichten die uit een extreem gespecialiseerd milieu komen gedemocratiseerd worden en zo gemeengoed worden, elementen van het denkproces van velen.

Om die redenen ben ik al heel mijn loopbaan een enthousiast vulgarisator.
Dat is voor mij nog iets heel anders dan een populist. Populisme is meer dan een stijlkenmerk, het is een spreekregime waarin je via bepaalde stijlkenmerken welbepaalde types boodschappen produceert. De vorm van populisme staat niet los van de inhoud, maar bepaalt de inhoud, beide elementen zijn niet te scheiden.

We hebben dit boven al gezien: in een populistische politiek weigert men te argumenteren, en men kan deze weigering hard maken door zich te schikken aan de orde van de bestaande formats voor publiek spreken. In een televisiedebat waarin de vraagsteller meer tijd krijgt dan degene die de vragen moet beantwoorden (een zeer wijd verspreid fenomeen), en de ondervraagde om de twaalf seconden wordt onderbroken door de ondervrager (nog wijder verspreid) – in zo’n debat heeft de ondervraagde het gemakkelijk, want hij of zij zal op geen enkel moment gedwongen worden om een uitgebreide en genuanceerde argumentatie op te zetten. Doet de ondervraagde dat wel, dan wordt hij of zij prompt onderbroken door de ondervrager. In de wereld van de politieke communicatie en van de media heeft men dit tot wet verheven; die wet is het het format, en wanneer die wet niet gevolgd wordt ontstaan er conflicten.

Op 5 december 2010 werd premier Yves Leterme in het VRT-praatprogramma De Zevende Dag op de rooster gelegd over het Belgische asielbeleid. Dat beleid was in een diepe crisis want duizenden asielzoekers hadden geen dak boven hun hoofd in de scherpe vrieskou. De interviewer Ivan de Vadder stelt zijn openingsvraag, en Leterme begint aan een uiteenzetting waarin eerst de wortels van de crisis worden geschetst, waarna hij een overzicht geeft van de verschillende stappen en maatregelen van zijn regering. Het was een uitermate heldere, informatieve en coherente uiteenzetting.

Na twintig seconden begint De Vadder echter zenuwachtig te worden; Leterme gaat onverstoorbaar voort; na 70 seconden is het echt genoeg voor De Vadder, en hij begint langsheen de uiteenzetting van Leterme een vraag te stellen: “U hebt dus genoeg gedaan voor het asielbeleid. Hoe gaat U dat uitleggen aan de mensen die op straat moeten slapen?” Leterme gaat gewoon voort, en De Vadder ontploft: “Premier, ik probeer gewoon een vraag te stellen!” Leterme blijft onverstoord praten.

De Vadder staat recht en snauwt (terwijl Leterme voort praat) “zal ik even verdwijnen? Dan kan U rustig verder doen.” Hij wijst naar de camera: “Daar is de camera!”, gevolgd door “Dit is geen regeringsmededeling”. Leterme gaat stoïcijns voort met zijn zeer informatieve uiteenzetting – eigenlijk een perfect inhoudelijk antwoord op de vraag naar wat zijn regering aan het asielprobleem deed; De Vadder dremmelt wat onbeholpen rond, zet zich dan terug neer, en sluit het interview botweg af van zodra Leterme zijn uiteenzetting afrondt.18

Hier zijn nu twee dingen aan de orde. Eén: inhoud. Het antwoord van de premier was buitengewoon helder en coherent, zoals ik zei, en voor wie echt belangstelling heeft voor politiek in het algemeen en asielbeleid in het bijzonder was dit om duimen en vingers af te likken. Een parel van politieke informering. Twee: stijl. We zien dat De Vadder te allen prijze zijn format wil beheersen, en blijkbaar geen bal geeft om de uiteenzetting van de premier. De premier was bezig, zoals gezegd, aan een zeer coherent verhaal.

De Vadder onderbreekt hem op een willekeurig punt, want we zitten inhoudelijk ergens in het tweede kwart van de uiteenzetting. Dit punt is louter ingegeven door tijd: voor De Vadder heeft Leterme al véél te lang gesproken, 70 seconden om precies te zijn, en dus moet hij zijn mond houden want er moét een nieuwe vraag komen. En wat is die vraag? “Hoe gaat U dat uitleggen aan de mensen die op straat moeten slapen?” De Vadder verschuift het platform van het gesprek, de zogeheten footing, van informatie naar emotie, van politiek naar human interest. En hij is danig gekrenkt wanneer blijkt dat Leterme die verschuiving niet mee wenst te maken.

De journalist is manifest niet meer geïnteresseerd in wat de premier te zeggen heeft – de inhoud van Letermes verhaal is volkomen bijzaak voor De Vadder en het is zeer de vraag of hij er naar luistert, bekijk rustig de beelden. De Vadder is over zijn toeren omdat zijn format door de premier aan diggelen wordt gelopen. En om nu even terug te keren naar inhoud: indien Leterme na 70 seconden de vraag van De Vadder had aangenomen, dan zouden we niet enkel niets van wat volgt hebben gehoord, maar meer nog, ook datgene wat we tot dan toe hoorden zou geen enkele betekenis meer hebben, want het was enkel de aanloop naar de rest van de uiteenzetting.

Zo zien we hoe een mediaformat dat naar eigen zeggen ‘informerend’ is ten gronde lak heeft aan informatie. Het is een spel – één van de spelletjes, allicht, waar Bracke het eerder al over had – en dat spel moet gespeeld worden volgens de regels. En in die regels is informatie blijkbaar het eerste wat mag worden opgegeven.

Het is dan ook een kapitale vergissing populisme enkel maar te zien als een stijlcomplex waarin ‘de gewone man’ aan bod komt. Wie dit doet, doet die ‘gewone man’ zeer grote oneer aan, want de ‘gewone man’ wordt informatie ontzegd. Populisme weigert ‘de mensen’ te informeren, het kiest ervoor ze te entertainen – de diversion van Bourdieu. En populisten doen dat net omdat ze ‘de mensen’ belangrijk vinden en ‘hun oor bij hen te luisteren leggen’.

Welnu, wat in wezen gebeurt is de infantilisering van de ‘gewone man’. Hou ‘m vooral ongeïnformeerd en onwetend, en beroep je dan op die onwetendheid om jezelf tot echte democraat uit te roepen. Laat hem er lustig op los bloggen en Twitteren, en blog en Twitter hem naarstig terug: het ontslaat je allemaal van de plicht hem te informeren en met argumenten te overtuigen. Zo win je vandaag verkiezingen, en kan je daardoor jezelf morgen tot ‘democraat in hart en nieren’ verklaren.

We worden doorheen dit alles bestookt met politieke voorstellen en plannen die een prima facie suggestie van geloofwaardigheid hebben, maar die ten gronde door geen enkel ernstig argument worden gedragen – denk aan de visie van Wilders op het Palestijnse vraagstuk. Wanneer deze Tweeter een langere redenering in mekaar moet boksen blijkt alles op een lamentabele manier te rammelen. Maar kijk ook eens hoe de huidige koploper in de Belgische politiek Bart De Wever één van zijn hoofdstellingen uitlegt:

“In België staan twee totaal autonome democratieën tegenover elkaar, met andere culturele en economische agenda’s: in meerderheid linkse verzuchtingen in Wallonië staan tegenover in meerderheid rechtse verzuchtingen in Vlaanderen. Activering van vijftigplussers noemen de Franstaligen ‘een klopjacht op werklozen’ – Frank Vandenbroucke weet dat al te goed. Dus kunnen politici in hun eigen democratie nooit leveren wat van ze gevraagd wordt. En dat zal nog dramatischer worden nu de bodem onder de schatkist uitvalt. Als ik ook eens een axioma mag lanceren: ik zie niet in hoe je het daarmee oneens kunt zijn. Of vind jij België nog een democratie?”19

Valse uitgangspunten (‘twee autonome democratieën’), het verheffen van een historische toevalligheid tot een historische wetmatigheid (de vorige verkiezingen gaven een rechtse overwinning in Wallonië), het particulariseren van algemene standpunten (de ‘klopjacht op werklozen’ is ook in Vlaanderen een thema), en dan een conclusie die uit de valse uitgangspunten volgt (‘is België nog een democratie?’); kortom, we krijgen hier alweer de suggestie van een redelijke argumentatie, die ten gronde kant noch wal raakt – al kan ze wel vlot en met aplomb in zestien seconden worden uitgedrukt.

Het feit dat we aan dergelijke kromspraak gewend geworden zijn, dat we van politici enkel nog eerlijke krachtige uitspraken verwachten en wantrouwen koesteren tegenover alles wat iets langer en ingewikkelder klinkt, dat we hen ontslaan van de plicht hun standpunten tegenover ons met ernstige en steekhoudende argumenten te motiveren – en dat we dit alles dan nog onder de noemer van democratie laten varen: dat is de crisis van onze democratie. Het is de onderstroom waarop mensen zoals Wilders groot worden; het is ook de onderstroom die ervoor zorgt dat we aarzelen om hun standpunten als fascistisch te bestempelen; het is die onderstroom die onze democratie stap voor stap uitholt, comateus maakt, een karikatuur van zichzelf.

Frits Bolkestein sluit zijn tirade tegen Rob Riemen af met de volgende bedenking: “Wie Wilders wil bestrijden, moet dat doen op basis van feiten en argumenten en moet niet met verdachtmakingen komen.” Juist ja, met feiten en argumenten. Hij geeft die zelf niet, maar goed, het is dan maar aan ons om dit te doen. Het is aan ons om Wilders en Co te dwingen tot argumentatie. Die argumentatie mag wat mij betreft best ‘volks’ klinken – hoe meer mensen ze begrijpen, hoe beter, want dat betekent dat meer mensen er kritiek op kunnen formuleren.

Maar het moet een echte argumentatie zijn, geen geësthetiseerde schijn-argumentatie die goed klinkt, ons aan het lachen brengt (‘verdomd goed gezegd Geert!’) en ons kritisch bewustzijn in slaap sust, net zoals bij elke andere vorm van vermaak. Wanneer we hem vrijgeleide geven voor een argumentenloze politiek, dan moeten we aanvaarden dat onze open samenleving gesloten is en dat we in een heel andere politieke omgeving leven. Dat is het gevaar waarop Riemen wijst, en om Bart De Wever te citeren, “ik zie niet in hoe je het daarmee oneens kunt zijn”.

Jan Blommaert is Hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan de Universiteit van Tilburg, en Directeur van Babylon, Center for the Study of the Multicultural Society aan dezelfde universiteit.

Noten:

1 Zie http://nos.nl/artikel/81111-anne-frank-stichting-wilders-extreemrechts.html
2 Frits Bolkestein, “Rob Riemen, schaamt U zich voor zoveel onzin” Volkskrant 13 november 2010.
3 De reactie van Boekestein (niet Bolkestein) is te zien op http://nieuwsuur.nl/video/195658-filosoof-noemt-wilders-fascist.html
4 Max Horkheimer & Theodor Adorno, Dialectiek van de Verlichting (uitgave SUN, 1987); Hannah Arendt, The Origins of Totalitarianism (uitg. Harcourt 1968); Roland Barthes, Mythologies (Seuil 1957); Herbert Marcuse, One-Dimensional Man (uitg. Routledge 2002); Raymond Williams, Television (uitg. Routledge 2003); Pierre Bourdieu, Over Televisie (uitg. Boom 1998).
5 Zie Deborah Cameron, Verbal Hygiene. Routledge 1995.
6 Steve Stevaert, Wat Goed Is Voor de Mensen. Intentieverklaring van Steve Stevaert. Brussel: SP.A, 2003. Voor een bespreking, zie Jan Blommaert
, “Populisme als spreekregime”, in Jan Blommaert, Eric Corijn, Marc Holthof & Dieter Lesage, Populisme. EPO 2004.
7 Zie Siegfried Bracke, “Over pietluttigheden”, 4 december 2008.
8 Op deze regel is één uitzondering: hun eigen standpunt mag afwijken van dat van ‘de gewone man’. Zo zijn de standpunten van Bracke inzake de Belgische staatshervorming de standpunten van een minderheid in de ‘publieke opinie’.
9 Siegfried Bracke, “Ochtendnieuws”, 6 december 2010.
10 http://www.nu.nl/algemeen/2113180/wilders-ziedend-etiket-extreem-rechts….
11 Wie hierover details en bewijzen wil, zie http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2010/06/20/het-dna-van-een-politie…. In dit artikel analyseer ik een ‘debatprogramma’ op de Vlaamse televisie in de aanloop naar de verkiezingen van 2010.
12 Bracke, “Inhoud en vorm”, 14 mei 2007. http://www.siegfriedbracke.be/index.php/
13 In het eerder vermelde artikel ‘Populisme als spreekregime’ betoog ik dat zij die beweren te spreken zoals ‘de mensen’ nu net, paradoxaal, de absolute top uitmaken van de communictie-hiërarchie in onze samenleving. Populisten zijn zonder uitzondering hoogopgeleide elite-figuren. Intellectuelen dus, al schieten ze met liefde en overgave op intellectuelen. Zie ook jan Blommaert, De Crisis van de Democratie, EPO 2007.
14 Zie http://headlines.nos.nl/forum.php/list_messages/2085
15 Er zijn op het Internet nogal wat bewijzen hiervoor te vinden. Zie bijvoorbeeld http://www.youtube.com/watch?v=JMipzYNUHb8
16 Wilders publiceerde dit stuk net op het ogenblik dat de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken Uri Rosenthal aan een rondreis doorheen het Midden-Oosten begon. De geneugten van de gedoogsteun beginnen allicht stilaan door te dringen bij de leden van het Kabinet-Rutte.
17 http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/De-Gedachte/article/detail/395049/2008…. Het boekje van Van Reybroek was een reactie op het eerder vermelde Populisme (EPO 2004). De volgende paragrafen baseren zich op mijn artikel ‘Populisme als spreekregime’ in dat boek.
18 Het hele incident is te zien op: http://www.youtube.com/watch?v=y4hwS8zMAZI
19 In een wat kromme redeneringen betreft zeer rijk bedeeld dubbel-interview met Frank Vandenbroucke in Humo: http://www.humo.be/tws/deze-week/20258/humo-sprak-met-bart-de-wever-en-f…

Migranten vragen weinig hulp bij opvoeding, onderwijs en gezondheid

donderdag, december 9th, 2010

Migranten maken relatief weinig gebruik van hulp bij opvoeding, onderwijs en gezondheid. Terwijl ze wel vaker opgroei-, ontwikkelings- en gezondheidsproblemen hebben dan autochtone Nederlanders. Dit toont het SCP-onderzoek ‘Naar Hollands gebruik? Verschillen in gebruik van hulp bij opvoeding, onderwijs en gezondheid tussen autochtonen en migranten’.

Hoewel migranten vaker problemen hebben dan autochtonen op gezondheids- en opvoedingsgebied, zoeken ze minder vaak hulp hiervoor dan autochtonen. Dit laat het onderzoek Naar Hollands gebruik? van het Sociaal Cultureel Planbureau zien.
Verschillen tussen migranten en autochtone Nederlanders in kenmerken als opleidingsniveau, gezinsvorm en belang van religie verklaren slechts een deel van het verschil in voorzieningengebruik. Migranten kijken vaak anders aan tegen problemen dan autochtone Nederlanders, en ze zijn niet altijd positief over de voorzieningen. Het zoeken van hulp is – vooral voor migrantenouders – niet altijd even gemakkelijk, en de beschikbare hulp sluit vaak onvoldoende aan.
In het SCP-rapport gaan de onderzoekers voor een viertal voorzieningen na in hoeverre er verschillen bestaan in het gebruik ervan tussen autochtoon Nederlandse en migrantenjeugdigen (en hun ouders). Er is gekeken naar formele opvoedingsondersteuning, speciale onderwijs-voorzieningen, de huisarts, en het gebruik van anticonceptie, abortus en soa-testen. De uitkomsten zijn gebaseerd op literatuurstudie, interviews met experts en (waar mogelijk) kwantitatieve data-analyses.

Veel problemen, weinig hulp
Wanneer jeugdigen en hun ouders problemen ervaren bij opvoeding, onderwijs en/of gezondheid, kunnen zij gebruikmaken van algemene voorzieningen. In beginsel zou het gebruik hiervan voor alle jeugdigen en ouders gelijk moeten zijn, ongeacht hun culturele achtergrond. Dit is echter niet altijd het geval. Zo zoeken Turks- en Marokkaans-Nederlandse ouders door de bank genomen minder vaak hulp of advies bij de opvoeding. Toch zijn er in deze gezinnen juist wel vaker opvoed- en opgroeiproblemen.
Niet-westerse migrantenjeugdigen, met name die van Turkse en Marokkaanse herkomst, zijn relatief weinig te vinden op speciale scholen voor kinderen met gedragsproblemen. Ook hier geldt echter dat ze vaker met deze problemen kampen dan de autochtoon Nederlandse jeugd. Jeugdigen van niet-westerse herkomst hebben tevens een grotere kans op leerproblemen en handicaps; deze kinderen zitten echter wel relatief vaak op speciale scholen.

Gezondheidsproblemen komen eveneens vaker voor bij niet-westerse migrantenjongeren. Vooral Turkse Nederlanders hebben frequenter contact met de huisarts. Jongeren van Surinaamse en Antilliaanse herkomst laten zich het vaakst testen op soa’s. Ook tienerzwangerschappen komen relatief veel voor onder deze jongeren, wat voortkomt uit hun inconsequente gebruik van anticonceptie. Indien zwanger besluiten Marokkaans-Nederlandse meisjes naar verhouding het vaakst tot een abortus.

Gezinnen
Er zijn verschillen tussen niet-westerse migranten en autochtone Nederlanders en ook tussen de migrantengroepen onderling. Turkse en Marokkaanse Nederlanders zijn vaak laagopgeleid en hechten meer dan autochtone ouders belang aan religie. Alleenstaand ouderschap komt weer veel voor onder Surinaams- en Antilliaans-Nederlandse vrouwen. Deze en andere achtergrondkenmerken spelen veelal een rol bij het verklaren van het (relatief geringe) gebruik van de onderzochte voorzieningen door migranten. Ook andere factoren zijn echter van belang, zoals de mate waarin migranten de voorzieningen willen dan wel kunnen gebruiken.

Schaamte
Migranten en autochtone Nederlanders staan anders tegenover het gebruik van de onderzochte voorzieningen. Zo zoeken migrantenouders en -jeugdigen minder hulp dan autochtone Nederlanders omdat ze anders aankijken tegen problemen en gedragingen. Niet-westerse migranten lijken zich vaker te schamen voor problemen of zien de ernst er niet van in. Zij (h)erkennen gedrags- en ontwikkelingsproblemen niet altijd en zoeken hier dan ook minder vaak hulp voor. Verder heerst er in Turks- en Marokkaans-Nederlandse kringen nog een sterk taboe op seks voor het huwelijk, terwijl jongeren met een Surinaamse of Antilliaanse achtergrond meer vrijgelaten worden en juist veel experimenteren op seksueel gebied.

Wantrouwen
Migranten oordelen ook niet altijd positief over de voorzieningen. Zo is er bij een deel van hen sprake van wantrouwen en een negatief beeld van zorgverleners.
Migranten zijn soms bang niet goed begrepen te worden, of om onder druk gezet te worden om te ‘vernederlandsen’. Daarnaast hebben migranten veelal andere verwachtingen van hulpverleners. Zo zijn veel migranten van huis uit gewend aan artsen die snel medicijnen voorschrijven. In Nederland zijn huisartsen Nordin Dahan, kinderartsdaarin terughoudender. Migranten zijn dan ook vaak niet tevreden over hun bezoek aan de huisarts.

Niet voor alle jeugdigen of ouders die gebruik willen maken van hulp bij opvoeding, onderwijs en/of gezondheid, is dit even gemakkelijk. Migrantenouders weten vaak onvoldoende waar ze terechtkunnen voor hulp en advies. Door taal- en communicatieproblemen begrijpen hulpverleners en migranten elkaar soms niet. Het hulpaanbod sluit ook niet altijd goed aan bij hun wensen. Op specifieke vragen over de opvoeding van hun kinderen – zoals hoe om te gaan met de waarden en normen in Nederland – heeft de hulpverlening niet altijd een goed antwoord paraat..

Bron: Wereldjournalisten

Uitsluiting door overheid leidt tot uitsluiting door burgers

donderdag, december 9th, 2010

Als de overheid het grote groepen immigranten die langdurig legaal in Nederland wonen onmogelijk maakt hier met hun gezinsleden te wonen, hen uitsluit van permanent verblijfsrecht en van het Nederlanderschap en bovendien een (zeer) kleine groep genaturaliseerde Nederlanders bedreigt met ontneming van hun Nederlanderschap, moet ze niet verbaasd zijn als burgers denken dat zij immigranten in hun buurt, op hun werk of op straat ook mogen uitsluiten.

Dat schrijven Kees Groenendijk en Thomas Spijkerboer op de website van het Nederlands Juristen Blad (NJB). Groenendijk is emeritus-hoogleraar rechtssociologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, Spijkerboer is hoogleraar migratierecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Het artikel op het NJBlog gaat uitvoerig in op de invloed van Wilders op het nieuwe denken over migratie, uitsluiting en gezinshereniging.

“De paragraaf over de plannen rond immigratie in de akkoorden tussen VVD-CDA-PVV beslaat zes pagina’s dikbedrukte tekst met tientallen voorstellen voor oude en nieuwe maatregelen.1 De drie partijen zeggen daarmee twee doeleinden na te streven: een “zeer substantiële daling van de instroom” van migranten en “effectieve integratie van nieuwkomers en bevolkingsgroepen”. Bij elk van oude en nieuwe voorstellen rijst de vraag: mag het, kan het en helpt het? Is het juridisch of moreel toegestaan, is het voorstel haalbaar en helpt het echt een probleem op te lossen? Of zal het vooral averechts werken en bestaande problemen groter maken?

Aan de juridische houdbaarheid en praktische haalbaarheid hebben de media de afgelopen weken al veel aandacht besteed. Met het voornemen vijf recent met instemming van alle EU-lidstaten vastgestelde richtlijnen en vier verdragen waarbij veel staten partij zijn, te wijzigen neemt het kabinet Rutte een Sysifus-taak op zich. Het overschat hiermee de Nederlandse positie in Europa. De andere lidstaten laten hun politieke agenda niet door Nederland dicteren. Het onderschat de excentrische positie die Nederland op dit terrein in veel opzichten in de EU inneemt. Veel voorstellen zijn onder minister Verdonk al gedaan en toen als onhaalbaar of contraproductief van tafel verdwenen.”

“Uitvoering van de plannen die op verschillende punten in het akkoord staan vermeld, betekent dat er vier soorten Nederlanders komen:
1. Geboren Nederlanders die praktisch alleen voor verlies van die nationaliteit hoeven te vrezen als ze voor een andere nationaliteit kiezen.
2. Nederlanders van Antilliaanse herkomst die door de overheid tot “terugkeer naar landen van het Koninkrijk” in de Antillen kunnen worden gedwongen.
3. “Voorwaardelijke Nederlanders” die als zij binnen vijf jaar na de verkrijging worden veroordeeld voor een ernstig misdrijf, het Nederlanderschap kan worden ontnomen.
4. Nederlanders die langer dan vijf jaar geleden zijn genaturaliseerd en die voorlopig, zolang de wetgever niet anders besluit, gelijke rechten hebben als de eerste categorie.”

“Wij zijn dus niet gerustgesteld door het feit dat Europees en internationaal recht in de weg staan aan uitvoering van het regeerakkoord op het gebied van immigratie en integratie. Het akkoord tussen VVD, PVV en CDA laat zien dat drie partijen (en niet maar één van die drie) zich ten doel hebben gesteld om aanwijsbare groepen Nederlandse ingezetenen uit te sluiten. Dat enkele feit leidt tot versterking van de al bestaande uitsluiting van deze groepen medeburgers.”, concluderen de auteurs.