Archief voor de categorie ‘Economie’

Mysteryguests gaan discriminiatie peilen in de uitzendbranche

donderdag, januari 19th, 2012

Staatssecretaris De Krom van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft positief gereageerd op de de aanpak van de brancheorganisaties van uitzendbureaus om discriminatie in deze sector tegen te gaan. Vanochtend sprak de staatssecretaris met de Algemene Bond Uitzendondernemingen, de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen, en vertegenwoordigers van het Landelijk Overleg Minderheden over de maatregelen tegen discriminatie. Staatssecretaris De Krom: “Discriminatie heeft een lelijk gezicht. Discriminatie is onacceptabel en dient met kracht te worden voorkomen en bestreden”. Alle partijen die aan tafel zaten zijn het hierover eens. De staatssecretaris is van mening dat de aanpak van discriminatie op de arbeidsmarkt primair de verantwoordelijkheid is van werkgevers, werknemers en etnische minderheden zelf.

Het overleg vond plaats naar aanleiding van een onderzoek vorig jaar van twee studenten van de Vrije Universiteit waaruit blijkt dat uitzendbureaus in ruim 75 procent van de gevallen ingaan op verzoeken van werkgevers om geen allochtone werknemers te leveren.

De brancheorganisaties hebben een pakket aan maatregelen aangekondigd om discriminatie binnen de branche tegen te gaan. Zo zal onder meer de mate waarin discriminatie voorkomt periodiek worden onderzocht, bijvoorbeeld door het inzetten van ‘mystery guests’. De brancheorganisaties gaan hun leden informeren middels trainingen en workshops – in samenwerking met LOM-partners – normeren en vervolgens scherp controleren.

Tot slot maken de brancheorganisaties zich hard om een bepaling over discriminatie op te laten nemen in de zogeheten code Stichting Normering Arbeid. Deze code is het keurmerk voor uitzendondernemingen. Bedrijven die dit keurmerk hebben moeten zich dan ook houden aan het verbod op discriminatie om het keurmerk te mogen behouden. Het LOM neemt het initiatief voor een conferentie waarbij ook de koepelorganisaties van werkgevers zullen worden betrokken bij de oplossing van dit vraagstuk. De staatssecretaris steunt dit initiatief.

De Krom is positief gestemd over deze initiatieven van de branche en sprak vanmorgen dan ook het vertrouwen uit dat de maatregelen effect zullen sorteren. De Krom: “Ik verwacht progressie. Stevige inzet van vele partijen is nodig, niet alleen de brancheorganisaties en uitzendbureaus kunnen het probleem oplossen, ook het bedrijfsleven heeft een verantwoordelijkheid om geen discriminerende verzoeken bij uitzendbureaus neer te leggen.

Knapen zet zich in voor vergroening ontwikkelingssamenwerking

donderdag, januari 19th, 2012

Bij ontwikkelingssamenwerking moeten we altijd rekening houden met ‘people, profit’ en – niet te vergeten – ‘planet’. Staatssecretaris Knapen sprak daarover woensdag met vertegenwoordigers van het Institute for Environmental Security, IUCN NL en Wetlands International namens een aantal internationaal georiënteerde milieuorganisaties.

‘Het is altijd zaak om ook voor het welzijn van mensen en economische ontwikkeling rekening te houden met natuurlijke hulpbronnen en milieu’, aldus Knapen. ‘De Rio+20-top komt eraan. Daar zal Nederland zich sterk maken om duurzaamheid beter te verankeren in de mondiale ontwikkelingsstrategie.’

De staatssecretaris richt de Nederlandse inzet in ontwikkelingslanden op vier thema’s: veiligheid en rechtsorde, water, voedselzekerheid, en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. Met name bij programma’s voor water en voedselzekerheid speelt het milieu een belangrijke rol.

Wapenhandel vol van chantage en omkoperij

donderdag, december 22nd, 2011

Het kabinet weigert een algemeen verbod in te stellen op de export van wapens naar landen waar mensenrechten worden geschonden. Eerder deze maand lieten de bewindslieden minister Rosenthal en staatssecretaris Bleker dat al middels een brief in antwoord op een door de Tweede Kamer aangenomen motie weten.

Het aloude gezegde van de koopman versus de dominee laat zich opnieuw weer eens gelden. Dat dictaturen in het Midden-Oosten hun bevolking onderdrukken met hulp van onder meer door Nederland geleverd wapentuig laat onverlet dat het Nederlands kabinet veel retoriek over mensenrechten de wereld in stuurt. Loze woorden, maar dat moet ook wel aangezien Nederland al decennia lang in de top-10 van wapenexporterende landen staat. Die winstgevende bedrijfstak willen we niet teveel voor de voeten lopen, al worden moedige demonstranten in Arabische landen ermee van de straat geschoten.

In zijn nieuwe boek ‘The Shadow World: Inside the Global Arms Trade’ doet de Zuidafrikaanse oud-politicus Andrew Feinstein een boek (672 pp) open over hoe die schimmige wereld van wapenhandel werkt. “De kern van de handel in wapens is omkoping, betalingen op grote schaal die zowel de elites in de landen die de wapens kopen als de wapenhandelaars in de verkopende landen rijk maken. Hoewel politieke agenda’s soms een rol spelen in wie welke wapens krijgt, is de heersende ideologie achter de handel hebzucht,” schrijft Feinstein. Hij wijst Saudi-Arabië aan als het land dat deze vorm van corruptie tot kunst heeft verheven, en noemt in zijn boek een voorbeeld van het handjeklap van Ryad met de Britse regering van Tony Blair. ToenLonden onderzoek wilde laten doen naar mogelijke omkoperij in  een wapenhandeldeal, dreigden de Saudi’s de aankoop (en mogelijke latere aanschaf) stop te zetten en wilde ze de samenwerking op veiligheidsgebied beëindigen. “Opschorting van de Saudische samenwerking met de Britse geheime dienst zal leiden tot ‘bloed in de straten van Londen’,” schreef prins Bandar aan Blair. De Britse premier gaf direct toe.

Westerse landen hebben vooral sinds 2001 zich met handen en voeten  gebonden aan dictaturen in het Midden-Oosten en Zuid-Azië, alleen om kennis te vergaren van mogelijke veiligheidsbedreigingen (lees terrorisme). Die dictaturen chanteren het Westen om op zo gunstig mogelijke voorwaarden wapens te kunnen kopen. Aan de andere kant zorgt het anti-terrorismebeleid van overheden voor een “begerige gekte” bij wapenhandelaren, zoals een Amerikaanse militair het uitdrukte.

De Nederlandse regering gaat rustig mee in het dodelijke spel van omkoperij en chantage. Hoe vaak zal minister Rosenthal een briefje krijgen vanuit een schimmige dictatuur? Passages uit die brieven komen niet terecht in de toespraken vol mooie, maar betekenisloze woorden die de minister de wereld in stuurt…

Beleid tegen illegalen heeft tegendraads effect

donderdag, december 22nd, 2011

De criminalisering van mensensmokkel en illegaal huishoudelijk werk door de overheid staat in scherp contrast met het beeld dat de illegale migranten ervan hebben. Voor hen is het een manier om toegang te krijgen tot beter betaald werk. De overheid gaat aan deze werkelijkheid voorbij.
 
De afgelopen jaren hebben uitzonderlijke gevallen het beeld van de overheid over mensensmokkel en mensenhandel gedomineerd en het beleid op deze terreinen mede gestuurd. Denk aan het Dover-drama met Sister Ping, de Sneepzaak of de Marokkaanse slaaf op de Dappermarkt. Deze extreme zaken zijn beeldbepalend voor de komst, het verblijf en de gedwongen terugkeer van illegale vreemdelingen geworden. De overheid ziet mensensmokkel als een serieuze en ernstige vorm van georganiseerde misdaad die het migratiebeleid en de integratie van de gevestigde allochtonen ondermijnt.
 
Migranten daarentegen beschouwen het als een al dan niet betaalde dienst om familieleden bij zich te krijgen. Waar de overheid bang is voor de aanzuigende werking van versoepelingen in het migratiebeleid, doen de illegale vreemdelingen een informeel beroep op familieleden die toevallig in Nederland wonen. Waar de overheid illegaliteit criminaliseert, ziet de illegale vreemdeling zijn status als een min of meer vanzelfsprekende consequentie van zijn aanwezigheid zonder verblijfsdocumenten. Het is moderne slavernij met al zijn uitbuiting tegenover een sociaal arrangement met specifieke economische arbeidsverhoudingen met geaccepteerde en normatief begrensde uitbuiting. Kortom, rond de komst, het verblijf en de terugkeer van illegale vreemdelingen is er sprake van een kloof in betekenisgeving tussen de overheid en de migranten.
 
Het Nederlandse illegalenbeleid staat in het teken van het tegengaan en ontmoedigen van illegaal verblijf. Dat lijkt succesvol: telden onderzoekers in 2002 nog ruim 211.000 illegalen in Nederland, in 2009 was dit aantal meer dan gehalveerd tot ruim 97.000 personen die onrechtmatig in Nederland verblijven. Maar deze afname komt vooral door de insluiting van landen als Roemenië en Bulgarije in de Europese Unie en niet zozeer door een duidelijke afname van het aantal niet-westerse illegale vreemdelingen.
 
Uit onderzoek onder illegale vreemdelingen uit uiteenlopende herkomstlanden, met verschillende achtergronden en migratiemotieven, blijkt dat zij door het strengere beleid geen toegang meer hebben tot de voorzieningen van de verzorgingsstaat en evenmin tot ‘wit werk’. Illegalen zijn voor hun bestaan in toenemende mate aangewezen op ‘zwart werk’ en liefdadigheid. Illegale vreemdelingen maken deel uit van sociale arrangementen of morele economieën waarin de verhoudingen van illegalen met informele werkgevers en huisbazen bepaald worden door normen van wederkerigheid, patronen van risicomijdend gedrag en ideeën over rechtvaardigheid. Dit alles in een context waarin een overheid slecht benaderbaar is.
 
De titel van mijn oratie was ‘Moderne slavernij of gewoon werk?’. Vanuit het perspectief van de illegale vreemdelingen is er geen sprake van slavernij. Maar we kunnen de arbeidsverhoudingen tussen illegalen en hun werkgevers evenmin duiden als gewoon werk. Veeleer hebben we te maken met informele arbeid onder slechte en onzekere omstandigheden waarbij de arbeidsverhoudingen tussen de illegale vreemdelingen en de werkgevers vaak uit balans en soms ernstig verstoord zijn. Tegelijkertijd zijn er informele normen over rechtvaardigheid en onrecht die in samenhang met het risicomijdende gedrag van illegale vreemdelingen een rem vormen op de meer extreme vormen van negatieve wederkerigheid. De overheid gaat aan deze werkelijkheid voorbij. De terminologie van georganiseerde mensensmokkel – moderne slavernij en exploitatie – verhult de achterliggende sociale processen van in- en uitsluiting en economische processen van vraag en aanbod.

De overheid kiest in de aanpak van mensenhandel voor een juridische oplossing van wat in feite een normatieve problematiek is. De overheid kan zonder verklaringen van de slachtoffers van mensensmokkel tot veroordelingen komen, maar gaat daarbij voorbij aan bestaande sociale arrangementen. Daarmee wil ik overigens niet beweren dat de slachtoffers van mensenhandel zich niet in mensonterende situaties zouden kunnen bevinden. Maar er bestaat ook een andere werkelijkheid, met andere normen over wat rechtvaardig en onrechtvaardig is en waar betrokkene op informele manieren hun recht halen.
 
Een beleid dat steeds verder van de alledaagse werkelijkheid af komt te staan en als oplossing meer toezicht, meer controle en meer repressie aandraagt, draagt bij aan een verplaatsing en verharding van de problematiek. In de praktijk kunnen we deze processen al waarnemen. Met de toegenomen controle op prostitutie is mensenhandel onverminderd aanwezig en verdwijnt deze steeds meer backstage. Met de voorgenomen criminalisering van illegaal verblijf zal huisvesting en arbeid voor illegalen nog meer een schaars goed worden en krijgen de malafide of criminele aanbieders van diensten nog meer macht. Tegelijkertijd leren studies vanuit de gemeenschappen zelf hoe complex de mechanismen zijn die er spelen. Wederkerigheidsrelaties binnen sociale netwerken gaan hand in hand met wantrouwen. Toenemende controle zullen de bestaande sociale arrangementen beïnvloeden waarbij illegale migranten kwetsbaarder worden ten opzichte van de informele dienstverleners.
 
Ik heb tot dusverre niet gesproken over onderzoeksmethoden, maar om toekomstige vragen naar de komst, het illegaal verblijf en de terugkeer vanuit de perspectieven van betrokkenen te kunnen beantwoorden, dienen we hoe dan ook in contact te blijven met de direct betrokkenen. Met de zogenaamde kanslozen, de vertegenwoordigers van de nieuwe onderklasse, de illegalen en al die anderen die deel uitmaken van deze leefwereld. Er is wat mij betreft een blijvende noodzaak – naast allerlei ander vormen van dataverzameling – om onderzoek from below te verrichten. Een blijvende noodzaak voor meer ‘good old etnography’ zoals David Brotherton (2011) het zo mooi verwoordde. Niet om het exotische in de samenleving te laten zien, maar om het perspectief en de betekenissen van de betrokkenen te leren kennen en te contrasteren met de legitimiteit en effecten van het migratiebeleid. Het centraal stellen van een dergelijk perspectief en methode betekent investeren in goede, jonge criminologen met een scherp theoretisch oog, die bereid zijn om het veld in te trekken en oog hebben voor complexiteit en de humanitaire aspecten van de fenomenen onder studie.
 
Dit stuk is gebaseerd op de oratie die Richard Staring op 2 december 2011 heeft uitgesproken bij zijn  aantreden als bijzonder hoogleraar ‘Mobiliteit, toezicht en criminaliteit’ aan de Erasmus School of Law, Erasmus Universiteit Rotterdam.

Foto: Bas Bogers
Bron: Sociale Vraagstukken

NCDO signaleert groei aantal particuliere initiatieven

dinsdag, december 20th, 2011

Uit onderzoek van NCDO blijkt dat het aantal kleinschalige, vrijwillige ontwikkelingsorganisaties – Particuliere initiatieven (PI) – groeit. Ook worden steeds meer mensen actief als vrijwilliger in een PI, meldt het onderzoek.

NCDO wilde via het onderzoek onder 661 vrijwilligers weten wie deze vrijwilligers zijn en wat hen beweegt actief te worden in een PI? De resultaten van het onderzoek laten zien dat deze vrijwilligers gemiddeld 55 jaar zijn en, vergeleken met een dwarsdoorsnede van de Nederlandse bevolking, vaker man (60%) en vaker gelovig (50%) zijn. Tevens zijn deze vrijwilligers vaak hoger opgeleid (70%) en verdienen zij gemiddeld genomen bovenmodaal. Uit eerder onderzoek weet NCDO dat de meeste vrijwilligers actief worden in het PI naar aanleiding van een vakantie of langdurig verblijf in een ontwikkelingsland. Wanneer mensen eenmaal actief zijn binnen een PI, worden ze voornamelijk gedreven door de wens de wereld om hen heen beter te begrijpen. Daarnaast kunnen mensen via hun vrijwilligerswerk in het PI uitdrukking geven aan belangrijke waarden, zoals gerechtigheid, en hecht men belang aan de sociale contacten die men opdoet tijdens het vrijwilligerswerk.

Gemiddeld besteden PI-vrijwilligers 37 uur per maand aan hun activiteiten binnen het PI. Vergeleken met vrijwilligers in het algemeen is dit meer dan gemiddeld. Men besteedt deze uren voornamelijk aan fondsenwerving, bestuurlijke taken en administratie. De verschillen tussen de vrijwilligers in het aantal uren dat zij dit werk doen zijn groot. Voor sommigen blijft de vrijwillige inzet beperkt tot enkele uren per maand terwijl anderen er een fulltime job aan hebben. Het is daarom interessant te kijken welke factoren bepalend zijn voor de hoogte van het aantal vrijwilligersuren.
Ongeveer de helft van de vrijwilligers die deelnamen aan het CIDIN-onderzoek uit 2008-2009 is niet alleen actief als vrijwilliger binnen een PI, maar is eveneens de oprichter van dit initiatief. Oprichters besteden gemiddeld 46 uur per maand aan het vrijwilligerswerk binnen hun eigen organisatie. Mannen blijken gemiddeld genomen meer tijd te investeren in een PI dan vrouwen en getrouwde vrijwilligers zijn actiever dan ongetrouwde. Ook geldt dat mensen die zichzelf niet rekenen tot een kerk of andere religieuze instelling actiever zijn dan de kerkelijken.

Een belangrijke baat van vrijwilligerswerk wordt aangeduid als ‘de warme gloed’ (the warm glow): het levert mensen een fijn gevoel op. Onderzoek heeft laten zien dat dit gevoel sterker is als mensen er van overtuigd zijn dat hun bijdrage daadwerkelijk een verschil maakt. Op basis van geografische (fysieke) en psychologische (‘anders zijn’) afstand tussen de doelgroep van ontwikkelingsorganisaties en vrijwilligers, alsmede de complexiteit van ontwikkelingsproblemen wordt aangenomen dat ‘de warme gloed’ die vrijwilligers van ontwikkelingsorganisaties ervaren minder  hoog zal zijn. Dit zou dan weer resulteren in een beperktere inzet van vrijwilligers. De resultaten van dit onderzoek komen overeen met deze redenering.

NCDO verwachtte dat PI-vrijwilligers die een sterk geloof hebben in ontwikkelingssamenwerking in het algemeen en de effectiviteit en efficiëntie van ontwikkelingsorganisaties in het bijzonder, meer tijd zouden investeren in een PI. Ze zouden, meer dan hun kritische medevrijwilligers gemotiveerd worden door de gedachte dat hun bijdrage daadwerkelijk verschil maakt. Het tegendeel blijkt uit de resultaten: kritischere PI-vrijwilligers spenderen juist meer tijd aan het PI. Vaak wordt verondersteld dat PI’s worden opgericht vanwege een kritische houding ten aanzien van bestaande ontwikkelingsorganisaties. Echter, dit blijkt voor slechts 5% van de vrijwilligers de belangrijkste aanleiding te vormen om een PI op te richten of actief te worden binnen een PI. Dit onderzoek toont aan dat er wel een positief verband is tussen de kritische houding ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking en de mate waarin mensen zich inzetten in PI’s. Dit alles wekt de indruk dat PI-vrijwilligers hun werk zowel ervaren als een manier om uitdrukking te geven aan hun betrokkenheid op de wereld, als een alternatieve, doeltreffendere, manier om bij te dragen aan ontwikkelingssamenwerking.

Louise Fresco biedt Knapen prioriteitenlijst Rio+20

dinsdag, november 15th, 2011

Ben Knapen, staatssecretaris Buitenlandse Zaken, ontving begin november een prioriteitenlijst uit handen van Louise Fresco, voorzitter van het Nationaal Platform Rio+20, als inbreng van het Nederlandse maatschappelijk middenveld voor de VN-duurzaamheidsconferentie Rio+20 in juni 2012.
 
Knapen is verantwoordelijk bewindspersoon voor het Nederlandse internationale duurzaamheidsbeleid. De prioriteiten kwamen tot stand door inbreng van Nederlandse NGO’s, bedrijven, onderzoekers, jongeren en individuen. Ze zijn inspiratiebron voor een groene economie, noodzakelijk voor een duurzame toekomst.
 
Rio+20 vindt plaats precies 20 jaar na de Earth Summit in Rio de Janeiro. Hoofdthema’s zijn groene economie en het versterken van institutionele kaders. Alle landen in de wereld zijn bezig om hier een inspirerende bijdrage aan te leveren. In Nederland is hiertoe het onafhankelijk Nationaal Platform Rio+20 (NPRio+20) opgericht. Dit platform beoogt vanuit verschillende maatschappelijke geledingen, een concrete bijdrage te leveren aan de conferentie in Rio de Janeiro van volgend jaar. Het vrijdag overhandigde document stuurt het platform NPRio+20 zelf naar de VN-conferentie. Daarnaast werkt het platform aan aanbevelingen voor de Nederlandse regering.
 
Debatten tijdens bijeenkomsten en via sociale media resulteerden in een lijst van achttien versnellers voor duurzame ontwikkeling. “Met deze prioriteiten voor een duurzame toekomst laten we zien aan de Verenigde Naties welke concrete bijdrage Nederland kan leveren’’, aldus Louise Fresco. “Deze week, tijdens de Dag van de Duurzaamheid, laten we Nederland zelf zien wat mogelijk is en wat we al doen. Dat is veel meer dan de meeste mensen zelf beseffen.’’
 
Naast prioriteiten voor individuele sectoren zijn er aanbevelingen op sociaal/cultureel en economisch gebied. Voorbeelden zijn: economie heruitvinden, belastingen vergroenen, wettelijke basis voor duurzame ketens, kringlopen sluiten, dialoog stimuleren, duurzaam onderwijs, duurzame technologieën inzetten en duurzame educatie.
 
Staatssecretaris Knapen: ‘Het is goed dat een zo brede vertegenwoordiging uit de samenleving zich buigt over verduurzaming en betrokkenheid bij de vergadering van de Verenigde Naties toont. Ik ga nu nog niet in op de inhoud. Ik wacht eerst uw aanbevelingen voor het kabinetsstandpunt van de Nederlandse regering af. Deze hoop ik spoedig tegemoet te zien.’

MVO in 2012 ‘Natuurzaam’

maandag, november 7th, 2011

In de interviewserie ‘Is het einde van MVO in zicht’ had Duurzaamnieuws ditmaal een gesprek met Ton van Rooijen, voormalig docent business innovatie aan Nyenrode Business Universiteit en expert op het gebied van ‘greenpimpen’ en oprichter en mededirecteur van MVOkoploper Go-Greener.

Wat zou u nu doen als er geen MVO was?

Precies hetzelfde wat we nu doen: bewuster leven door te consuminderen. 
En zo zelf bijdragen aan een houdbare samenleving die meer in baans is. De marsrichting voor ons hierbij is: decentraal en groen. Dat betekent steeds minder afhankelijk zijn van overheden en gevestigde marktpartijen. Dus meer vrijheid. En dat realiseren we met onze eetbare tuin, eigen kippen, onze zelf opgewekte groene stroom, verwarming met onze houtkachel, zelf composteren van ons keuken- en tuinafval, hergebruik door kringloopwinkels en/of marktplaats, geen eenmalige plastic boodschappentasjes meer, geen E stoffen in ons voedsel, zelf broodbakken etc. 
Eigenlijk niets nieuws onder de zon. Onze (groot)ouders deden dat altijd al. 
Iedereen kan dat. Jong geleerd, later gedaan.

Is anno 2011 MVO een vanzelfsprekendheid geworden?
MVO en duurzaam was er altijd al. En de term duurzaam suggereert iets anders dan het is. ’Natuurzaam’ is misschien een beter begrip. De natuur is een onuitputtelijke inspiratiebron die we kunnen gebruiken om een meer houdbare samenleving te bewerkstelligen.
Weet je niet hoe je zelf ‘’natuurzaam’’ zou kunnen ondernemen? Ga de natuur in en vraag hoe zij dat doet. Als je daarvoor openstaat en er oog voor hebt, dan krijg je de antwoorden gewoon aangereikt. Gratis advies.

Een spaarlamp indraaien, vindt u dat ook MVO?
De tijd van ’’MVO dat doe je zo’’ is definitief voorbij. Bewuster gaan leven en daarmee bijdragen aan een houdbare samenleving doet ieder op zijn/haar manier, tempo en binnen de gegeven mogelijkheden.
Vertrekpunt daarbij voor mij is: zelf doen wat ik in de wereld veranderd zou willen zien. Dus geen ‘’vérplas-wedstrijd’’, certificering of be(ver)oordeling van MVO initiatieven, maar zelf doen en ervaring opdoen gevoed vanuit je eigen overtuiging/passie. Vier de resultaten die je zo bereikt met elkaar. Want met elkaar steeds meer Groen Doen werkt aanstekelijk en is cool. 
Dat geeft Pleasure. En daarmee krijgt de bedachte MVO term: People, Planet, Profit weer extra schwung.

Kunt u aan uw nichtje van 10 uitleggen wat MVO is? Hoe doet u dat dan?
Ik neem haar mee naar onze groentetuin, waar ze zelf gratis boodschappen kan doen voor het eten van vanavond. Ik laat haar de kippeneieren uit het leghok halen en ze geeft de kippen te eten met de kliekjes die we van de vorige dag over hebben. Kippepoepjes gaan in de kompostton.
Groente en eieren komen van het land en de kip en niet van AH. En bemeste kompost dat maak je zelf. En elektriciteit om je mobieltje, Ipod, Ipad of Play-station mee op te laden? Die maak je ook gewoon zelf op onze home trainer met aangesloten accu. Even trappen en direct resultaat. Dat is all-in one Natuurzaam: Gezonde voeding en Beweging en dat spelenderwijs.

In 2012 beleven we het einde van MVO. MOO ( Maatschappelijk onverantwoord ondernemen) wordt strafbaar. Wensdroom of gruweldroom?

Met het vingertje naar elkaar wijzen wat mag en niet mag dat is passe. Dat is oud denken / handelen. Beter is denk ik aan iedere organisatie en burger de vraag voor te leggen wat zij zichtbaar en aantoonbaar hebben bijgedragen aan een meer houdbare samenleving. Geen enkele organisatie kan zich permitteren in 2012 het antwoord hierop schuldig te blijven. Dan tel je als bedrijf ineens niet meer mee en ben je out of business. Niemand die je producten nog wil kopen of voor je zou willen werken. Niet natuurzaam ondernemen is not done en probleem lost zich zo vanzelf op.

Wat is uw groenste uitdaging voor 2012?
100% selfsupporting zijn met onze eigen groene opgewekte stroom, verwarming, watervoorziening, eigen biologisch gekweekt voedsel en geen afval meer. 
Voor 2013: groen tanken thuis.
Kortom steeds groener doen met behoud van comfort tegen aanmerkelijk lagere kosten. (geen BTW, geen accijns, geen prijsverhogingen, geen CO2 taks, geen ECO Tax) 
Je eigen Groen met minder Poen! Wat een vrijheid!

YouTube voorvertoningsafbeelding.

Vraag naar water stijgt enorm

woensdag, november 2nd, 2011

Net als olie in de 20e eeuw, zou water wel eens DE basisbehoefte kunnen worden waar het in de 21ste eeuw om gaat draaien. Mensen zijn sinds de vroegste dagen van de beschaving afhankelijk geweest van de toegang tot water, maar met de 7 miljard mensen die nu op de Aarde leven en de exponentieel groeiende verstedelijking en ontwikkeling, groeit de vraag naar water als nooit tevoren.

“Watergebruik is in de vorige eeuw toegenomen met meer dan twee maal de groeisnelheid van de bevolking”, zei Kirsty Jenkinson, van het World Resource Institute, een denktank uit Washington. Het gebruik van water zal naar verwachting tussen 2007 en 2025 in de ontwikkelingslanden met 50 procent toenemen, en met 18 procent in ontwikkelde landen. “Veel van het toegenomen gebruik vindt plaats in de allerarmste landen waar steeds meer mensen van het platteland naar de steden trekken”, zei Jenkinson in een telefonisch interview.

De gevolgen van de klimaatverandering in deze eeuw – meer ernstige overstromingen, droogtes en veranderingen als gevolg van wijzigingen in neerslagpatronen- zullen waarschijnlijk de armste mensen het eerst èn het zwaarst treffen. Daarmee hebben we een enorme uitdaging in handen”, aldus Jenkinson. Zal er genoeg water zijn voor iedereen, vooral als bevolking -zoals voorspeld- naar 9 miljard blijft groeien, halverwege deze eeuw?

“Er is veel water op Aarde, dus zullen we niet gauw zonder zitten”, zegt Rob Renner, executive director van de Water Research Foundation in Colorado.
”Het probleem is dat 97,5 procent van het water zout is en … van de resterende 2,5 procent zoet water is tweederde deel bevroren. Er staat de wereld dus niet veel zoet en vloeibaar water ter beschikking”.

“Slechts 8 procent van de zoetwatervoorraad van de planeet gaat naar huishoudelijk gebruik ,ongeveer 70 procent ervan wordt gebruikt voor irrigatie, en 22 procent in de industrie”, zei Jenkinson.

Droogtes en onvoldoende regenval dragen bij aan wat bekend staat als het waterrisico, en dat slaat ook op overstromingen en vervuiling. “Wat nodig is” zei Jenkinson, “is integraal waterbeheer dat rekening houdt met wie welk soort water nodig heeft, evenals hoe en waar dat water het meest efficiënt kan worden gebruikt”.

“Water gaat snel een beperkende factor in ons leven worden”, zegt Ralph Eberts, executive vicepresident van Black & Veatch, een technisch bedrijf met een omzet van een 2,3 miljard dollar, dat watersystemen ontwerpt, en dat actief is in meer dan 100 landen. Hij zei dat hij een ‘herprioritering’ van middelen nodig vindt om de wateruitdagingen, die het gevolg zijn van het veranderende klimaat, en van de toenemende verstedelijking, aan te pakken.

Eberts’ bedrijf staat daar niet alleen in. Waterschaarste en waterstress – die ontstaan als de vraag naar water groter is dan het aanbod, of als de slechte kwaliteit van het water het gebruik ervan beperkt – hebben al toegeslagen in waterintensieve bedrijven en in waterbevoorradingsketens in Rusland en China en overal in het zuiden van de Verenigde Staten.

“De centrale rol die zoet water speelt in onze behoeften aan voedsel, brandstof, vezels, etc. is cruciaal geworden in onze overvolle, milieubewuste, maar overspannen wereld”, aldus Mindy Lubber directeur van de firma Ceres.

Het waterrisico is nu bijvoorbeeld al schadelijk voor een kledingfabrikant als The Gap, die zijn winstverwachting verlaagde met 22 procent, nadat droogte de katoenteelt in Texas aantastte .
Ook de onafhankelijke Franse gasproducent Toreador Resources zag zijn beurskoers met 20 procent dalen nadat Frankrijk “fracking” verbood, een methode om (schalie)gas te winnen, vooral vanwege bezorgdheid over de kwaliteit van het water die door toepassing van fracking wordt bedreigd.

Voedselreuzen Kraft Foods Inc., Sara Lee Corp., en Nestlé hebben prijsstijgingen aangekondigd om de hogere grondstoffenprijzen te compenseren, die het gevolg zijn van droogte, overstromingen en andere factoren.

Waterrisico is meer dan een zakelijke zorg. Internationale hulporganisaties zien een ramp aankomen voor mensen die slachtoffer kunnen worden van de toenemende droogte of van de stijgende onzekerheid over de watervoorziening.

In Oost-Afrika, bijvoorbeeld, zou een klimaatverandering wijzigingen met zich mee kunnen brengen in de temperatuur en de neerslag, waardoor het groeiseizoen zou verkorten en de opbrengsten zouden verkleinen van gewassen zoals maïs en bonen, waardoor, volgens een Oxfam-rapport, vooral kleine boeren en herders het zwaarst getroffen zouden worden.

Bron: Duurzaamheidsnieuws

Jan Jonker: De 7 Wegen naar een Groene Economie

maandag, oktober 10th, 2011

Op 10 november zal dr. Jan Jonker zijn rede als hoogleraar duurzaam ondernemen uitspreken. Hij is bekend van het crowdsourcingsproject Our Common Future 2.0 en beloofde ons: die toespraak mogen jullie publiceren. Als voorproefje hier alvast de 7 wegen die leiden naar een echte groene economie. Dat grondstoffen daarin steeds hergebruikt worden, is een voorwaarde vooraf. Dat achterblijvende bedrijven de duurzame koplopers gaan financieren is een van de consequenties.

Weg 1. Meervoudige waardecreatie
Meervoudige waardecreatie is een leidend beginsel van productie. De kern van dit principe is dat er een ander, genuanceerder winstbegrip gehanteerd wordt, waarin niet alleen het financiële resultaat van een onderneming een plek heeft. De bijdrage aan het oplossen van maatschappelijke issues komt daarmee meer centraal te staan, veel meer dan het maximaliseren van financieel rendement of ego. Deze meervoudigheid draagt bij aan de robuustheid van de onderneming en dempt onze neiging tot suboptimalisering, waarbij ieder voor zich het beste probeert te realiseren zonder daarbij de negatieve effecten voor anderen in beschouwing te nemen. Robuustheidsdenken draagt bij aan continuïteit en benadrukt het feit dat ondernemingen geen losstaande entiteiten zijn, maar een integraal deel van de maatschappij. Als efficiency écht in conflict komt met robuustheidsdenken, dan wint in de regel de laatste.

Weg 2. Achterblijvers financieren innovatie
Heffingssystemen (belastingen, premies, heffingen) functioneren zodanig dat achterblijvers bijdragen aan de inspanningen en het risico van de voorhoede. Voorbeelden zijn gemakkelijk te bedenken: grijze energie wordt duurder om mee te betalen aan het aanloop- en innovatierisico van groene energie. Nieuwe proteïneproducten worden in de startfase mede gefinancierd door varkensvleesomzet. Er wordt geregeld dat de moeilijkste innovatiefasen vereenvoudigd worden via kruisfinanciering. Dit is een relatief eenvoudige manier om onzichtbare maatschappelijke kosten, zoals vervuiling en uitputting van grondstoffen, mee te laten wegen in de prijs vorming.

Weg 3. Een hernieuwde balans tussen lokaal en globaal
Er is een hernieuwde balans tussen lokaal en globaal. Als zaken invloed hebben op wat zich lokaal afspeelt, maar de lokale of regionale organisaties kunnen er geen invloed op uitoefenen, dan dreigt vervreemding. Een voorbeeld is het “footloose” kapitaal dat via valutabeurzen over de wereld flitst. Een mede daaruit voortkomende kredietcrisis raakt lokale gemeenschappen, maar die beschikken niet over mogelijkheden hun belangen te verdedigen. Lokaliseer dus waar het kan en zinvol is. Voorbeelden zijn te vinden in nieuwe regionale entiteiten rond energie, gezondheid of voedsel.

Weg 4. Totale kosten van bezit zijn leidend
De totale kosten van bezit (Total cost of ownership, TCO) zijn het uitgangspunt, niet alleen de aanschaf- of verkoopprijs. Dit houdt in dat bedrijven en consumenten zich mede verantwoordelijk voelen voor wat er verderop of terug in de keten gebeurt. Voorbeelden zijn te vinden in energie- of watergebruik en “embedded” grondstoffen over het hele levensloop-netwerk. Verantwoording systemen zijn hierop ingericht.

Weg 5. Cyclisch gebruik van grondstoffen
Er wordt gedacht in vérgaande levenscycli: cyclisch gebruik van grondstoffen waarbij afstanden bovendien kort gehouden worden (close-loops). Producenten realiseren zich dat hun grondstoffen voortkomen uit afval uit een vorige schakel, en dat hun restproducten weer voedsel zijn voor de volgende. Belastingsystemen zijn hierop ingericht voor alle betekenisvolle materiële stromen: automobielen, voeding, wasmachines, drinkwater, huizen, energiedragers…

Weg 6. De vervuiler betaalt
Het aloude principe “de vervuiler betaalt” wordt rigoureus doorgevoerd. Organisaties gaan rekening houden met directe aansprakelijkheid op daden die het milieu op korte of lange termijn schade berokkenen, ook als de schade pas veel later optreedt.

Weg 7. Vrijheid om verantwoord te handelen
Zoveel mogelijk keuzevrijheid bij producenten en consumenten, mits ze in hun doen en laten aan deze principes voldoen. De overheid moet zo weinig mogelijk sturen door middel van verboden of voorgeschreven middelen, methoden of technieken, maar duidelijke en ambitieuze doelen en kaders geven. Dit geeft burgers en bedrijven de vrijheid om verantwoord te handelen. De doelen en kaders kunnen gebaseerd zijn op bestaande governance frameworks, zoals het Earth Charter en het mensenrechten framework van Ruggie. Controlemechanismen (juridisch, intervisies, zelforganisatorisch) zijn eerder principle-based dan legalistisch, want strikte wetgeving ijlt vaak na en belemmert op die manier innovatie.

Bron: P+

YouTube voorvertoningsafbeelding

SER-advies ‘Ontwikkeling door duurzaam ondernemen’

donderdag, september 29th, 2011

Staatssecretaris Knapen van Buitenlandse Zaken heeft vandaag het advies van de Sociaal Economische Raad (SER) over ontwikkelingssamenwerking en bedrijfsleven in ontvangst genomen. Het advies was in maart 2011 door de staatssecretaris aangevraagd.

In het advies ‘Ontwikkeling door duurzaam ondernemen’ onderstreept de SER het belang van ontwikkeling van de private sector in ontwikkelingslanden als motor voor duurzame groei en werkgelegenheid. De SER adviseert de inzet op verbetering van het ondernemingsklimaat, marktwerking en markttoegang te intensiveren. Samenwerken met het bedrijfsleven is daarbij essentieel. Maar, zo benadrukt de SER, dan wel op basis van de principes van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO).

Staatssecretaris Knapen is blij dat het advies er is. ‘Mijn beleid is gericht op armoedevermindering door in te zetten op zelfredzaamheid en duurzame economische groei in ontwikkelingslanden. Dat kunnen we als overheid niet alleen, daar hebben we het bedrijfsleven, kennisinstellingen en het maatschappelijk middenveld hard bij nodig. Dit rapport helpt het bedrijfsleven bij duurzame economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden te betrekken.’

Het advies werd unaniem aangenomen door de leden van de SER raad. Ook door het maatschappelijk middenveld werd het advies goed ontvangen.

Het advies sluit aan bij het beleid van Knapen, dat zich richt op de inzet van Nederlandse kennis en kunde om voedselzekerheid en toegang tot schoon drinkwater en goede sanitatie te bevorderen, bij te dragen aan de seksuele reproductieve rechten van vrouwen en zo armoede te doen verminderen.

De meeste voorstellen in het rapport van de SER worden positief ontvangen en zijn al vertaald in concrete beleidsstappen. Zo wordt samen met ontwikkelingsbank FMO geïnvesteerd in verbetering van de financiële dienstverlening aan ondernemers in ontwikkelingslanden. Het bedrijfsleven instrumentarium wordt vereenvoudigd. Een voorbeeld is de faciliteit Ontwikkelingsrelevante Infrastructuurontwikkeling (ORIO), waar de aanbesteding naar voren wordt gehaald. Daardoor verdwijnt de door de SER als kunstmatig gekwalificeerde scheiding tussen projectontwikkeling en –uitvoering. ‘Evenals de SER verwacht ik dat dit de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de realisatie van infrastructuurprojecten zal vergroten. Gegeven het belang van betrouwbare infrastructuur voor economische ontwikkeling ga ik ook mee in het verzoek van de SER om het toewijzingsbudget voor ORIO te verhogen,’ zegt Knapen. De staatssecretaris besloot onlangs het toewijzingsbudget van ORIO met EUR 40 miljoen per jaar te verhogen tot EUR 180 miljoen per jaar.
De formele reactie van de staatssecretaris op het SER advies zal volgen in een brief aan de Tweede Kamer later dit jaar.