Archief voor de categorie ‘Globalisering’

Informateur Tjeenk Willink stelt Art. 1 Grondwet centraal

dinsdag, juli 6th, 2010

Op maandag 5 juli heeft informateur Tjeenk Willink zijn eindrapport aan koningin Beatrix gepresenteerd. De informateur stelt daarin voor om de mogelijkheid van een Paars-plus kabinet – bestaande uit VVD, PvdA, D66 en GroenLinks – te onderzoeken.

De eindconclusie van Tjeenk Willink was niet zo opmerkelijk, nadat pogingen tot de vorming van een regering over rechts – VVD, CDA en PVV – waren mislukt. Wat het rapport van de informateur zo interessant maakt, is de bijlage die hij bij de aanbevelingsbrief aan de koningin had gevoegd. De titel van de bijlage – met nadruk niet een coalitieakkoord genoemd – spreekt boekdelen: ‘Wat kan binden in plaats van scheiden’. Het lijkt een persoonlijke opdracht van PvdA-leider Job Cohen. In het stuk beschrijft Tjeenk Willink (op persoonlijke titel) de drie crises waar Nederland mee te maken heeft. Terecht schrijft de informateur dat de financieel-economische crisis in de verkiezingscampagne sterk de nadruk heeft gekregen, maar dat er ook sprake is van een ecologische crisis en een bestuurlijke (vertrouwens)crisis. Tjeenk Willink doet een aantal aanbevelingen. Zoals een coalitie-akkoord op hoofdlijnen, sanering van de overheidsfinanciën, een veenwichtige verdeling van lusten en lasten, structurele hervormingen voor de langere termijn, balans tussen bezuinigingen en lastenverzwaring, investeren en hervormen, kansen en bedreigingen vanuit een gemeenschappelijk toekomstperspectief, economisch, maatschappelijk en cultureel.

De informateur wordt echt boeiend als hij de behoefte aan zekerheid, waaraan de burger behoefte heeft, beschrijft. Hij houdt een pleidooi voor de democratische rechtsstaat: “Zekerheid dat ieder zijn zegje kan doen en gehoord wordt, maar ook dat het recht wordt gehandhaafd; zekerheid dat de overheid haar eigen regels in acht neemt, maar ook instaat voor de bereikbaarheid en de toegankelijkheid van publieke diensten; zekerheid dat de overheid de individuele vrijheden beschermt, maar ook in actie komt als het algemeen belang dat vraagt; zekerheid door grenzen te stellen èn te handhaven. Voorspelbaarheid én bestendigheid.”

Het nieuwe kabinet, zo schrijft Tjeenk Willink, moet er zich van bewust zijn dat herstel van vertrouwen in de democratische rechtsstaat noodzakelijk is voor de door te voeren veranderingen en hervormingen. Letterlijk citeert hij Art. 1 van de Grondwet: “Handhaven en bevordering van de grondrechten en waarden waarop deze berusten zijn essentieel in de verhouding tussen burgers en overheid en tussen burgers onderling. Daarover valt niet te marchanderen. Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. De overheid treedt de burgers en de ingezetenen van ons land tegemoet zonder discriminatie naar ras, godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, geslacht of op welke grond dan ook. Dit geldt voor toelating en uitzetting van vreemdelingen, de inburgering en naturalisatie van ingezetenen en de rechtspleging De godsdienstvrijheid omvat de gelijke behandeling door de overheid van alle godsdiensten en levensovertuigingen. De overheid handhaaft de grondwettelijke, statutaire en Europese rechtsorde en bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.”

YouTube voorvertoningsafbeelding
Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner

Initiatief Duurzame Handel wil handelsstromen verduurzamen

donderdag, juli 1st, 2010

Ruim 60 bedrijven en 8 maatschappelijke organisaties ondertekenden dinsdag 29 juni het actieplan Duurzame handelsstromen. Het Actieplan Duurzame Handel 2011-2015 (pdf) voorziet in de verduurzaming van internationale grondstofstromen zoals cacao, thee, tropisch hout, palmolie en soja. Met een jaaromzet van 37 miljard euro en directe banen voor 61.000 Nederlanders leveren deze sectoren een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse economie.

Andersom kan  Nederland in deze sectoren een rol spelen als kenniscentrum van efficiënte landbouwtechnieken en aanjager van duurzame productie. Ook veel internationale bedrijven onderschrijven het actieplan en samenwerking met de overheid zal tot internationale verbreding  leiden.

De 60 bedrijven en 8 maatschappelijke organisaties werken nu al onder regie van IDH (Initiatief Duurzame Handel) samen aan de verduurzaming van hun handelsketens. Dick Boer van Ahold Nederland, een van de opstellers van het plan: “In veel sectoren spelen wij al een rol. Daarom hebben wij samen met IDH dit actieplan opgesteld”.

De urgentie voor bedrijven om te verduurzamen is hoog. Johan van de Gronden, directeur Wereld Natuur Fonds Nederland: “We kunnen de aarde niet blijven uitwonen. Soja productie kan én mag niet meer ten koste gaan van tropisch regenwoud”. Peter ter Kulve, van Unilever Benelux: “De aarde is eindig. We moeten groei niet langer lineair definiëren, maar cyclisch. Grondstoffen worden schaars en duurder.”

Dick Boer: “Wij willen in 2015 dat al onze huismerken duurzaam zijn geproduceerd. Onze klanten verwachten dat ook.’ Peter ter Kulve: ‘Verduurzaming is een verlicht eigen belang voor bedrijven en is essentieel voor de Nederlandse concurrentiepositie. Het wordt de core strategie van internationale bedrijven als Unilever.  We zijn palmolie aan het verduurzamen. We willen in 2015 dat al onze thee duurzaam wordt geproduceerd. Dat zijn enorme klussen waar we NGO’s en overheden hard bij nodig hebben”.

YouTube voorvertoningsafbeelding
Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner

Zaken doen met respect voor mensenrechten

dinsdag, juni 29th, 2010

Beschermen en bevorderen van mensenrechten is niet alleen een zaak van de overheid. Ook bedrijven nemen hun morele verantwoordelijkheid. “Een verbeterd mensenrechtenklimaat is niet in de laatste plaats ook in het belang van het bedrijfsleven. Morele plicht en welbegrepen eigenbelang liggen hier in elkaars verlengde: koopman en dominee sluiten elkaar niet uit maar vullen elkaar juist aan.” Aldus André Haspels, plaatsvervangend directeur-generaal internationale samenwerking.

Haspels nam namens minister Verhagen van Buitenlandse Zaken het boek How to do business with respect for human rights – a guidance tool for companies in ontvangst. Het rapport geeft bedrijven een inzichtelijk handvat hoe mensenrechten te bevorderen met name in landen, waar het met die rechten aanzienlijk minder goed is gesteld dan in Nederland. “Samen de krachten bundelen,” aldus Haspels. “Niet als opponenten maar als partners.”

Het boek is een uitgave van Global Compact Nederland, aangesloten bij United Nations Global Compact. De uitgave is gebaseerd op een initiatief van 10 grote Nederlandse multinationals, alle lid van Global Compact, te weten AkzoNobel, Essent, Fortis Bank Nederland, KLM, Philips, Rabobank, Randstad, Shell, TNT, and Unilever. Deze bedrijven hebben nagegaan hoe zij de aanbevelingen kunnen toepassen van John Ruggie, de speciale gedelegeerde van de VN, die een breed geaccepteerd raamwerk ‘Protect, Respect and Remedy’ heeft opgesteld voor de verantwoordelijkheden van regeringen en bedrijven voor mensenrechten.

Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner

Verkiezingen 2010: KIJK VERDER

vrijdag, juni 4th, 2010

In de kakofonie van partijslogans en oneliners willen de Worldconnectors een ander geluid laten horen. Wij staan voor onze verworvenheden als wereldburgers en kijken VERDER.

VERDER= we kijken verder door niet alleen naar Nederland te kijken, maar ook naar de rest van de wereld. We kijken verder door niet alleen te kijken naar ontwikkelingen die in Nederland plaatsvinden, maar ook naar onderwerpen die grensoverschrijdend zijn. We kijken verder door niet alleen naar de belastingbetaler van nu te kijken, maar ook naar de generaties die voor ons zijn geweest en die na ons zullen komen.

YouTube voorvertoningsafbeelding YouTube voorvertoningsafbeelding
Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner

WRR: Ontwikkelingshulp nieuwe stijl

donderdag, februari 18th, 2010

Op 18 januari presenteerde de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) het langverwachte rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’. WRR-lid Peter van Lieshout bood het rapport aan minister Koenders aan. In het rapport wordt het Nederlandse ontwikkelingsbeleid kritisch onder de loep genomen en wordt een aantal aanbevelingen voor verbetering gedaan. De regering zal naar verwachting in mei met een uitgebreide reactie komen.

Ontwikkelingshulp zou professioneler georganiseerd moeten worden en daarmee meer verschil maken, zo constateert de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in zijn nieuwe advies Minder pretentie, meer ambitie. Ontwikkelingshulp die verschil maakt. Landen die achterblijven helpen, is in een wereld waarin kwesties zoals veiligheid, migratie en klimaat steeds meer om een mondiaal antwoord vragen, ook steeds meer in ons eigen belang, aldus de WRR. De huidige praktijk van ontwikkelingshulp kenmerkt zich echter door een hoge mate van versplintering en ongerichtheid. Om de effectiviteit van hulp te vergroten, moet de Nederlandse overheid zich concentreren op tien landen en daarmee een langdurig samenwerkingsverband aangaan. Daarbij dient Nederland zich te richten op onderwerpen waar het internationaal gezien in uitblinkt en toegevoegde waarde heeft, zoals landbouw en water. Dat vereist een aparte organisatie, NL-AID, zodat hulpactiviteiten niet langer behoren tot het takenpakket van roulerende diplomaten maar door vakdeskundigen worden verricht.
Hulp dient ook duidelijker gericht te zijn op ontwikkeling. Op dit moment is het doel van de meeste hulp het verbeteren van levensomstandigheden. Dat biedt veel mensen op korte termijn wel verlichting, maar het biedt hun te weinig mogelijkheden om op lange termijn zelfstandig in hun bestaan te voorzien. Zelfredzaamheid van zowel individuen als landen zou van nu af aan uitdrukkelijk de doelstelling van ontwikkelingshulp moeten zijn. Daarbij passen realistische verwachtingen: ontwikkeling is afhankelijk van zo veel factoren dat hulp er hooguit een bescheiden bijdrage aan kan leveren.
De raad signaleert verder dat het ontwikkelingsbeleid zich nog te weinig richt op vraagstukken die buiten de traditionele hulp vallen. Stabiliteit en veiligheid, handelsvoorwaarden die ontwikkeling faciliteren, een eerlijk fiscaal stelsel dat bedrijven er niet toe verleidt belasting in ontwikkelingslanden te ontlopen, minder stringente intellectuele eigendomsrechten voor arme landen, meer mogelijkheden voor kennisuitwisseling, en een beter doordacht migratiebeleid kunnen allemaal uiteindelijk belangrijker zijn voor de ontwikkeling van landen dan de klassieke, ter plekke verleende hulp. Daar zal het beleid in de toekomst veel nadrukkelijker op moeten inspelen.

Op de (Engelstalige) website The Broker is een online debat te lezen over het WRR-rapport.

Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner

NCDO: Wereld Zoekt Burger

maandag, februari 15th, 2010

Op 13 en 27 januari 2010 organiseerde NCDO twee werkconferenties rond wereldburgerschap. Ruim 100 deelnemers gingen zelf aan de slag om wereldburgerschap in hun eigen onderwijs vorm te geven. Uit de vele goede plannen werden door de jury uiteindelijk de vier meest veelbelovende als prijswinnaar gekozen.

De conferentie ging van start met een inleiding van Mariëtte van Stalborch van NCDO. Zij vertelde wat de organisatie met het NCDO programma wereldburgerschap en onderwijs hoopt te bereiken en hoe de werkconferenties daarop aansluiten. Duidelijk is dat
wereldburgerschap geen afgebakend begrip is maar vorm moet krijgen in de onderwijspraktijk zelf. Wereldburgerschap in het onderwijs betekent jongeren laten zien dat hun wereld globaliseert; ze laten nadenken over de vorm die zij aan hun wereld willen geven. De werkconferenties moesten antwoord geven op de vraag hoe je wereldburgerschap nu echt een plek geeft in die dagelijkse lespraktijk.
Na de inleiding werd er ter inspiratie een korte film vertoond: Wereld zoekt burger. In deze film bespreken verschillende experts hun visie op wereldburgerschap in het onderwijs. De film gaf inspiratie om tijdens de werkconferentie zelf tot ideeën te komen.

YouTube voorvertoningsafbeelding
Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner

‘Armoedecrisis in Afrika is passieve genocide’

dinsdag, januari 19th, 2010

Kumi Naidoo (internationaal directeur Greenpeace, mede-oprichter van Global Call to Action against Poverty) is de belangrijkste spreker op het Toekomstcongres van de Vlaamse Noord-Zuidbeweging volgende zaterdag in Brussel. MO* sprak met hem over ontwikkelingshulp en de strijd tegen de structurele armoede in Afrika.

Geboren en getogen in Zuid-Afrika, bevocht Kumi Naidoo al op vijftienjarige leeftijd het Apartheidsregime. Hij belandt daardoor in de gevangenis, waarna hij vanuit ballingschap in Groot-Brittannië zijn activisme voortzette. Na de vrijlating van Nelson Mandela hielp hij het Afrikaans Nationaal Congres (ANC) omvormen tot legale partij.

Van 1998 tot 2009 leidde hij Civicus, een wereldwijde alliantie van zowat 1000 civiele organisaties. In 2005 maakte hij deel uit van de Global Call to Action against Poverty om de G-8 te overtuigen tot meer hulp aan de arme landen en in november 2009 trad Kumi Naidoo aan als nieuwe directeur van Greenpeace International. Intussen is hij ook een van de bezielers van de Global Campaign for Climate Action.

Onderstaand gesprek is de neerslag van gesprekken die MO* had met Kumi Naidoo in september 2009 in Gent. Hij was daar om samen met de Zambiaanse econome Dambisa Moyo deel te nemen aan een MO*lezing.

YouTube voorvertoningsafbeelding

Ondanks de vele ontwikkelingshulphulp die al jaren naar Afrika vloeit, kent het continent nog steeds structurele armoede.

Kumi Naidoo: De armoedeproblematiek omschrijven we het best als een perfect storm. Ze is het resultaat van verschillende crisissen die tegelijkertijd op het Afrikaanse continent huishouden: de energie-, voedsel-, financiële, klimaat-, en armoedecrisis. Bij de Global Call to Action against Poverty beschrijven we de armoedecrisis als een dagelijkse, stille tsunami of als een passieve genocide. In Afrika sterven dagelijks 6000 mensen aan hiv-aids, 7000 aan malaria en nog eens 1.500 aan tuberculose. Dat is elke dag vijfmaal 9/11.

Hoe analyseert u de reactie op die verschillende crisissen?
Kumi Naidoo:De dominante wereldspelers pakken de crisis niet aan op een coherente manier. Leiders uit alle continenten moeten samenwerken om een antwoord te geven op de crisissen. Albert Einstein zei ooit: “Je kunt een probleem niet oplossen met de denkwijze die het heeft veroorzaakt”. Toch zien we net dat gebeuren.

Vooral het beleid om groei op te wekken moeten we in vraag stellen. We beschikken over een groeimodel dat duidelijk niet werkt voor de meerderheid van de wereldbevolking. Nu kennen we enkel ongelijke groei.

De klimaatcrisis was tegelijkertijd een kans om radicale, nieuwe manieren van denken te ontwikkelen over de economie, patronen van consumptie en productie, en nieuwe relaties tussen rijke en arme landen. Maar die boot hebben we jammerlijk gemist.

De armste landen zijn het minst verantwoordelijk voor de huidige klimaatcrisis en toch betalen zij de hoogste prijs. Globale beleidsmakers hullen zich in stilte, terwijl de reactie op de verschillende crisissen op een geïntegreerde manier moet gebeuren.

Hoe moet het Afrikaanse continent naar economische groei streven?
Kumi Naidoo: We moeten banen creëren en de economische barrières tussen de Afrikaanse naties neerhalen. Als Europa een euro heeft, dan kan Afrika toch een afro hebben? Op de top van de Afrikaanse Unie in 2008 was er een groot debat over het niveau van integratie. Sommige leiders gewagen van een volledig geïntegreerd ‘Verenigde Staten van Afrika’. Hierover zijn grote meningsverschillen, maar in de toekomst zullen stappen ondernomen worden naar monetaire integratie.

Sinds de val van de Berlijnse muur is de economie voortgestuwd door een golf van neoliberalisme. Overal neemt de kloof tussen arm en rijk fundamenteel en astronomisch toe. Een gemist alternatief voor de bestaande ontwikkelingssystemen is dat we de klimaatcrisis niet hebben verbonden aan de financiële crisis.

Hoe ziet u de relatie tussen de arme en rijke landen vandaag?
Kumi Naidoo: De logica die stelt dat de rijke landen Afrika historisch geholpen hebben, is verkeerd. In feite investeren wij sociaal in de rijkste landen. Illustratief is het voorbeeld van Manchester, waar meer dokters uit Malawi zijn dan in heel Malawi. OESO-landen (Organisatie voor Economische samenwerking en Ontwikkeling, red.) rekruteren constant en agressief ons menselijk kapitaal zonder compensatie voor het verlies in de Afrikaanse gezondheids- en onderwijssector.

Afrika is een van de rijkste continenten ‘onder de grond’. Om diezelfde reden zijn we het armste continent ‘boven de grond’. Dit is te wijten aan de eeuwenlange uitbuiting van Afrika. Historisch gezien werd het kolonialisme gedreven door een combinatie van beschavingszucht en de drang naar grondstoffen. Er moet een reële compensatie komen voor die uitbuiting.

Dat het internationale kapitaal voor diamanten in Antwerpen ligt, terwijl in België zelf geen enkele diamant in de grond zit, is een structurele onrechtvaardigheid. Hoe kan je een globaal systeem hebben, dat nog altijd geworteld is in een disproportionele machtsverhouding tussen het noorden en het zuiden?

Worden ontwikkelingslanden niet te afhankelijk van rijke landen als ze om geld ‘bedelen’?
Kumi Naidoo: Wanneer de Afrikaanse samenleving om hulp vraagt, is dat geen vraag om liefdadigheid, maar hoop op rechtvaardigheid. Toen Nelson Mandela en ik op Trafalgar Square de Make Poverty History-campagne lanceerden in 2005, zegden we dat 35 jaar lang wachten is voor minder dan één procent. Want de rijke landen beloofden al in 1970 dat ze 0,7 procent van hun bruto binnenlands product zouden besteden aan ontwikkelingshulp. Het Marshallplan van de VS om na de tweede wereldoorlog Europa terug op de been te helpen daarentegen voorzag één procent van het Amerikaanse bnp voor Europa over een periode van vier jaar.

Dambisa Moyo, de Zambiaanse economiste, argumenteert dat ontwikkelingssamenwerking verantwoordelijk is voor Afrika’s  armoede.

Kumi Naidoo: Problematisch is dat een groot deel van de ontwikkelingssamenwerking aan Afrika niet om hulp draait, maar om politici op zoek naar profijt in hun eigen land. Ontwikkelingssamenwerking is een monument dat we gedetailleerd moeten ontleden. Sommige soorten hulp zijn problematisch en andere werpen een laatste levenslijn.

De militaire uitgaven in sommige landen maken deel uit van een ontwikkelingspakket, gedreven door belangen op het thuisfront. De taak van burgers van een donerend land is de regering ter verantwoording te roepen door geen militaire uitgaven te steunen en ontwikkelingssamenwerking niet te gebruiken om bepaalde gebieden open te stellen voor industrie.

Hoe onvolmaakt ontwikkelingssamenwerking soms ook is, we moeten haar versterken. Levens redden levert geen permanente oplossing, maar draagt een boodschap uit van solidariteit en niet de boodschap van manipulatie, die vaak inherent is aan de bestaande vormen van ontwikkelingssamenwerking.

Zimbabwe ontving de laatste vijf jaar geen ontwikkelingshulp meer van de internationale gemeenschap. Die ontzegging van hulp heeft geen enkel voordeel opgeleverd voor de Zimbabwaanse bevolking. De regering ondernam geen enkele stap voor verandering.

We moeten beseffen dat ontwikkelingssamenwerking slechts een klein radertje vormt in de bevrijding van Afrika van haar sociale en economische armoede.

Wat vindt u van de humanitaire inspanningen van ngo’s?
Kumi Naidoo: Ngo’s vervullen een cruciale rol om menselijke solidariteit te promoten. Ze hebben de mogelijkheid om de uitdagingen in ontwikkelingssamenwerking aan te pakken, waarin overheden niet slagen.

Maar we mogen ons niet blindstaren op het verschaffen van middelen en diensten. De bevolking van de Europese Unie beschikt over de macht om Europa uit te dagen. De EU vertraagde, de laatste zeven jaar, consequent de economische onderhandelingen met Afrika.

Het feit dat de EU elke Europese koe subsidieert voor twee euro per dag, terwijl de helft van de wereldbevolking van minder leeft, maakt Afrikaanse export naar Europa onmogelijk. Nog erger is dat de overproductie van Europese boeren op de Afrikaanse markt wordt gedumpt. Hierdoor komen Afrikaanse boeren zelfs op hun binnenlandse markten in de problemen.

Sommigen spreken over een corruptie-epidemie in Afrika. Is corruptie mede verantwoordelijk voor de structurele armoede?
Kumi Naidoo: Corruptie is geen ziekte, waar alleen Afrika aan lijdt. Hoewel er vele incompetente, Afrikaanse, politieke actoren zijn die de corruptie in de ontwikkelingshulp promoten, zijn private kapitaalstromen en multinationals even verantwoordelijk.

Een massale afvloeiing van kapitaal teistert het Afrikaanse continent. Voor elke dollar hulp die het land binnenkomt, vloeien bijna acht dollar weer het land uit aan schuldbetalingen en de toe-eigening van winsten door multinationals.

Hoe verklaart u dat India en China wel uit hun status van ontwikkelingsland zijn geklommen?
Kumi Naidoo: Afrika is India noch China. Dat zijn twee eenvormige natiestaten die over een gigantische bevolking en bijgevolg over enorme binnenlandse markten beschikken. Afrika daarentegen bestaat uit een veelheid van natiestaten, die economisch, politiek, sociaal en cultureel onsamenhangend zijn.

De huidige grenzen tussen de Afrikaanse staten houden geen steek voor ons. Ze zijn niet door Afrikanen getekend, maar door een conferentie in Berlijn in de 19de eeuw. Daarom pleiten vele Afrikaanse burgers voor meer eenheid en integratie op economisch en politiek vlak.

Bent u optimistisch over de toekomst van het Afrikaanse continent?
Kumi Naidoo: Toen ik 22 was, bestreed ik in ballingschap het apartheidsregime in Zuid-Afrika. Mijn toenmalige beste vriend, Lenny, stelde me een vraag: “Wat is de grootste bijdrage die we kunnen leveren aan de mensheid?” Ik antwoordde: “Dat is een zeer gemakkelijke vraag: je leven geven.” “Dat is een verkeerd antwoord”, zei Lenny, “je moet niet je leven geven, maar het béste van je leven.” Lenny en drie jonge vrouwen van ons dorp werden later brutaal vermoord door het regime. Hun lichamen waren doorzeefd met kogels, zodat hun eigen ouders ze niet meer herkenden. Toen ik het nieuws hoorde, dacht ik diep na over Lenny’s woorden.

Hij bedoelde dat de strijd voor rechtvaardigheid en tegen globale armoede het hoogste goed is. Soms verliezen mensen hun geloof in solidariteit, maar solidariteit is exact wat we nodig hebben om de planeet te beschermen voor toekomstige generaties.

Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner

Koenders houdt pleidooi voor ‘Kapitalisme 3.0′

maandag, november 30th, 2009

Op het symposium (pdf) Verschuivende machtsverhoudingen in de wereld, georganiseerd door De Nederlandsche Bank, riep minister Koenders van Ontwikkelingssamenwerking de bank op de armste landen te helpen. ““Never waste a good crisis. Ontwikkelingslanden èn Nederland hebben belang bij veranderingen in het internationale financiële en monetaire systeem. Er kan harder worden gewerkt om te voorkomen dat ontwikkelingslanden gedwongen zijn grote hoeveelheden dollars in reserve te houden, ook door DNB,” zei Koenders in zijn speech.

Koenders pleit voor “nieuwe regels voor een nieuwe tijd” en roept DNB op hierin een rol te spelen. Koenders: “DNB zou bijvoorbeeld eens kritisch kunnen kijken naar zijn traditionele counterparts. De Bank for International Settlements (BIS) en de Financial Stability Board (FSB) zijn nu nog exclusieve clubs. Alleen de Afrikaanse landen Algerije en Zuid-Afrika zijn aangesloten bij de BIS, terwijl het FSB-lidmaatschap grotendeels overeenkomt met het lidmaatschap van de G20. Toch worden in die clubs beslissingen genomen, denk bijvoorbeeld aan de Bazelse akkoorden, waar ontwikkelingslanden vroeg of laat mee te maken krijgen. Ik begrijp dat discussies over lidmaatschap lang kunnen duren en soms ook gevoelig liggen. Maar we kunnen er nu al voor zorgen dat de belangen van ontwikkelingslanden worden meegewogen. En dat beslissingen niet indruisen tegen de doelstellingen van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid, want we zijn geen gekke Henkie.”

Tegelijk hield de minister een pleidooi voor ‘Kapitalisme 3.0′. “Ik pleit met Dani Rodrik voor een ‘Kapitalisme 3.0’, voor een betere balans tussen overheid en markt. Daar is wel een level playing field voor nodig. Ontwikkelingslanden moeten zichzelf – meer dan nu – gaan beschouwen als belangrijke spelers met verantwoordelijkheden en belangen in het internationale financiële systeem. Maar daar moet dan wel policy space tegenover staan. Nu hebben ontwikkelingslanden niet de beleidsvrijheid die rijkere naties wel hebben – denk bijvoorbeeld aan de omvangrijke steun aan de financiële sector, De Nederlandsche Bank weet er alles van. Dat maakt het voor deze landen buitengewoon moeilijk om adequaat – dat willen zeggen: anticyclisch – op deze crisis te reageren.”

Dames en heren,

Ik werd in 1978 actief in de politiek. De wereld zag er toen heel anders uit dan nu. De macht was verdeeld tussen Oost en West, tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. Ik hield me bezig met regels voor wapenbeheersing en risico’s van Mutually Assured Destruction.  Maar in 1989 – dit jaar alweer twintig jaar geleden – viel De Muur, waarna al snel de totale ineenstorting van het Sovjet-rijk volgde. De illusie van autarkische planning was voorbij, Amerika bleef als supermacht alleen over. Neoliberalisme en – soms – marktfundamentalisme kregen de wind in de zeilen.

Weer twintig jaar later, vandaag, komt ook aan die werkelijkheid langzaam maar zeker een einde. Een land als China eist zijn rol op het wereldtoneel steeds nadrukkelijker op, terwijl de krachten uit Amerika beginnen weg te vloeien. En er is – net als in de jaren zeventig – weer een debat over de verhouding tussen markt en staat, over de tekortkomingen van internationale instellingen, over transparantie en echte verantwoording, ja, zelfs weer over verdelingsvraagstukken in een ongelijke wereld. Intellectuele diversiteit is nu broodnodig, ook over het rationele gedrag van de marktpartijen en de omvang van de financiele sector.

Zo veel aardverschuivingen in zo korte tijd: het is bijna niet bij te houden. Maar ik zal wel moeten, ú zult wel moeten. Want ook binnen de internationale financiële instellingen worden de kaarten opnieuw geschud, ten gunste van opkomende economieën. Met andere woorden: er ontstaan nieuwe regels voor een nieuwe tijd.

Ik weet dat deze ontwikkeling in het Westen, in Nederland, in deze zaal met de nodige argwaan wordt begroet. Maar mijn stelling is: Nederland wordt er alleen maar beter van. Mits we niet Gekke Henkie spelen. En mits we ook de armste landen een plek aan de onderhandelingstafels gunnen. Want legitimiteit en effectiviteit hangen meer dan ooit met elkaar samen. Die twee dingen op een goede en efficiënte manier met elkaar verbinden: dat is de uitdaging van onze tijd.

Dames en heren, het faillissement van Lehman Brothers markeert het begin van de financieel-economische crisis. Dat faillissement werd nu ruim een jaar geleden uitgesproken. Eén ding heeft de crisis het afgelopen jaar in elk geval opgeleverd: het multilaterisme is springlevend. Mede dankzij de maatregelen die de G20-landen hebben genomen, kondigt het economisch herstel zich aan. Dat was met de G7 nooit gelukt: daarvoor is die club niet representatief en daarom niet legitiem genoeg.

Maar er zijn meer voorbeelden.

Door de crisis is de hervorming van de Wereldbank en het IMF in een stroomversnelling geraakt.

Door de crisis is het Financial Stability Forum omgevormd tot de Financial Stability Board, waar nu in elk geval alle G20-landen vertegenwoordigd zijn.

Door de crisis staat het toezicht op financiële instellingen in de EU-lidstaten hoog op de agenda. Tijdens de Ecofin van volgende maand proberen de lidstaten een akkoord te bereiken over de oprichting van drie Europese toezichthouders: een voor de banken, een voor de beurzen en een voor de pensioenfondsen. Het kabinet steunt de oprichting en wil de toezichthouders ruime bevoegdheden geven.

Nieuwe regels voor een nieuwe tijd, ik zei het al. Daar horen principes bij. Ik ben een voorstander van zelfregulering, maar in tijden van externalities is zelfregulering niet genoeg.

Dames en heren, mijn motto is: ‘Never waste a good crisis.’ Het lijkt erop dat deze crisis inderdaad wordt aangegrepen om internationale problemen op te lossen. Helaas, dat is maar een beetje waar. Alle hoopvolle geluiden ten spijt, blijven fundamentele problemen bestaan. Natuurlijk, in de Verenigde Staten wordt meer gespaard en in China meer geïnvesteerd. Maar de Amerikaanse tekorten blijven groot. De dollar als wereldwijde reservemunt speelt daarin een rol. De Belgische econoom Robert Triffin zag het dilemma al in 1960: om wereldwijd voldoende groei en liquiditeit mogelijk te maken, moeten de Verenigde Staten grote tekorten creëren. Maar op termijn ondermijnt dit het vertrouwen in de dollar, terwijl de instabiliteit in de wereld toeneemt.

Er zijn meer fundamentele problemen. Een ongelijke wereld, om eens iets te noemen. In Amerika is het reële inkomen van de lagere middenklasse afgelopen decennia nauwelijks gegroeid. Om deze groep toch meer te laten consumeren, is er – geholpen door de lage rente – een gigantische kredietbel geblazen. Tegelijk moest een aantal ontwikkelingslanden bij wijze van verzekering grote hoeveelheden dollars in reserve houden. Dat is een goed middel tegen de crisis, maar de nadelen zijn groter dan de voordelen. Ik noem de drie belangrijkste nadelen. Eén: er vloeit een perverse geldstroom van ontwikkelingslanden naar Amerikaanse consumenten. Twee: ontwikkelingslanden kunnen grote sommen geld niet inzetten voor hun eigen economie. Drie: internationale onevenwichtigheden blijven hierdoor intact.

En dan heb ik het nog niet gehad over mijn grootste zorg. De financiële en economische crisis dreigt de politieke aandacht af te leiden van de klimaatcrisis en de voedselcrisis. Dat kunnen we ons niet permitteren. En dat hoeft ook niet. Effectieve middelen om de economische crisis te bestrijden, zijn ook effectief op het gebied van klimaat en voedsel. Een stabiele economische ordening staat niet los van een duurzamere wereld. Het evenwicht daartussen moet worden hersteld. Alleen gekoppeld aan lange-termijndoelen als internationale duurzaamheid, voedselzekerheid en publiek-private samenwerking zijn korte-termijnmaatregelen effectief. Tot mijn ergernis lijkt de internationale gemeenschap een keuze te maken tussen de strijd tegen armoede enerzijds, en het aanpakken van klimaatverandering en het voedselprobleem anderzijds. Penny wise, pound foolish. Neem klimaatbeheersing. De extra kosten daarvan, ongeveer 0,1 procent van het BBP van geïndustrialiseerde landen, vallen in het niet bij de schade die onbeteugelde klimaatverandering teweegbrengt. Als we niet ingrijpen, kost dat uiteindelijk 5 tot 20 procent van het mondiale BBP.

Alle moderne uitdagingen vergen vooral mondiale samenwerking. Helaas zijn de bestaande structuren nog niet aangepast aan de veranderde machtsverhoudingen in de wereld. Dat moet nu echt snel beter, vooral binnen de internationale financiële instellingen.

Maar heeft het ‘multilaterale moment’ daarvoor wel voldoende kracht? Er bestaat natuurlijk spanning tussen nationaal toezicht en de internationalisering van de financiële sector. Juist in tijden van crisis komen landen in de verleiding terug te vallen op – bijvoorbeeld – protectionisme. Maar deze crisis heeft ook aangetoond dat nationale arrangementen nodig zijn om problemen effectief aan te pakken.

Balanceren op het slappe koord tussen protectionisme en nationale beleidsvrijheid: hoe doe je dat? Ik pleit met Dani Rodrik voor een ‘Kapitalisme 3.0’, voor een betere balans tussen overheid en markt. Daar is wel een level playing field voor nodig. Ontwikkelingslanden moeten zichzelf – meer dan nu – gaan beschouwen als belangrijke spelers met verantwoordelijkheden en belangen in het internationale financiële systeem. Maar daar moet dan wel policy space tegenover staan. Nu hebben ontwikkelingslanden niet de beleidsvrijheid die rijkere naties wel hebben – denk bijvoorbeeld aan de omvangrijke steun aan de financiële sector, De Nederlandsche Bank weet er alles van. Dat maakt het voor deze landen buitengewoon moeilijk om adequaat – dat willen zeggen: anticyclisch – op deze crisis te reageren.

Beleidsvrijheid klinkt goed, maar er zit een gemene adder onder het gras: beleidsruimte betekent ook meer potentiële conflicten tussen landen. Om die conflicten in de kiem te smoren zijn internationale ‘verkeersregels’ nodig. Ik zei het eerder: nieuwe regels voor een nieuwe tijd.

Maar wie gaat die regels stellen?

In het verleden hielden organisaties als WTO, IMF en Wereldbank de ontwikkelingslanden in een stevige greep. Die machtspositie was gebaseerd op economische principes uit de Verenigde Staten. Nu het Amerikaanse model kwetsbaar blijkt, is ook de intellectuele geloofwaardigheid van die regels aan erosie onderhevig. Dat heeft de positie van de Verenigde Staten als internationale scheidsrechter geen goed gedaan. Voor sommige ontwikkelingslanden lijkt China een geloofwaardiger arbiter.

Volgens De Chinese geleerde Yan Xuetong gaat China de Verenigde Staten op economisch terrein tussen 2020 en 2030 voorbijstreven, en in dezelfde periode militair even sterk worden. Maar wil China zich ook internationaal manifesteren? Vooralsnog lijkt China niet veel te voelen voor een rol als wereldleider naast de Verenigde Staten. Het is daarom van het grootste belang dat we – met het oog op de economische stabiliteit – haast maken met de hervormingen van de internationale financiële instituties. Een multipolaire wereld werkt op basis van internationale politieke verhoudingen – daarom hoefde het Triffin-dilemma tijdens de Koude Oorlog ook niet opgelost te worden. De G2,  Amerika en China, moeten in een groter geheel van internationale politieke en financiële arrangementen ingebed raken.

Dames en heren, ik zie twee grote risico’s voor duurzaam economisch herstel. Eén: een verkeerde timing van de ‘exitstrategie’. Een te vroege exit kan ervoor zorgen dat de economie terugvalt en in ‘W’ terechtkomt, een te late exit vergroot de kans op oververhitting en onhoudbare schulden. Twee: een terugkeer naar business as usual, inclusief onhoudbare praktijken in de financiële sector en onvoldoende investeringen in global public goods. Met als gevolg dat we wéér in een crisis terecht kunnen komen.

Meer dan tien jaar geleden, ten tijde van de Azië-crisis, was er al veel discussie over de noodzaak tot hervorming. Sommige Aziatische landen waren zeer kritisch over de rol van bijvoorbeeld het IMF. Er is sindsdien weinig – te weinig – gebeurd. Zowel in opkomende economieën als ontwikkelingslanden worden de Bretton Woods-instellingen nog altijd gezien als Westerse instellingen. Dat is volkomen begrijpelijk. Een voorbeeld: in het IMF, dat 185 lidstaten telt, hebben de Verenigde Staten bijna 17 procent van het stemrecht in handen, de gezamenlijke EU-landen 32 procent. Grote groeiers als China en India moeten het samen doen met slechts 5,5 procent van het stemrecht.

De BRIC-landen, en dan vooral China en India, doorstaan de crisis relatief goed. Dat wordt duidelijk bij internationale discussies over klimaat, handel en monetaire zaken – zoals de rol van de dollar. De BRIC’s eisen hervormingen. En terecht. Niet alleen namen bestaande instituties geen adequate maatregelen die deze crisis hadden kunnen voorkomen, sommige organisaties deden zelfs dingen die de crisis –blijkt achteraf – alleen maar erger maakten. Zonder hervormingen is het garanderen van financiële stabiliteit in de toekomst domweg onmogelijk.

Maar voor stabiliteit is óók een grotere invloed van de armste landen nodig. Als zij hun belangen beter vertegenwoordigd zien, zal hun vertrouwen in de financiële instellingen toenemen. Dat is in het belang van Nederland, met zijn open economie. Laten we niet vergeten dat de Afrikaanse landen voor de crisis sterk groeiden. Dat groeipotentieel is nog steeds aanwezig en handelsnatie Nederland kan daarvan profiteren. Net als het afgelopen jaren heeft geprofiteerd van de groei in de BRIC-landen.

Maar het is niet alleen eigenbelang dat mij drijft. Een paar weken geleden maakte het Wereldvoedselprogramma van de VN bekend dat – mede als gevolg van de crisis – dit jaar ruim een miljard mensen ondervoed zijn. Dat zijn er 100 miljoen meer dan vorig jaar en is het hoogste aantal sinds 4 decennia! Tegelijk zijn de bonussen van de internationale bankwereld – ondanks de crisis – dit jaar hoger dan de totale ontwikkelingssamenwerking in de wereld. Ik vind dat een gotspe.

In mei was ik in Mozambique. De financiële sector daar is nauwelijks geraakt door de kredietcrisis, maar de reële economie wordt hard getroffen door de grote dalingen van het exportvolume en de grondstoffenprijzen. De lopende rekening vertoonde al vóór de crisis een tekort, maar zal in 2009 met nog eens 200 miljoen dollar afnemen. Door de crisis loopt de Mozambikaanse overheid ongeveer 100 miljoen dollar aan belastinginkomsten mis. Het land moet bovendien rekening houden met een daling van de hulp in 2010: veel donoren hebben als gevolg van de crisis moeite om hun budget voor ontwikkelingssamenwerking op peil te houden. Deze cijfers zijn op zichzelf al reden tot ongerustheid. Maar ze dringen pas echt tot je door als je inzoomt op mensen. Doordat de aluminiumexport begin dit jaar met bijna de helft is teruggelopen, raken veel mijnwerkers hun baan kwijt. Door fouten in het Westen staan Mozambikanen op straat. Dat is een perverse situatie, die zich niet beperkt tot Mozambique: de crisis is een bijna-dood-ervaring voor een groot aantal arme landen.

Steevast luidt de kritiek op ontwikkelingssamenwerking dat de landen die zich uit de armoede hebben onttrokken, dat hebben gedaan door economische groei en niet door ontwikkelingshulp. Er wordt dan gewezen naar China, naar Zuid-Korea, naar India. Stuk voor stuk landen die de afgelopen jaren enorm hebben geprofiteerd van aansluiting bij de wereldeconomie. Dat ging niet vanzelf. Deze landen hebben een eigen beleid gevoerd en kunnen voeren om hun eigen industrie te ontwikkelen. Zij hebben enorm geïnvesteerd in de landbouw, zoals India met zijn succesvolle groene revolutie. Zij hebben, zoals China, buitenlandse investeerders aangemoedigd en geselecteerd op die terreinen die bijdragen aan groei. Zij hebben miljoenen ingezet op scholing van de beroepsbevolking. Dat gaf hun bestuur een hogere mate van legitimiteit en zorgde voor politieke ontwikkeling. Als aanjager speelde ontwikkelingssamenwerking daarbij in landen als Zuid-Korea, India en Indonesië een belangrijke rol.

Meer dan een miljard mensen krijgen op dit moment niet deze ruimte voor eigen economische ontwikkeling. Zij zijn uitgesloten van de voordelen van globalisering. Zij zitten gevangen in een armoedespiraal omdat de voorwaarden voor hun ontwikkeling ontbreken. Wat zijn die voorwaarden? Een redelijk stabiele overheid met een goed sociaal contract, zoals we dat vroeger zouden zeggen, maar eigenlijk nu ook nog goed past. Ruimte, internationaal, om goed beleid te kunnen voeren. Kennis van zaken. Een basisinfrastructuur van wegen om de markt te bereiken, van energie om te kunnen produceren. De mogelijkheid voor vrouwen om eigen inkomsten te kunnen verwerven, omdat bewezen is dat dit waar dan ook ter wereld zorgt voor meer groei en minder armoede.

Daar is mijn beleid dan ook op gericht. Ik noem u twee concrete initiatieven. Eén: het Health Insurance Fund. Voor een gezonde economie zijn gezonde mensen nodig, maar jaarlijks vallen 150 miljoen mensen door ziekte en ziektekosten terug onder armoedegrens. Nederland steunt een systeem om private ziektekostenverzekeringen in landen als Nigeria en Tanzania van de grond te krijgen. Twee: het Initiatief Duurzame Handel. Samen met maatschappelijke organisaties zijn al tientallen Nederlandse bedrijven en multinationals bezig de lange exportketen van producten als cacao, hout en soja duurzamer te maken. Ontwikkelingsamenwerking faciliteert dat.

Dames en heren, ik ga afronden. De sociologie kent het begrip moderniseringsverliezers: burgers die niet profiteren van de globalisering. Nederland kent vooral winnaars, maar ook hier zijn moderniseringsverliezers. Door globalisering, door technische ontwikkelingen. Die verliezers verdienen veel meer aandacht. Krijgen ze die aandacht niet, dan verzandt Nederland in populisme en dreigt een verdere provincialisering. Dat is desastreus voor een open land als Nederland.

Zo mogen we ook de moderniseringsverliezers onder de ontwikkelingslanden niet aan hun lot overlaten. Al was het maar omdat de wereld een dorp is geworden. Of we het nu leuk vinden of niet, het wel en wee in onze wijk wordt deels bepaald door wat er zich in de andere wijken afspeelt. Piraterij, armoede, vluchtelingenstromen, de dreiging van terreur: Somalië, Oost-Congo en Afghanistan zijn dichterbij dan een blik op de kaart doet vermoeden.

De Nederlandsche Bank kan helpen! DNB zou bijvoorbeeld eens kritisch kunnen kijken naar zijn traditionele counterparts. De Bank for International Settlements (BIS) en het Financial Stability Board (FSB) zijn nu nog exclusieve clubs. Alleen de Afrikaanse landen Algerije en Zuid-Afrika zijn aangesloten bij de BIS, terwijl het FSB-lidmaatschap grotendeels overeenkomt met het lidmaatschap van de G20. Toch worden in die clubs beslissingen genomen, denk bijvoorbeeld aan de Bazelakkoorden, waar ontwikkelingslanden vroeg of laat mee te maken krijgen. Ik begrijp dat discussies over lidmaatschap lang kunnen duren en soms ook gevoelig liggen. Maar we kunnen er nu al voor zorgen dat de belangen van ontwikkelingslanden worden meegewogen. En dat beslissingen niet indruisen tegen de doelstellingen van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid. Om met Ruud Lubbers te spreken: ik denk graag mee over de positie van DNB in FSB en BIS.

Er kan bovendien harder worden gewerkt om te voorkomen dat ontwikkelingslanden gedwongen zijn grote hoeveelheden dollars in reserve te houden, ook door DNB. Een meer evenwichtige verdeling van de rol van reservevaluta is noodzakelijk – we moeten de dollar in zekere zin ontlasten. De toewijzing van SDR’s die dit jaar heeft plaatsgevonden, zou achteraf wel eens de eerste stap kunnen betekenen richting een evenwichtiger wereldeconomie. Ik weet dat dit voor een belangrijk deel bepaald door de politieke opstelling van spelers die reserves opbouwen. Maar wij hebben er alle belang bij.

Uiteindelijk bepaalt de markt natuurlijk welke munt of munten een reservefunctie krijgen. Maar overheden kunnen daarop wel degelijk invloed uitoefenen. Sommige landen, zoals China, zijn belangrijke spelers op de valutamarkt. Er wordt door private partijen naar hun gedrag gekeken. Bovendien kunnen overheden de markt prikkelen om langzaam over te stappen op het gebruik van meerdere munten, of op een mandje als de SDR. Ik ben benieuwd of het IMF met nieuwe voorstellen gaat komen, en welke positie De Nederlandsche Bank dan inneemt.

Dames en heren, ik wil eindigen met een citaat uit The Post-American World van Fareed Zakaria. ‘The search for a superpower solution to every problem may be futile and unnecessary.’ Het is ook mijn overtuiging dat vooral internationale samenwerking de sleutel is tot een betere wereld. De wereld heeft daarin sinds 1978 grote vooruitgang geboekt, deze crisis mag ons niet terugwerpen. Daarom wil ik samen met u werken aan nieuwe regels voor een nieuwe tijd.

Dank u wel.

Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner

It’s the end of the world as we know it…

donderdag, november 12th, 2009

De Berlijnse Muur viel 20 jaar geleden. Het einde van de Koude Oorlog werd gevierd, de overwinning van het kapitalisme geclaimd. Twee decennia verder, terugblikkend tijdens de ernstigste financiële crisis sinds de jaren dertig van de vorige eeuw, blijkt dat de ‘overwinning’ maar vijf jaar duurde. De oprichting van de WTO, de Wereldhandels Organisatie, luidde het begin van de huidige economische crisis in. Bankiers en politici negeerden de afgelopen 15 jaar echter de waarschuwingen, zoals de financiële ineenstorting in Oost-Azië, de schuldencrisis in Mexico en Argentinië, en het uiteenspatten van de internetbel.

In The Guardian Weekly schrijft Larry Elliott dat de wereld een aantal wegen kan inslaan om uit de huidige economische crisis te komen.

De eerste weg is die van de Schumpeterschool: dit is een tijd van creatieve vernietiging, dus tanden op elkaar en gewoon doorgaan.
De tweede weg is die van ‘business as usual’: doorgaan op de oude weg en vooral geen radicale verandering in het financiële systeem.
De derde weg is op de oude weg doorgaan, maar met aanpassingen: het financiële systeem heeft fouten, maar met strenger toezicht kan de wereld nog een aantal jaren verder.

De business as usual-visie krijgt steeds meer tegenstand. Als we doorgaan op de oude voet zal het niet lang duren voordat er weer een nieuwe crisis ontstaat. De huidige voorstellen om het financiële systeem te hervormen dienen slechts het belang van de investeringsbanken, “de machtigste lobbygroepen op aarde”, schrijft Elliott. Echte hervorming moet, volgens de critici, inhouden dat we het aandeelhouderskapitalisme vaarwel zeggen.

En dan zijn er nog critici die vinden dat iedere hervorming gedoemd is tot mislukken omdat het uitgaat van groei. En groei is juist wat de aarde niet langer meer aankan.

Volgens Elliott bevinden de meeste politici zich ergens tussen weg 2 en weg 3. Daarmee laten ze volgens Elliott een belangrijke kans liggen. “De zaadjes van een nieuwe crisis worden gezaaid, hier en nu.”

Die visie onderschrijft Guus Hustinx in Management & Literatuur van oktober. “Betekent de huidige crisis het einde van de ongebreidelde vrije markt? Nee, het lijkt er niet op. Het neoliberale denken staat nog als een huis”, schrijft hij. “De kredietcrisis is het gevolg van superkapitalisme: geld met geld maken, hebzucht aangewakkerd door absurde bonusregelingen, totdat de zeepbel uiteen spatte. De maatshappij betaalt de prijs: met belastinggeld worden banken overeind gehouden. De sterk opgelopen staatsschuld zal gevoeld worden tot in lengte van jaren.”

Hustinx, auteur van het boek Ecologisch veranderen van organisaties maakt een vergelijking met de klimaatcrisis. Ook hier is sprake van een decennia lang opgebouwde schuld, die volgende generaties moeten gaan afbetalen. “De onderliggende boodschap: ik kan meer nemen dan ik geef, dat gaat ten koste van anderen, maar uiteindelijk kom ik er toch mee weg.” Hustinx noemt dit ‘klein-denken’: denken alleen vanuit de eigen positie en op de korte termijn, niet persoonlijk verantwoordelijk zijn. Hij houdt een pleidooi voor ‘groot-denken’: als je meer hebt genomen dan je gegeven hebt, als je een schuld hebt opgebouwd: zelf terugbetalen.

Helaas wint het ‘klein-denken’ het opnieuw. De financiële instellingen in Londen en New York nemen grotere risico’s dan voor de crisis. Zonder blikken of blozen, want ze weten dat ze niet kunnen vallen; de overheid zal bijspringen als het slecht dreigt te gaan…

YouTube voorvertoningsafbeelding
Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner

Kopenhagen 11: Milieubeweging moet economische visie ontwikkelen

dinsdag, september 29th, 2009

De milieubeweging is te stil, vindt Egbert Tellegen, socioloog en hoogleraar milieukunde, in Trouw. Hij roept de beweging op maatschappijkritischer te worden en vragen te stellen bij de huidige economische orde. “We leven in een tijd waarin de consument de productie niet meer kan bijhouden, in plaats van andersom. We moeten consumeren, niet omdat we die producten nodig hebben, maar omdat anders de koersen dalen en het personeel op straat komt te staan. Er is enerzijds een economische crisis, anderzijds een ecologische ramp. In zo’n tijd zou je van de milieubeweging een toegevoegde waarde verwachten. Natuurmonumenten en het Wereldnatuurfonds hebben natuurlijk altijd koudwatervrees gehad voor maatschappijkritiek, maar een club als Milieudefensie zou toch best een economische visie kunnen geven? Juist een langetermijnvisie. Hebben we wel een beurs nodig? Kan het niet anders? Geef antwoord op de vraag hoe onze economie eruit moet zien om de milieudoelen te halen. Kom met plannen voor een nieuwe economische orde.”

Volgens Tellegen gaat de milieubeweging er tegenwoordig van uit dat economische groei en ecologie elkaar niet hoeven te bijten. Terwijl juist economen vraagtekens bij die visie zetten, is de milieubeweging teveel op consensus gericht, aldus Tellegen. “Een punt bijvoorbeeld dat totaal taboe is, is inkomen. Een hoog inkomen is ontzettend slecht voor het milieu. Er is een zeer sterke correlatie tussen inkomen en de ecologische voetstap. Als je iets wilt doen aan het milieu op langere termijn, moet het vrij besteedbaar inkomen omlaag. Heb je ooit gehoord dat in het kader van duurzaam ondernemen een directeur van zo’n bedrijf nooit méér mag verdienen dan premier Balkenende? Nee, dat is gewoon een taboe. Ook het afschaffen van bonussen zou een onderdeel van het duurzaam ondernemen moeten zijn. Niet dat de milieubeweging mij nou moet napraten, maar laat ze met iets komen. Het minste wat zij kan doen is er in ieder geval over nadenken. Nu schiet ze echt tekort. Ze is op consensus gericht, iedereen ’denkt mee’. Er bestaan splinters, die proberen kleine gemeenschappen duurzaam te maken. Maar dat soort kleinschalig gedoe, daar moeten we het niet van hebben. We moeten zoeken naar internationale oplossingen.”

Een van de economen die volgens Tellegen vraagtekens zet bij onbegrensde economische groei is econoom Jaap van Duijn. Hij publiceerde twee jaar geleden het boek De groei voorbij. Over de economische toekomst van Nederland na de booming nineties.

YouTube voorvertoningsafbeelding
Stem of voeg toe aan:  Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner