Archief voor de categorie ‘Ontwikkelingssamenwerking’

Afrikaanse babys als proefkonijnen voor malariavaccin

woensdag, januari 19th, 2011

Het verhaal doet denken aan de hypothese die auteur Edward Hooper beschreef in zijn boek The River: A journey back to the source of HIV and AIDS. Hooper oppert dat een inentingscampagne voor een experimenteel polio-vaccin de oorzaak is van de overdracht van het HIV-virus op mensen, met als gevolg de mondiale Aids-epidemie. De Italiaanse onderzoeker Antonio Mazzeo schrijft in het laatste nummer van De Wereldmorgen dat een speciale eenheid van het Amerikaanse leger in Kenia samen met de Britse farmaceutische multinational GlaxoSmithKline malariatests uitvoert op Afrikaanse baby’s en zuigelingen.

De ontwikkeling van het militair-medisch onderzoeksprogramma heeft al meer dan 500 miljoen dollar gekost en onderzoekers van een gigant van de farmaceutische industrie werken er samen met de beste artsen van het Amerikaanse leger. Sponsor is de almachtige baas van de nieuwe informaticatechnologie, Bill Gates. Het gaat hier over het experiment met een nieuw vaccin tegen malaria met de codenaam ‘RTS,S/ASO2′.

De gegevens van het vaccinatie-experiment worden verzameld in het Muriithi-Wellde Clinical Research Centre van Kombewa, een stadje in de Keniaanse provincie Nyanza. De analyse gebeurt door het team van het USAMRU-K. “Onze eenheid hangt af van het hoofdkwartier voor Medisch Onderzoek van het Amerikaanse leger (USAMRMC) met hoofdzetel in Fort Detrick, Maryland. Wij coördineren de activiteiten in Afrika met het US Africa Command (AFRICOM) van Stoccarda en het hoofdkwartier van het US Army Africa in Vicenza”, verklaart de woordvoerder van USAMRU-K.

“In Kombewa is het onderzoek naar de werkzaamheid van het vaccin tegen malaria in een vergevorderd stadium. USAMRU-K neemt deel aan het experiment dat kan uitmonden in het eerste vaccin tegen malaria voor kinderen. De deelnemers worden gedurende drie schooljaren gratis behandeld. Zodra de veiligheid en de doeltreffendheid van het vaccin bewezen zijn, kan het vaccin op de markt worden gebracht. De huidige studie ontstond uit een hechte samenwerking met het PATH Malaria Vaccine Initiative (MVI) en de Britse farmaceutische groep GlaxoSmithKline (GSK).”

Voor de ontwikkeling van het vaccin heeft GSK al 300 miljoen dollar geïnvesteerd en het zal nog 100 miljoen uitgeven in de volgende twee jaar. De Amerikaanse non-profit organisatie PATH heeft 107,6 miljoen dollar geschonken uit het fonds Bill & Melinda Gates Foundation, het humanitaire fonds van de Microsoft-magnaat.

Het vaccin (RTS,S/AS02) werd in 1987 ontwikkeld in de Belgische laboratoria van GSK Biologicals in Waals-Brabant en is een eerste keer getest op ‘enkele vrijwilligers’ in de VS dankzij de medewerking van het US Walter Reed Army Institute of Research, het medisch onderzoeksinstituut van het Amerikaanse leger in Washington. Het eerste grote experiment met RTS,S-vaccin vond echter plaats in Afrika in 1998. En in de jaren 2002-2003 zijn de test gratis uitgevoerd op de ‘volwassenen’ van de dorpen in Kombewa. Dat gebeurde in een ziekenhuis dat mee beheerd wordt door USAMRU-K.

“De tests geven bemoedigende resultaten op het gebied van veiligheid en mogelijkheid tot immuniteit. Daarom werd op het einde van 2003 het experiment uitgebreid naar de kinderen van dezelfde streek, wat nogmaals bemoedigende resultaten opleverde”, staat in een rapport van GlaxoSmithKline.

“Onmiddellijk daarna is fase II van start gegaan met meer dan 2.000 kinderen in het zuiden van Mozambique.” De resultaten van deze test, in 2004 en 2005 gepubliceerd in het medische vakblad The Lancet, toonden dat het RTS,S-vaccin gedurende een periode van 18 maanden doeltreffend was. Het verminderde de klinische malaria in 35 procent van de gevallen en de zware malaria in 49 procent. Het is natuurlijk niet bekend wat er gebeurde met de overige, zijnde 1.300, kinderen.

Een tijdje later ging fase IIb van start om de doeltreffendheid van het antimalariavaccin ‘op lange termijn’ te bepalen. Als proefkonijnen werden deze keer meer dan duizend zuigelingen in Kenia en Tanzania en een onbepaald aantal in Mozambique gebruikt.

De resultaten werden op 8 december 2008 in het New England Journal of Medicine gepubliceerd: “Bij 340 baby’s tussen 5 en 17 maanden heeft RTS,S/AS01 het risico op malaria met 53 procent gereduceerd tijdens een follow-upperiode van acht maanden, wanneer het werd toegediend op de leeftijd van 8, 12 en 16 maanden samen met een vaccin tegen difterie, tetanus, kinkhoest en haemophilus influenzae B (Hib). De studie toont ook nog 65 procent minder nieuwe infecties in een follow-upperiode van drie maanden na het toedienen van de drie doses van het vaccin”.

Tijdens dezelfde maanden werd een laatste test uitgevoerd in Kenia en Tanzania op 894 kinderen tussen 5 en 17 maanden. “We onderzochten de veiligheid en de doeltreffendheid van het RTS,S/AS01 in combinatie met een ander hulpmiddel van GSK met de code AS01″, verklaren de verantwoordelijken van het farmaceutische bedrijf.

“Elk kind kreeg nog eens drie doses van het experimentele vaccin RTS,S/AS01 of het vaccin tegen rabiës. Daaruit bleek dat de formule RTS,S/AS01 het optreden van malaria reduceert met 53 procent gedurende gemiddeld acht maanden. Verdere studies in Mozambique met het vaccin RTS,S samen met een ander hulpmiddel van GSK (AS02) hebben een doeltreffendheid van 35 procent aangetoond gedurende 18 maanden bij kinderen tussen één en vier jaar”.

In mei 2009 begon fase III van het experiment met de inenting van meer dan 16.000 kinderen in dorpen in Gabon, Mozambique, Tanzania, Ghana, Kenia, Malawi en Burkina Faso. Volgens het Amerikaanse leger zouden er in het ziekenhuis van Kombewa meer dan duizend kinderen in de leeftijdsgroep van vijf maanden tot drie jaar aan de test onderworpen zijn.

“De volgende stap wordt de deelname van nog eens een duizendtal baby’s jonger dan zes weken. Dat betekent dat we eerst het vertrouwen moeten winnen van nieuwe moeders op het platteland, omdat die altijd thuis bevallen”, aldus de garnizoensverantwoordelijke.

Een communiqué van GlaxoSmithKlein van 21 april 2010 bevestigt dat “de doeltreffendheid zal worden getest op baby’s van 5 tot 17 maanden. Het nieuwe vaccin zal in 2013 door de internationale gezondheidsautoriteiten gecontroleerd worden”. Verdere gegevens over de doeltreffendheid en mogelijkheid tot immuniteit “zullen worden voorgesteld wanneer ze klaar zijn”. “Als alles goed gaat”, vervolgt GSK, “zal de algemene inenting met RTS,S van baby’s tussen 6 en 12 weken mogelijk zijn binnen vijf jaar”.

Als alles goed gaat, dus. In het ergste geval kan GSK overwegen om het experiment uit te breiden tot nog eens tienduizenden kleine menselijke proefkonijntjes in het hele Afrikaanse continent.

Het lijkt ongelooflijk gewetenloos en immoreel om massaal te expirementeren met het vaccin in een continent dat lijdt aan honger, onderontwikkeling, anafabetisme en gebrek aan om het even welke basisdienst. Ook de rol van een selecte ‘gezondheidseenheid’ van het Amerikaanse leger baart grote zorgen. USAMRU-Kenia kan echter op een lange traditie bogen op het gebied van ‘wetenschappelijk onderzoek’ en ‘preventie’ van tropische ziekten.

YouTube voorvertoningsafbeelding

Als de in het buitenland operationele task force van het Walter Reed Army Institute of Research, werd de eenheid in 1969 in Kenia uitgenodigd om een studie op te starten naar de trypanosomiasis, een parasitaire infectie overgebracht door de tseetseevlieg.

In 1973 vestigde USAMRU zich permanent in Nairobi dankzij een overeenkomst met het Kenya Medical Research Institute. In de volgende jaren werden in de hoofdstad en in West-Kenia (Kisumu, Kisian, Kombewa en Kericho) laboratoria geopend voor farmaceutische experimenten tegen malaria, trypanosomiasis, globale opkomende infectieziekten en HIV-aids. Tegen aids zijn de meeste en recentste inspanningen geleverd: in het kader van het United States Military HIV Research Program (USMHRP) is de staf van het Amerikaanse leger bezig met de ontwikkeling van het vaccin HIV-1 met algehele werkzaamheid en met het testen en beoordelen van andere experimentele vaccins tegen aids. Op het einde van 2000 werd het hoofdkantoor van het HIV-programma nogmaals in Kenia gevstigd, in Kericho.

Toevallig ontstond eind december 2000 in Groot-Brittannië de farmaceutische firma GlaxoSmithKlein dankzij de fusie van twee farmaceutische reuzen, Glaxo Wellcome en SmithKlein Beecham. Met meer dan 100.000 werknemers en een jaarlijkse omzet van 34 miljard euro is GSK de tweede farmaceutische groep in de wereld (na de Pfizer-groep) met een marktaandeel van 5,6 procent.

Het ‘ethische’ gedrag van de multinational is van verschillende kanten streng bekritiseerd en het bedrijf was al eerder betrokken bij verschillende schandalen. Zo beval de Argentijnse regering een onderzoek naar aanleiding van de dood van 14 kinderen in 2008 bij een experiment met een nieuw vaccin tegen long- en oorontsteking. Twee andere kinderen zouden gestorven zijn bij gelijkaardige tests in Panama en Chili.

Begin 2007 begon GSK in drie regio’s van Noord-Argentinië, Mendoza, San Juan en Oost-Santiago, 15.000 baby’s jonger dan één jaar tegen pneumokokken te vaccineren. De ouders (eenvoudige mensen) “ondertekenden zonder te weten dat het om een experiment ging in fase drie, direct op mensen, van een geneesmiddel dat risico’s kon inhouden”. Zo berichtte de lokale pers.

Ondanks het onderzoek startte GSK met de verspreiding van het vaccin Synflorix over heel Afrika “om invasieve pneumokokkenziekten te bestrijden”. Het ging om een ‘humanitair’ programma van 1,3 miljard dollar in opdracht van de G8, de Wereldbank en Unicef en voor een groot deel gefinancierd door GAVI (Global Alliance for Vaccines and Immunisation), door vijf landen (Groot-Brittannië, Canada, Rusland, Noorwegen en Italië) en door de onvermijdelijke Bill & Melinda Gates Foundation. Er zijn tot 300.000 doses voorzien, geproduceerd in een GSK-fabriek in Singapore. Echt een mooi voorbeeld van de globale markt.

Terwijl de omzet en de bijbehorende winst onwaarschijnlijk aangroeien, heeft het management van GSK een plan gelanceerd om op korte termijn het centrum voor onderzoek en productie van antibiotica in het Italiaanse Verona te sluiten, een van de twee Italiaanse vestigingen van de multinational. Daarbij staan meer dan 600 banen op de tocht.

Een verplaatsing van productie-eenheden naar Zuidoost-Azië, tests op Afrikaanse baby’s, ontmanteling van het bestaande productie-apparaat in Europa. En op de achtergrond diverse oorlogen, een ander gelaat van het onmenselijke kapitalisme. In de laatste tien jaar heeft GSK met het Amerikaanse ministerie van Defensie 61 contracten afgesloten voor de levering van vaccins, medicijnen en sanitaire uitrusting voor een totaal bedrag van 75.555.579 dollar.

Dat is weliswaar veel minder dan wat de overeenkomsten met het Pentagon partner en ‘mecenas’ Bill Gates opgebracht hebben: met computers, programma’s en oorlogsspelen voor het Pentagon verdiende Microsoft-Gates 278.480.465 dollar, 2,5 keer meer dan wat zijn Foundation investeerde in nieuwe vaccins tegen malaria.

Bron: Wereldmorgen.be

Willie Smits is boos

dinsdag, december 14th, 2010

Willie Smits, in Nederland geboren maar intussen Indonesisch staatsburger, is een veelzijdig en energiek man. Hij is vooral bekend als redder van orang-oetangs, maar is daarnaast via talloze stichtingen actief in milieubeschermer, sociale projecten en dierenwelzijn, en uitvinder met tientallen patenten op zijn naam. De energie voor dit alles haalt Smits uit zijn boosheid. “Als ik mijn kleinkinderen op mijn arm heb, ben ik verschrikkelijk boos op de wereld. Op wat wij allemaal van hen afnemen. Dat is verschrikkelijk. Dat er in die wetenschap nog steeds zoveel mensen zijn die op hun luie reet blijven zitten en niks doen, dat vind ik afschuwelijk. Onbegrijpelijk. Ik weet niet of al mijn doelen haalbaar en realistisch zijn, maar niets doen is misdadig”, zegt Smits in de Volkskrant.

Een van zijn nieuwste projecten richt zich op herbebossing, omdat de orang-oetans leven in bossen. In de Volkskrant vertelt Smits over zijn nieuwe stichting die deze week is opgericht: Masarang International. De stichting doet projecten in herbebossing, verschaft kinderen van arme boeren studiebeurzen en strijdt tegen dierensmokkel.

Een ander groot project is de samenwerking met Microsoft en de oprichting van een commercieel bedrijf dat minifabriekjes bouwt waar sap uit suikerpalmen wordt omgezet in bio-ethanol en drinkwater. Doel van Smits is om zo de lokale bevolking te ondersteunen en tegelijkertijd de houtkap tegen te gaan. De fabrieken zijn eigendom van een coöperatie van 6.000 lokale boeren op Sulawesi.

Het Microsoftproject brengt via een satelliet veranderingen in het oerwoud in kaart. Met geld uit het onderwijsproject van de computergigant en de ngo Take it Global kan iedere jongere die dat leuk vindt zijn eigen 9 hectare oerwoud ‘krijgen’. Vier miljoen geïnteresseerden hebben zich al gemeld; doel is tien miljoen schoolkinderen te bereiken.

" width="400" height="300" class="vvqbox vvqvideo">" />

Peter van Lieshout minder pessimistisch over beleid Knapen

dinsdag, december 7th, 2010

De hulporganisaties konden er niet zo veel mee, maar de experts, de media en het publiek des te meer. Het WRR-rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’ groeide uit tot de nieuwe ‘bijbel’ voor ontwikkelingssamenwerking. Nu vormt het de hoeksteen voor het nieuwe ontwikkelingsbeleid van Ben Knapen. IS sprak met de geestelijk vader Peter van Lieshout.
Het was de bekroning voor een rapport dat toch al niet over waardering te klagen had. “Het ontwikkelingsbeleid wordt fundamenteel herzien en gemoderniseerd, waarbij het rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid als leidraad dient”, zo luidt de eerste zin van het regeerakkoord van VVD en CDA over ontwikkelingssamenwerking. Peter van Lieshout, hoofdauteur van het rapport, kan er niet anders dan verguld mee zijn. En dan ligt die uitvoering van het rapport ook nog eens in handen van staatssecretaris Ben Knapen, tot voor kort Van Lieshouts collega bij de WRR.
Eigenlijk had het hele project ‘ontwikkelingssamenwerking opschudden’ al afgerond moeten zijn, maar de ontwikkelingssamenwerking is nog niet klaar met Peter van Lieshout – en omgekeerd. “Het zou zonde zijn om ontwikkelingssamenwerking nu terzijde te schuiven. Dat is kapitaalverlies vanwege de deskundigheid die  we hebben opgebouwd, maar ook jammer vanwege mijn eigen drijfveren. Ontwikkelingsvraagstukken blijven de meest intrigerende vragen die er zijn, zowel in intellectuele als in maatschappelijke zin.” Hoe zijn verdere betrokkenheid praktisch vorm krijgt is nog onduidelijk.

Bekruipt u niet een klein beetje twijfel dat het kabinet dadelijk een ‘platte’ versie van uw rapport uitvoert: met veel nadruk op de rol van de private sector bij ontwikkeling, maar weinig aandacht voor mondiale publieke goederen zoals klimaat en biodiversiteit?
“Dat selectief shoppen in het rapport valt wel mee, vind ik. De coherentie van het kabinetsbeleid op het gebied van klimaat, energie en water wordt tamelijk zwaar aangezet. Je kunt exegese op de tekst van het regeerakkoord gaan plegen in de trant van: er worden meer zinnen gewijd aan economische ontwikkeling dan aan publieke goederen, maar dan doe je de status van zo’n tekst geen recht. Er staat dat het WRR-rapport dé leidraad is, er wordt geen gas teruggenomen en er worden ook geen punten uit het rapport uitgezonderd.”

Het regeerakkoord biedt wat u betreft voldoende basis voor een goed ontwikkelingsbeleid?
“Ja. Maar je zult dadelijk ongetwijfeld discussies krijgen of sommige onderdelen van Knapens nieuwe beleid wel in de geest van het rapport zijn.
Het is altijd onze bedoeling geweest, expressis verbis, om een verhaal over ontwikkelingssamenwerking te schrijven dat niet op voorhand politiek te duiden is. Dat is ook de rol van de WRR, om boven het dossier te gaan staan en de vraag te stellen: wat is nou wijsheid? In  veel debatten over ontwikkelingssamenwerking domineren de sweeping statements. Aan de ene kant zetten we in Nederland het beeld neer van zielige mensen in Afrika die niets te eten hebben, waar we acuut wat aan moeten doen. En van de andere kant het beeld van corruptie, machtswellust, verspilling en inefficiënte hulporganisaties. Ieder kan die beelden koesteren en de ander voor moreel slecht uitmaken. Wij wilden daar vandaan blijven en ook niet in de klassieke links/rechts tegenstelling verzanden. Het is niet zo dat je daarmee depolitiseert of een glad verhaal aflevert, maar we hebben lof gekregen uit kringen van VVD-CDA, maar ook van SP-GroenLinks.”

Sowieso zijn de ideologische randjes er bij het politieke debat over ontwikkelingsamenwerking enigszins afgeslepen. GroenLinks kon met een rapport komen waarin de rol van de private sector werd benadrukt.
`Ja, het bedrijfsleven is minder verdacht geworden. Links heeft traditioneel altijd een wat lastige verhouding gehad tot de economie, tot de productieve sectoren. De focus lag meer op herverdeling van de middelen, via belasting en via de stelsels van sociale zekerheid. Rechts zei: laten we de koek eerst maar eens groter maken, voor we gaan discussieren hoe we ‘m moeten verdelen. ”

Is de pro poor growth, groei die ten goede komt aan de armsten, dan op zijn retour?
“Nou, in de westerse samenleving kun je een debat hebben over herverdeling van middelen. Maar voor ontwikkelingslanden is zo’n perspectief, ook voor links, toch lastig. Al zien sommigen ontwikkelingssamenwerking nog steeds  als een vorm van mondiale herverdeling. Dat is echt een problematisch idee.”

Wij moeten inleveren om het voor hen beter te maken, naar Jan Pronk.
“Ja, maar daar is ontwikkelingssamenwerking een heel slecht instrument voor. Als je vindt dat de welvaart op mondiaal niveau herverdeeld moet worden, dan moet je instrumenten bedenken die daar bij passen. Dan heb je het over een Tobin-tax bijvoorbeeld. Of je moet zorgen dat er een internationaal minimumloon komt. Ontwikkelingssamenwerking zal er primair op gericht moeten zijn landen in staat te stellen zelfredzaam te worden. In die zin is het een helder verhaal, voor links zowel als voor rechts. Voor een land als Tsjaad heeft het weinig zin een debat te voeren over herverdeling. Daar heb je wel een elite natuurlijk, dat zie je in meer Afrikaanse landen. Maar er is geen middenklasse die ook aanspraak maakt op een groot deel van de welvaart en de eerlijke verdeling van het geld aankaart. Eerst moeten dit soort landen groeien, daar is iedereen het wel over eens.”

Waaover bent u anders gaan denken door de discussie over het rapport?
“In de Engelse versie hebben we geprobeerd het debat van het afgelopen jaar recht te doen. We hebben bijvoorbeeld kritiek gekregen op de summiere behandeling van de multilaterale hulp. Terwijl het Nederlandse multilaterale beleid zo mogelijk nog profiellozer is dan het bilaterale beleid. We hebben in de Engelse editie kritisch gekeken naar multilaterale instellingen, en ook naar Europa. Uit een efficiency-perspectief zou je kunnen pleiten voor verschuiving van de hulp naar Europa. Maar je ziet Europa in allerlei landen juist de 28e donor worden, waardoor de coördinatieproblemen alleen maar groter worden. Ze zijn op allerlei dossiers bezig, met eigen onderwijsprojectjes bijvoorbeeld, waar de individuele bilaterale donoren zich ook op richten. Dat druist in tegen het gevoel waardoor veel mensen nee tegen het grondwettelijk gedrag hebben gezegd: laat Europa doen waar het sterk is, en de lidstaten waar hun kracht ligt. Europa zou zich met regionale infrastructuren bezig moeten houden, zowel fysieke – wegen en energie – als politieke, handels- of monetaire structuren.
Iets soortgelijks geldt voor de VN, waarin UNDP een uitvoeringsorganisatie dreigt te worden in plaats van de klassieke VN-rol op zich te nemen van standaardisering, kennisuitwisseling en politieke bundeling.”

Wat heeft het debat over het rapport u geleerd over de sector?
“Het rapport heeft veel losgemaakt in de hulpsector. Dat gebeurde enerzijds omdat het een zekere inherente kwaliteit heeft, dat was de push factor. De pull factor school erin dat de sector behoefte had aan nieuwe grote verhalen. Daarvóór had je het debat gehad over het boek van Dambisa Moyo (Doodlopende hulp, red.). Men schrok toen van de klappen die aan de sector werden uitgedeeld en had niet direct een antwoord klaar. Je kunt Moyo bij de enkels afzagen, omdat ze immoreel is of dom, maar daarmee beantwoord je nog niet de vragen die zij stelt.”

Toch werd er in de sector nog het zuinigst op het rapport gereageerd.
“Ja, op het departement bijvoorbeeld is men er heel serieus mee aan de slag gegaan, en zijn er allerlei interne debatten geweest. Bij de hulporganisaties zijn het vooral individuen geweest die de confrontatie met het rapport zijn aangegaan. De grote organisaties hebben beloofd om het debat naar zich toe te trekken, maar dat is niet gebeurd. De branchevereniging Partos heeft in een reactie geconcludeerd dat er meer geld naar de maatschappelijke organisaties moest – dat was tamelijk voorspelbaar. Als je de ontwikkelingssector vergelijkt met sectoren als de gezondheidszorg en de sociale zekerheid, zie je dat men daar meer in staat is intelligente compromissen te bereiken, en gemeenschappelijke standpunten te formuleren die het debat weer verder brengen. De Raad voor de Volksgezondheid – bijvoorbeeld – heeft het debat over de toekomst van de zorg naar zich toegetrokken. We missen in Nederland ook een soort kristallisatiepunt in de ontwikkelingssamenwerking om het debat op een hoger plan te brengen, zoals het Overseas Development Institute in Engeland of het Center for Global Development in de VS.”

Het lijkt erop dat de sector de band met de samenleving is kwijtgeraakt en nu hevig geschrokken constateert dat ontwikkelingssamenwerking tot de linkse hobby’s wordt gerekend en het draagvlak afbrokkelt.
“Ja, dat heeft een paar oorzaken. Allereerst kun je als je heel eerlijk bent geen evidente serie successen van de klassieke ontwikkelingshulp aanwijzen in de laatste tien, vijftien jaar. Het beeld is dat Azië het op zichzelf heeft gedaan, en Afrika ondanks onze hulp corrupt is gebleven. De relevantie van de sector is ook teruggelopen. Toen ontwikkelingssamenwerking ooit begon, werd Afrika bij wijze van spreken ‘ontdekt’, ook door de media, en had iedereen het idee dat we er iets aan moesten doen. Nu is er een zekere vermoeidheid ontstaan. Ten tweede is men deze eeuw in alle westerse staten, en zeker ook in Noordwest-Europa de vraag gaan stellen: en wij dan, waar staan wij zelf? We noemen dat een vorm van nationalisme, maar dat is in de meeste gevallen niet de meest adequate term. Die beweging helpt ook niet. En  verder ontbreekt dus een kristallisatiepunt dat de sector samenbrengt en van waaruit een gezamenlijke strategie wordt bedacht.”

Beseft men wel de urgentie van die band met de samenleving?
“In mijn beeld – en nu generaliseer ik even – herkent de sector onvoldoende de mate waarin ze een gesloten geheel is geworden. Tot op het departement toe. Daar heeft iedereen toch wel een heilig geloof in wat hij doet terwijl honderd meter verderop, op straat, de scepsis over de hulp toch wel behoorlijk groot is. De instrumenten om iets aan die scepsis te doen zijn beperkt. Het gaat in klassieke termen nog steeds over draagvlakvergroting: we hebben een goed verhaal, maar we moeten het beter uitleggen. NCDO is ook ooit op die manier gepositioneerd. Dat past bij zendingsdrang, niet bij uitwisseling van gedachten en permanent debat. Datzelfde heb je rond Europa gezien: het werkt niet als je alleen maar probeert uit te leggen dat Europa fantastisch is. Op het moment dat de opiniepolls iets anders uitwijzen, kun je zendtijd bij RTL 4 kopen, maar dat werkt dan contraproductief: ‘er wordt ons iets door de strot geduwd’.”

U heeft in het WRR-rapport juist geprobeerd een nieuwe legitimatie voor ontwikkelingsamenwerking te formuleren, in het verlicht eigenbelang. Is dat geland?
“Nou, Nederland is heel erg bezig met haar verhouding tot de buitenwereld, zij het dat we daar nu een antwoord op geven in de zin van het herwinnen van de nationale identiteit, de deuren weer wat dicht doen en ons eigenbelang weer inhoud geven. Dat proces is een worsteling. Sommigen proberen die worsteling te ontlopen door te stellen dat je moet investeren in de wereld, dat een betere wereld goed is voor ons allemaal. En dan gaan ze voorbij aan de vraag wat Nederland en de Nederlanders daarbij te winnen hebben. Dat verhaal kan nog maar op een beperkt draagvlak rekenen, eigenlijk alleen bij de globaliserende elite. In het rapport halen wij het voorbeeld van de Noorse minister aan die eerst een traject startte: wat zijn de belangen van de Noren bij  een betere wereld in 2040. Als  hij die goed kon benoemen kon  hij aangeven waarom  hij er in moest investeren. Dat zouden wij ook moeten doen, anders wordt het heel moeilijk om blijvende betrokkenheid bij ontwikkelingssamenwerking te krijgen. Wij hebben daarom in het rapport een globaliseringsagenda voorgesteld met als doel na te denken over wat ons met de rest van de wereld bindt en waar onze belangen liggen. En dat moet verder gaan dan het klassieke verhaal dat we handelsbelangen hebben en dat we wereldwijd wat kunnen verkopen. Ook belangen als mondiale publieke goederen zul je moeten benoemen, en liefst zo concreet mogelijk.”

Als u nu op de stoel van Ben Knapen zou mogen zitten, wat zou u als eerste doen?
“Ben formuleert zijn eigen prioriteiten, die ga ik niet voor de voeten lopen. Met het rapport bepleiten we een soort dubbelslag. Enerzijds doorgaan met de klassieke hulp. Daarin kun je nog wel een slag maken als je een goede landenanalyse maakt, voor langere tijd toegevoegde waarde weet te genereren, en Nederlandse deskundigheid een plek geeft. Als tweede: de meeste ontwikkelingsvragen gaan op lange termijn geadresseerd worden  als vraagstukken van coherentie op internationaal niveau en als kwesties van mondiale publieke goederen. Nederland moet daar een strategie in ontwikkelen. Voor de komende tien jaar is de opdracht om de eerste component niet onmiddellijk af te stoten maar tegelijkertijd voorbereiding te treffen om ontwikkelingsvraagstukken te benoemen als onderdeel van regionale en mondiale vragen. Die omslag zou het kabinet voor kunnen bereiden. Directe hulp zal steeds meer beperkt blijven tot Afrika, en het accent komt gaandeweg op strategieën op het gebied van bijvoorbeeld voedselveiligheid, inclusief de vraag hoe we er voor kunnen zorgen dat Afrikaanse landen voldoende kunnen verdienen aan hun landbouwproducten en de baas kunnen blijven over een groot deel van hun landbouwgrond.”

Het hoeven dus niet per se barre tijden voor ontwikkelingssamenwerking te worden?
“Nee, integendeel. In ons rapport zit bijvoorbeeld een uitdaging aan met name de Nederlandse hulporganisaties: jullie claimen wel dat je al die civil societies kent, maar laat de professionaliteit en deskundigheid maar eens blijken in goede landenanalyses. Het antwoord van de organisaties is daar nog niet op gekomen. In het regeerakkoord wordt ‘het maatschappelijk middenveld’ als een van de sterke punten van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking geïdentificeerd. Dus heb je in ieder geval, met dank aan dit regeerakkoord, weer een vervolgperspectief. Het kan leiden tot de – voor sommigen misschien wat cynische – situatie dat de regering Rutte de beste impuls heeft gegeven aan de Nederlandse ontwikkelingssector.”
Tekst Hans Ariëns, IS

Kamer steunt beleid Knapen

maandag, december 6th, 2010

Staatssecretaris Ben Knapen voor Ontwikkelingssamenwerking kan waarschijnlijk door met zijn beleidsvoorstellen.

Een poging van een brede oppositie om de bezuinigingen op de hulporganisaties trager door te voeren of om de extra korting van 250 miljoen euro te verminderen, haalt zonder de steun van regeringspartij CDA geen meerderheid.

Dat bleek maandag tijdens het eerste grote debat met Knapen over zijn beleid. Het CDA wil weliswaar ook een lager tempo en geen extra kortingen, maar Tweede Kamerlid Kathleen Ferrier van deze partij zei dat ze er nog eens goed naar moet kijken.

”Het gaat om grote bedragen. Er is weinig ruimte op de begroting om te verschuiven”, zei ze na het debat.

Knapen komt volgend voorjaar met de uitwerking van zijn basisbrief, die hij eind november presenteerde. Kern daarvan is dat Nederland niet langer 0,8 van het bruto nationaal product aan ontwikkelingssamenwerking besteedt, maar de internationale norm van 0,7 procent aanhoudt.

Dat is een teruggang van 5 naar 4 miljard in twee jaar tijd. Ook wil hij toe naar meer economische ontwikkeling, waar Nederlandse bedrijven ook van profiteren.

De Tweede Kamer kan nog wel een spaak in het wiel steken van de beoogde bezuinigingen op hiv/aids-programma’s van 82 miljoen euro in 2011.

VVD en CDA zoeken naar andere dekkingen maar weten nog niet precies welke. De meeste andere partijen zijn ook tegen de bezuiniging en zoeken ook.

Knapen zelf vindt deze bezuiniging ook jammer, zei hij, maar wil die wel doorzetten. Nederland blijft volgens hem internationaal een grote donor voor aidsbestrijding. Wel zegde Knapen D66 toe om echt kwetsbare groepen bij de aidsbesparingen te ontzien.

Bezuinigingen Knapen zijn amputatie

maandag, december 6th, 2010

“Dit is geen korting meer te noemen. Dit is een amputatie,” schrijft Gert van Maanen, lid Raad van Toezicht Cordaid in Trouw van zaterdag 4 december. Van Maanen verbaast zich over het positieve hoofdredactioneel van de krant over de aangekondigde bezuinigingen van 142 miljoen euro voor ontwikkelingsorganisaties. Het overgrote deel van die bezuinigingen komt terecht bij de vier allianties Icco, Cordaid, Novib en Hivos.

“De vier hebben, in de loop van tientallen jaren, daartoe gestimuleerd en mede gefinancierd door de overheid, een uitgebreid overzees netwerk opgebouwd. Dat netwerk omvat meer dan 3000 grotere en kleinere, lokale organisaties in ontwikkelingslanden, die zich alle bezighouden met de onderkant van de samenleving. Van de machthebbers ter plekke krijgen zij geen steun, van Nederland wel,” schrijft Van Maanen. “Als gevolg van de bezuinigingen moet de samenwerking met een kwart van deze 3000 organisaties worden beëindigd.” En er is geen overgangsfase, waarin zij andere financiers kunnen zoeken.

De staatssecretaris wil in de toekomst het subsidiestelsel verder ter discussie stellen. Knapen vindt dat de ontwikkelingsorganisaties hun geld meer uit de samenleving moeten halen. Van Maanen vindt dat een vreemde redenering. “de zes grootste ontwikkelingsorganisaties
hebben samen bijna 2,4 miljoen donateurs. Al die donateurs samen dragen jaarlijks 250 miljoen euro bij, een enorm bedrag. Er zijn nauwelijks voorbeelden te bedenken van een groter draagvlak. Bovendien zijn er weinig staatssecretarissen met zo’n grote achterban, die zich zo duidelijk manifesteert.”

“Ben Knapen schrijft dat het nieuwe beleid zich moet concentreren op ontwikkelingsthema’s waar Nederland sterk is en het verschil kan maken. Hij wil alleen nog projecten steunen met ’herkenbare Nederlandse meerwaarde door kennis, ervaring en betrokkenheid van de samenleving’. Prima! In dat verband concludeert Knapen dat voedselzekerheid en water hoog scoren en derhalve speerpunten worden van het nieuwe beleid. Nederland gaat een zwaarder accent leggen op economische factoren dan op sociale. Maar waar was Nederland ook alweer goed in? Ons land krijgt juist internationale waardering voor de vele kennis en ervaring met juist de meer sociale aspecten
van ontwikkelingssamenwerking.”

Verbod EU goedkope medicijnen voor ontwikkelingslanden dreigt

woensdag, december 1st, 2010

Stella’s leven is in balans. Vier jaar geleden werd ze geboren, HIV-positief. Haar moeder, Rebecca Mbabazi, 23 jaar jong, ondekte net als veel andere moeders in Oeganda, dat ze besmet was met het virus toen ze al zwanger was.

Moeder en dochter leven aan de rand van het Bwindiwoud in het westen van het land. Het gebied is beroemd vanwege de gorilla’s, maar werd berucht door het hoge aantal HIV / Aids besmettingen.

Net als de meeste kinderen houdt Stella niet van pillen – ze trekt een komisch gezicht als de medicijnen ter sprake komen. Maar ze neemt ze trouw in, twee keer per dag. Dat redt haar leven. Maar hoe lang nog? Als het aan de Europese Unie ligt zal de levering van goedkope medicijnen, waar Stella afhankelijk van is, stoppen.

Op Wereld Aids Dag publiceert de Britse krant The Independent het schokkende verhaal van Stella en de noodzaak van goedkopen medicijnen.

De medicijnen waar Stella’s leven van afhangt komen uit Hyderabad, India. De stad is het centrum van de farmaceutische industrie die miljoenen mensen in ontwikkelingslanden het leven heeft gered. India is, door de produktie van goedkope, uit het Westen gekopieerde medicijnen, de “apotheek van de derde wereld” geworden. Het land levert meer dan 80 procent van de aidsremmers in Afrika. Door deze farmaceutische produktie zijn de kosten van behandeling van een HIV-patiënt in een ontwikkelingsland gedaald van 500 dollar per jaar naar 70 dollar.

Volgende week kan daar wel eens een einde aan komen. De EU begint dan in Brussel handelsbesprekingen met India. Een van de agendapunten is het patentrecht van de Europese farmaceutische industrie. Als de onderhandelingen tot een akkoord leiden, kan dit wel eens het einde van de goedkope HIV-medicijnen zijn. De ontwikkeling van nieuwe en goedkope medicijnen zal een vertraging oplopen van 10 tot 15 jaar.

Artsen Zonder Grenzen voert actie tegen het voorstel van de EU.

YouTube voorvertoningsafbeelding

Ontwikkelingssamenwerking op de schop

vrijdag, november 26th, 2010

Minder landen, meer focus en een forse ombuiging. Dat is de kern van de kabinetsplannen voor de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking, zoals verwoord in de brief die staatssecretaris Ben Knapen vandaag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Het beleid zal zich richten op die gebieden waar Nederland internationaal verschil kan maken en waarmee tegelijk een nationaal belang wordt gediend.
Knapen: “Zoals in het regeerakkoord al aangegeven komt dit kabinet met stevige bezuinigingen en ombuigingen. Het budget voor ontwikkelingssamenwerking (ODA) wordt in 2011 400 miljoen euro lager. Daarnaast heb ik ervoor gekozen om binnen mijn budget extra geld vrij te maken voor nieuwe beleidskeuzes.” De structurele bezuiniging op het ODA-budget loopt op tot 810 miljoen euro in 2015. Bezuinigingen worden vooral gevonden bij uitgaven voor sectoren als onderwijs en gezondheidszorg. Met een budget van 0,7 procent BNP handhaaft Nederland zich in de kopgroep van donorlanden en houdt het zich aan internationale afspraken.

“Ik heb scherpe beleidskeuzes gemaakt en gekozen voor de volgende vier thema’s: voedselzekerheid, water, veiligheid en rechtsorde in fragiele staten, en Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR),” aldus Knapen Binnen deze thema’s ligt de nadruk op economische ontwikkeling en het bevorderen van ondernemerschap. Het kabinet wil van hulp naar investeren en gaat meer gebruikmaken van Nederlandse kennis en kunde. Ook zal het inzetten op samenwerking via het bedrijfsleven om zijn doelstellingen te behalen en de effectiviteit te vergroten. De thema’s sluiten aan op de Millennium Ontwikkelingsdoelen (MDG’s) en de aanpak van mondiale kwesties, de zogenoemde Global Public Goods (GPG’s).

Verder zal bezuinigd worden op het aantal partnerlanden. In de komende periode gaat het aantal partnerlanden van 33 naar in elk geval minder dan 16. ‘Het Nederlandse ontwikkelingsbeleid is te versnipperd geraakt,’ zegt Knapen. ‘Het moet effectiever.’

De brief aan de Tweede Kamer legt een fundament voor het nieuwe beleid, waarbij het in januari  2010  gepubliceerde rapport Minder pretentie, meer ambitie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) als leidraad heeft gediend. De precieze invulling van het beleid volgt in de officiële kabinetsreactie op het WRR-rapport en in een nadere uitwerking in de eerste helft van 2011. Zeker is al wel dat het 3D-programma (Defense, Diplomacy, Development) zal worden voortgezet, de financiële ruimte voor het bieden van noodhulp ongewijzigd blijft, en het beleid met betrekking tot begrotingssteun zal worden herzien.

Boeren en natuurbeschermers succesvol samen in Ethiopie

dinsdag, november 23rd, 2010

Dat landbouw en natuurbescherming heel goed samengaat, laat het succesvolle project van Farm Africa in Kafa, Ethiopië, zien. Kafa, waarschijnlijk de gebooorteplaats van koffie en de streek waar de naam van afgeleid is, herbergt nog de helft van het unieke regenwoud dat nog over is in Ethiopië. Het bergwoud in Kafa werd echter ook bedreigd. Maar dankzij samenwerking tussen lokale boeren en natuurbeschermers heeft het gebied sinds juni de Unesco-status van biosfeerreservaat.

Voorheen rooiden grote landbouwbedrijven en kleine boeren het bos om de grond te gebruiken voor landbouw. Gevolg was dat na verloop van tijd de grond uitgeput raakte en niet langer geschikt was voor landbouw. Geen grond, geen bos. Via de Britse hulporganisatie Farm Africa maakten boeren in Kafa kennis met duurzame landbouw. Sindsdien liggen de akkers in het bos. Daar verbouwen de boeren koffie, avocado’s, enset (een banaanachtige plant), kardemon, peper en fruit. Ook oogsten ze honing.

Meer dan 750.000 hectare van het bergwoud werd deze zomer erkend als biosfeerreservaat, een internationale bevestiging dat het gebied duurzaam beheerd wordt. Met deze erkenning hopen de boeren dat ze hun produkten over de grenzen kunnen gaan verkopen. Bovendien kunnen ze, dankzij de erkenning, meer hulpgeld ontvangen. Zo maakte het Duitse ministerie van Milieu bekend dat ze 3,1 miljoen euro gaan investeren in Ethiopië voor herbebossing, duurzame koffieteelt en verspreiding van zuinige houtkacheltjes.

YouTube voorvertoningsafbeelding

Concept regeerakkoord VVD-CDA over OS, integratie en discriminatie

donderdag, september 30th, 2010

Het CDA-congres van zaterdag 2 oktober heeft de laatste stem. Daar valt de beslissing of er een CDA-VVD-kabinet komt met gedoogsteun van de PVV. Het concept regeerakkoord van beide regeringspartijen laat echter al iets zien van waar het naar toe gaat met ontwikkelingssamenwerking en beleid gericht op de bestrijding van discriminatie.

Uit het regeerakkoord (PDF):
“Het ontwikkelingsbeleid wordt fundamenteel herzien en gemoderniseerd, waarbij het rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’ van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid als leidraad dient. Uitgangspunt hierbij is te gaan van hulp naar investeren, met als doel zelfredzaamheid in ontwikkelingslanden. Het kabinet zet daartoe in op coherentie van beleid, economische groei en handelsbevordering. De inzet wordt gericht op minder partnerlanden en minder sectoren om de effectiviteit te bevorderen. Begrotingssteun wordt niet gegeven als sprake is van corruptie, schending van mensenrechten en onvoldoende good governance.
Binnen het budget voor Ontwikkelingssamenwerking zal een sterke uitbreiding plaatsvinden van mogelijkheden voor het bedrijfsleven. Ontwikkeling van de private sector zal één van de speerpunten worden, evenals het bijdragen aan het behalen van de Millennium Development Goals. In de ontwikkelingssamenwerking zal gezocht worden naar meer samenhang met het brede buitenlands beleid. Daarnaast wordt gefocust op thema’s waar Nederland goed in is (onder meer watermanagement, landbouw en maatschappelijk middenveld). Het 3D-beleid wordt voortgezet en interdepartementaal beleid wordt bevorderd op onder meer de gebieden van veiligheid, klimaat, gezondheidszorg, energie, water en landbouwproductie. De in Nederland aanwezige expertise wordt daarbij ingezet.”

Ontwikkelingssamenwerking levert 1 miljard euro in.

“Het kabinet bevordert de emancipatie.
• Het kabinet staat ook borg voor de emancipatie van lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen en transgenders en zal daartoe concreet beleid ontwikkelen.
• Gewelddadige misdrijven met een discriminatoire achtergrond c.q. een discriminatoir motief dienen zwaarder te worden gestraft. Het Openbaar Ministerie zal hiermee bij de strafeisen dienaangaande rekening houden.”

Uit het gedoogakkoord (PDF), dat geschreven is voor steun van de PVV aan het kabinet en waarin onder andere de immigratieparagraaf staat:
“Het asiel- en migratiebeleid is streng maar rechtvaardig. Ombuiging, beheersing en vermindering van de immigratie zijn geboden en urgent gelet op de maatschappelijke problematiek. Verwezenlijking hiervan behoort tot de primaire doelstellingen van het te voeren kabinetsbeleid.
Het kabinet zal hiertoe de mogelijkheden voor een restrictief en selectief migratiebeleid binnen de bestaande juridische kaders, waaronder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), zoveel mogelijk benutten, zowel door voorstellen tot weten regelgeving als door intensivering van controle, handhaving en uitvoering van bestaande voorschriften, met inbegrip van nieuwe informatiesystemen, uitwisseling van gegevens en technieken voor identiteitsvaststelling. Hierbij werkt het kabinet waar mogelijk samen met andere landen, met name aangrenzende EU-lidstaten en landen buiten de EU waaruit migranten afkomstig zijn. Het terugkeer- en uitzetbeleid wordt aangescherpt. Illegaal verblijf wordt strafbaar.
Bij gezinsmigratie gaat het om de komst van gezinsleden van personen die legaal in Nederland verblijven. Zo kan een migratieketen ontstaan waarbij in elke generatie opnieuw partners, vaak verwanten, en kinderen uit het land van herkomst naar Nederland komen met de nadelige gevolgen vandien voor het integratieproces dat zo bij herhaling op achterstand raakt. De negatieve spiraal van deze keten wordt doorbroken door hogere eisen te stellen aan deze wijze van gezinsvorming en gezinshereniging waaronder zodanige opleidingseisen dat een kansrijke integratie bij voorbaat verzekerd is. Het kabinet zet hierbij tevens in op wijziging van de Europese richtlijn.
Het terugkeer- en uitzetbeleid wordt geïntensiveerd.
Het kabinet beëindigt het diversiteits/voorkeursbeleid op basis van geslacht en etnische herkomst. Selectie moet plaatsvinden op basis van kwaliteit. Er komt een meldcode voor cultureel bepaald huiselijk geweld en kindermishandeling. Het kabinet komt met een voorstel voor een algemeen verbod op gelaatsbedekkende kleding zoals boerka’s. In voorschriften wordt opgenomen dat de politie en leden van de rechterlijke macht geen hoofddoek dragen. Er wordt bezuinigd op de subsidies van de rijksoverheid op het gebied van integratie met uitzondering van de subsidie aan Vluchtelingenwerk. Het kabinet zal geen subsidie geven aan organisaties die activiteiten ondernemen die zich tegen de integratie richten.”

Allianties van ontwikkelingsorganisaties

donderdag, april 1st, 2010

Twintig allianties van ontwikkelingsorganisaties zijn door het ministerie van Buitenlandse Zaken uitgenodigd om een uitgebreid voorstel in te dienen voor de tweede fase van het nieuwe medefinancieringsstelsel (MFS II). Er wordt uiterlijk 1 november een definitief besluit genomen over de subsidieaanvragen, waarvoor de komende vijf jaar een bedrag van 2,125 miljard is gereserveerd op de begroting van Ontwikkelingssamenwerking. Dat heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken vandaag bekend gemaakt.
De huidige subsidieregeling (MFS I), die eind 2010 afloopt, is door voormalig minister voor Ontwikkelingssamenwerking, Bert Koenders, vernieuwd om de samenwerking tussen ontwikkelingsorganisaties te bevorderen en de effectiviteit van de hulpinspanningen te vergroten. De doelstelling is om het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden te versterken en op die wijze een bijdrage te leveren aan het bestrijden van armoede. Er zijn in december vorig jaar 43 aanvragen ingediend voor een bedrag van 3,7 miljard. 23 aanvragers hebben een brief gehad van het ministerie van Buitenlandse Zaken, waarin staat dat hun subsidieaanvraag is afgewezen. In de twintig overgebleven allianties werken 74 organisaties samen. Zij hebben voor een bedrag van 2,8 miljard subsidie aangevraagd. Alle aanvragen zijn allereerst getoetst op drempelcriteria, zoals bijvoorbeeld de eis dat wordt samengewerkt met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden en de eis dat 25% van de jaarlijkse inkomsten van de aanvrager afkomstig moet zijn uit andere bronnen dan die van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarnaast mogen medewerkers van Nederlandse ontwikkelingsorganisaties niet meer verdienen dan een directeur-generaal bij de Rijksoverheid. Daarna zijn er drie toetsen uitgevoerd ten aanzien van de subsidieaanvraag, waarbij de kwaliteit van de aanvraag voorop stond. Bij de organisatietoets werd gekeken naar de kwaliteit van beheer en beleid. Daarnaast was er een alliantietoets, waarbij een oordeel werd gevormd over de capaciteit en meerwaarde van de allianties en een voorsteltoets, waarbij gekeken werd naar de kwaliteit van het beknopte programmavoorstel. Aanvragen die zijn afgevallen voldoen niet aan één of meerdere drempelcriteria, of haalden onvoldoende punten op de organisatie- en/of voorsteltoets. De beoordeling is uitgevoerd door ambtenaren van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Een externe adviescommissie, bestaande uit drs. W.J. Deetman (voorzitter), drs. P. Zevenbergen en prof. dr. A. de Ruijter, heeft vervolgens gekeken naar de beoordelingsprocedure. Het oordeel van de commissie luidt dat de beoordeling zorgvuldig, consistent en objectief is uitgevoerd. De volgende organisaties zijn, als penvoerder van een alliantie, uitgenodigd om een uitgebreid voorstel in te dienen voor beoordeling in de tweede fase:

Both Ends (Fair Green and Global Alliance)
Connect International (Water, Energy and Food alliance – WEFA)
Cordaid (Samen voor Verandering-Communities of Change)
Free Voice (Press Freedom 2.0)
HIVOS (HIVOS-alliantie)
ICCO ( ICCO Alliance)
IICD (Connect4change)
IKV-Pax Christi (Freedom from fear)
International Child Support (Together4Change)
Medisch Comité Nederland-Vietnam (Transition in the East Alliance)
Nederlandse Rode Kruis (Disaster Risk Reduction and Climate Change Adaptation DRR/CCA Alliance)
OXFAM/Novib (IMPACT)
PLAN Nederland (Child Rights Alliance)
Simavi (WASH Alliance)
SPARK (United Entrepreneurship Coalition)
Terre des Hommes (Kind en Ontwikkeling)
War Child (Conn@ct Now)
Woord en Daad (Woord en Daad – Red een Kind Alliance)
World Population Fund (SRHR Alliance)
ZOA Vluchtelingenzorg (Dutch Consortium for Rehabilitation)

Het uitgebreide programmavoorstel dient uiterlijk 1 juli 2010 worden ingediend. De tweede fase bestaat uit de beoordeling van dit voorstel door middel van een programmatoets. Op de website van het ministerie www.minbuza.nl/mfs staan meer gegevens hierover.
Momenteel ontvangen 106 Nederlandse ontwikkelingsorganisaties subsidie via het huidige medefinancieringsstelsel (MFS I, 2007-2010) en de thematische medefinanciering (TMF, 2006-2010).