Overheid, doelgroepen en islam
Hoogopgeleide allochtone werknemers voelen zich niet thuis bij de overheid. Dat concludeert onderzoeker en hoogleraar Karen van Oudenhoven-Van der Zee werkzaam aan de Rijks Universiteit Groningen. Ze vroeg zich af waarom hoogopgeleide niet-westerse allochtonen liever voor het bedrijfsleven werken dan voor de overheid. Conclusie: “Het doelgroepenbeleid (voorheen positieve discriminatie genoemd) werk averechts en leidt tot conflicten en een onprettige sfeer op de werkvloer,” zegt Van Oudenhoven in Trouw. “Daardoor vertrekt de hoogopgeleide niet-westerse allochtoon al snel. Die werkt liever in het bedrijfsleven, waar geen diversiteitsquota gelden en waar puur naar kwaliteit wordt gekeken.”
Volgens de onderzoeker is bij de overheid etnische diversiteit maatschappelijk gewenst, terwijl het in het bedrijfsleven als een aanwinst wordt gezien. “Daar waar de overheid een gesloten, homogene werkgever is, is het bedrijfsleven minder rigide en staat open voor nieuwe, originele ideeėn.” Van Oudenhoven verdedigt wel de gedachte achter het doelgroepenbeleid, maar heeft kritiek op de aanpak. De overheid zou moeten zeggen: we kunnen als overheid beter functioneren als we een diversiteitsbeleid hebben waar iedereen kwalitatief tot zijn recht komt, in plaats van quota’s na te streven.
Thijl Sunier, kersvers hoogleraar Islam in Europa (pdf) aan de VU in Amsterdam, stelt dat islamonderzoek te vaak in dienst van overheidsbeleid is. “Islamonderzoekers in Europa vertrekken te vaak vanuit het integratiebeleid van regeringen. Uitgangspunt zou echter moeten zijn dat de meeste moslims geen migranten meer zijn, maar integraal onderdeel uitmaken van de Europese samenlevingen en geļntegreerd zijn,” zegt Sunier op Wereldjournalisten. “Die eenzijdige benadering leidt tot eenzijdig onderzoek gericht op radicalisering en criminaliteit.”
Het islamonderzoek kan beter en wel specifiek op de volgende 3 gebieden, zegt Sunnier.
Ten eerste moet het onderzoek naar de islambeleving onder jongeren zich niet beperken tot radicalisering en aanpassingsproblemen, maar alle vormen van religiositeit in het onderzoek betrekken. Immers de meeste jongeren zijn geboren en getogen in Europa. Dit moet het vertrekpunt zijn voor onderzoek naar hun islambeleving.
Ten tweede moet het onderzoek naar het dagelijkse leven in wijken en de manier waarop moslims hun geloof inpassen in dat leven veel meer aandacht krijgen. Oude wijken staan vaak synoniem voor vergaarbakken van problemen. Dat levert een sterk vertekend beeld op van de realiteit.
Ten derde moet er onderzoek gedaan worden naar islamitisch leiderschap. Aan de ene kant wordt aan islamitische leiders en geestelijken een enorme invloed op moslims toegeschreven en worden ze ingezet om een keur aan problemen op te lossen. Aan de andere kant worden hun activiteiten en denkbeelden juist met argusogen bekeken en probeert men hun invloed in te dammen. Systematisch onderzoek naar islamitisch leiderschap levert een genuanceerder beeld op en geeft inzicht in de relatie tussen leiderschap en gewone moslims.








